<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2022:7578</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-02T10:20:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 20 _ 3372</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:7578">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:7578</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-02T10:19:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2022:7578 Rechtbank Noord-Holland , 24-03-2022 / AWB - 20 _ 3372</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2022:7578:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag van politieambtenaar wegens privé-bevragingen politiesystemen houdt stand.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2022:7578:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 20/3372 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], uit [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Cinar)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de korpschef van politie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E.H. Schuddeboom).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 12 december 2019 (primair besluit) heeft verweerder het voorwaardelijk strafontslag dat eiser was opgelegd ten uitvoer gelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 13 mei 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig [naam] (teamchef).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vooraf ging </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Eiser was sinds [maand] 2008 in dienst bij verweerder, laatstelijk in de functie van [functie] ([functie]) bij de afdeling Dienst Regionale Operationele Samenwerking (DROS). </para>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 26 februari 2018 heeft verweerder eiser de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd (per 22 maart 2018). Naar aanleiding van het bezwaar van eiser is deze straf omgezet in een voorwaardelijk strafontslag. De voorwaarde is dat eiser zich gedurende twee jaar niet aan een soortgelijk plichtsverzuim of enig ander plichtsverzuim schuldig maakt.</para>
    <para />
    <para>3. Op 5 november 2018 is eiser weer gestart met zijn werkzaamheden. Op 6 november 2018 stuurt zijn leidinggevende eiser een mail, waarin hij erop gewezen wordt dat hij geen bevragingen mag doen in het systeem waar het niet voor bedoeld is (dit naar aanleiding van het feit dat eiser het adres van zijn ex-partner heeft bevraagd, waardoor hij zag dat daar nog de code ‘AOL’ stond, wat hij zijn leidinggevende gemeld heeft).</para>
    <para />
    <para>4. Op 18 februari 2019 wordt de afdeling Veiligheid, Integriteit en klachten (VIK) gevraagd een oriënterend onderzoek te verrichten naar niet-werkgerelateerde bevragingen in de politiesystemen door eiser. De aanleiding hiervoor is bovengenoemde bevraging van het adres van de ex-partner en de opmerking van eiser tegenover een collega dat hij een kenteken heeft nagetrokken van een auto die hij wilde kopen. Uit het onderzoek komt onder meer naar voren dat eiser meerdere keren zichzelf, zijn zoon, kentekens van zijn vorige en huidige auto, en een collega in de politiesystemen heeft bevraagd.</para>
    <para />
    <para>5. Op 12 september 2019 stuurt verweerder zijn voornemen het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer te leggen, vanwege – kort samengevat – niet-werkgerelateerde bevragingen. De zienswijze van eiser brengt geen verandering in het standpunt van verweerder. In het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiser in de korte periode na de wedertewerkstelling vele privé-bevragingen in de politiesystemen heeft gedaan. Eiser heeft persoonlijke informatie opgezocht van hemzelf, zijn kinderen, vrouwen met wie hij in de privésfeer in aanraking was gekomen, alsmede personen die hij in de sportschool was tegen gekomen. Politiesystemen mogen absoluut niet worden gebruikt voor privébeslissingen of uit nieuwsgierigheid. Het meermaals en structureel bevragen van de systemen zonder functionele noodzaak, terwijl eiser daar direct na zijn wedertewerkstelling expliciet voor is gewaarschuwd, en daar (kort daarna) toch mee is doorgegaan, kwalificeert verweerder als ernstig plichtsverzuim. Overeenkomstig het advies van de bezwaaradviescommissie HRM heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt eiser</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Eiser voert aan dat de opgelegde straf te zwaar is. Er is volgens hem geen sprake van ‘fair play’ geweest of objectief handelen na de zaak in 2017. Eiser heeft verzocht om overplaatsing naar een ander korps, om een frisse start te kunnen maken. Dat is echter niet gebeurd. Verder hebben dezelfde rechercheurs als in 2017 onderzoek gedaan. Tijdens het onderzoek voelde eiser zich niet gehoord en geloofd. Eiser voert verder aan dat hij de bevragingen in privétijd met de juiste intenties heeft gedaan. Door zijn ervaring herkent hij verdachte situaties snel, als er iets uit de bevraging komt, meldt hij dat, anders niet. Eiser voert verder aan dat hij zich nog steeds onveilig voelt omdat tijdens het onderzoek mensen zijn benaderd die hij niet kent, maar die hij vermoedelijk heeft nagetrokken. Eiser voert verder aan dat hij door het ontslag in de bijstand is beland, door een maatregel twee maanden geen bijstand heeft ontvangen. De gevolgen daarvan zijn hem fataal geworden; huurachterstand, niet kunnen voorzien in zijn levensonderhoud, niet (financieel) voor zijn kinderen kunnen zorgen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt verweerder </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het onderzoek dat in 2017 heeft plaatsgehad een ander onderzoek was en een geheel ander feitencomplex betrof. Eiser heeft zich in zijn gesprekken kunnen laten bijstaan door een gemachtigde. Verweerder is niet gebleken van vooringenomenheid van de onderzoekers dan wel onvoldoende professionele distantie.</para>
    <para>Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiser ervan uitging dat de verweten gedragingen rechtmatig waren dan wel dat zijn manier van bevragen hem is aangeleerd. Verweerder merkt verder op dat eiser heeft erkend dat hij vanwege privézaken verkregen informatie uit de systemen met een derde heeft gedeeld, nl. een BSN-nummer. Er is sprake van privébevragingen ten aanzien van meerdere personen bij wie eiser deels betrokken bij was (geweest) en deze bevragingen hebben plaatsgevonden over een langere periode en ook nadat eiser hiervoor gewaarschuwd was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep,<footnote-ref linkend="_824468e6-5cd1-478e-af85-445889fed883" /> moet bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke disciplinaire maatregel van ontslag worden beoordeeld of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke disciplinaire maatregel rechtvaardigt. Gelezen in samenhang met de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake het beoordelings- en toetsingskader evenredigheid<footnote-ref linkend="_bd5118db-4ae1-408e-81eb-72a4ed09f6b0" /> moet beoordeeld worden of de gestelde voorwaarde voor de tenuitvoerlegging is vervuld en, zo ja, of de nadelige gevolgen van de tenuitvoerlegging niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.<footnote-ref linkend="_1dd6b07e-0aad-490a-b6f6-0e2eb1010a16" /></para>
    <para />
    <para>9. Ter zitting heeft eiser niet (langer) betwist dat hij niet-werkgerelateerde raadplegingen in de politiesystemen heeft gedaan. Het raadplegen van politiesystemen zonder dienstbelang is zonder meer als plichtsverzuim aan te merken. </para>
    <para />
    <para>10. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit plichtsverzuim ook aan eiser worden toegerekend. Dat eiser onvoldoende begeleid zou zijn bij zijn terugkeer op de werkvloer en mentale problemen ondervond, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verweerder gemotiveerd heeft betwist dat eiser niet zou zijn begeleid bij de wedertewerkstelling, waarbij erop gewezen is dat verweerder een aantal collega’s aan eiser gekoppeld had, die regelmatig met hem spraken. Dat sprake zou zijn geweest van mentale problemen die ervoor zorgden dat eiser niet meer in staat was de juiste beslissingen te nemen, is evenmin gebleken. De rechtbank acht in dit kader verder van belang dat eiser door zijn leidinggevende mondeling en schriftelijk er uitdrukkelijk op is gewezen dat het bevragen van politiesystemen voor andere dan dienstdoeleinden niet is toegestaan.</para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank onderkent dat de tenuitvoerlegging van de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag voor eiser ingrijpende gevolgen heeft, omdat eiser door deze maatregel zijn dienstbetrekking heeft verloren en daarmee ook zijn inkomen. Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van het strafontslag daaraan echter niet onevenredig. Aan politieambtenaren mogen hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld. Door de politiesystemen te gebruiken voor privé-bevragingen heeft eiser het in hem gestelde vertrouwen in ernstige mate geschonden. De samenleving moet erop kunnen vertrouwen dat de politie uitsluitend op grond van een wettelijke basis voor professionele doeleinden gebruik maakt van de vertrouwelijke gegevens waarover zij de beschikking heeft. Daarnaast kwalificeert de rechtbank de door eiser aangevoerde omstandigheden niet als bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afzien van de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafontslag.</para>
    <para />
    <para>12. De beroepsgronden van eiser treffen daarom geen doel. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. J.C. de Wit, voorzitter, en mr.drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. M.P.E. Oomens, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzitter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
  <footnote id="_824468e6-5cd1-478e-af85-445889fed883" label="1">
    <para> Bijvoorbeeld uitspraak CRvB van 17 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3218.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bd5118db-4ae1-408e-81eb-72a4ed09f6b0" label="2">
    <para> ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1dd6b07e-0aad-490a-b6f6-0e2eb1010a16" label="3">
    <para> Artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>