<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2022:6202</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-19T09:36:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9528126 \ CV FORM  21-7500</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:6202">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:6202</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-19T09:35:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2022:6202 Rechtbank Noord-Holland , 13-07-2022 / 9528126 \ CV FORM  21-7500</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2022:6202:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>CTOT, overstaptijd</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2022:6202:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Handel, Kanton en Insolventie</para>
    <para>locatie Haarlem</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknr./rolnr.: 9528126 \ CV FORM  21-7500</para>
      <para>Uitspraakdatum: 13 juli 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [plaats]</para>
      <para>verzoekende partij</para>
      <para>verder te noemen: de passagier</para>
      <para>gemachtigde: EUclaim B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de rechtspersoon naar buitenlands recht</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">TAP Air Portugal</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te Lissabon (Portugal)</para>
      <para>verwerende partij  </para>
      <para>verder te noemen: de vervoerder</para>
      <para>gemachtigde: mr. L.E. Schalk</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit verloop blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 4 november 2021;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 25 januari 2022.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Lisboa Airport, Lissabon naar Tancredo Neves International Airport, Belo Horizonte (Brazilië) op 8 november 2019.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De vlucht van Amsterdam-Schiphol Airport naar Lisboa Airport (hierna: de vlucht) heeft vertraging opgelopen. De passagier heeft de aansluitende vlucht gemist. De passagier is omgeboekt en met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming aangekomen.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De passagier heeft compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde vertraging.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verzoek en het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:</para>
        <para>- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; <?linebreak?>- primair € 181,50, subsidiair € 108,90 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 december 2019;<?linebreak?>- de proceskosten, nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De passagier baseert zijn verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00. Daarnaast maakt de passagier aanspraak op betaling door de vervoerder van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De vervoerder betwist de verschuldigdheid van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>In het vorderingsformulier heeft de passagier aangegeven een mondelinge behandeling te verlangen, indien de vervoerder reageert met stukken ter staving van zijn stellingen welke nieuwe feiten en omstandigheden aan het licht brengen. Gelet op artikel 5 lid 1bis van de Verordening tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen nr. 861/2007 (EPGV-Verordening) zal de kantonrechter dit verzoek weigeren omdat hij, gezien de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat een eerlijke rechtspleging in deze zaak geen mondelinge behandeling vergt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Vaststaat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De vraag die voorligt is of de vervoerder met de overgelegde producties en zijn toelichting daarop, voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van de passagier het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De vervoerder heeft daartoe aangevoerd dat onderhavige vlucht vertraging heeft opgelopen als gevolg van ATC-slotrestricties die door luchtverkeersbeheer zijn opgelegd vanwege de slechte weersomstandigheden te Lissabon, te weten gevaarlijke bewolking met onweersdreiging tijdens de geplande aankomsttijd van de vlucht. Vanwege de ‘towering cumulus-bewolking’ was sprake van een vliegveiligheidsgevaar. Luchtverkeersbeheer heeft derhalve reguleringen uitgevaardigd waarmee een capaciteitsreductie werd bewerkstelligd en ATFM SLOT restricties zijn opgelegd aan de vlucht. Uiteindelijk is de vlucht als gevolg hiervan met een vertraging van 52 minuten vertrokken en met een vertraging van 42 minuten te Lissabon aangekomen, aldus de vervoerder. Slechte weersomstandigheden alsmede door het luchtverkeersbeheer opgelegde ATFM SLOT restricties moeten worden aangemerkt als buitengewone omstandigheden. Dit zijn immers omstandigheden die geheel buiten de invloedssfeer van de vervoerder liggen. De vervoerder kan niet anticiperen op de weersomstandigheden noch kan hij invloed uitoefenen op het weer. Hetzelfde geldt ten aanzien van besluiten van het luchtverkeersbeheer tot het opleggen van restricties aan de vlucht, aldus nog steeds de vervoerder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De opgelegde slotrestrictie aan de vlucht, als gevolg waarvan de vlucht met 52 minuten vertraging is vertrokken, kan naar het oordeel van de kantonrechter als buitengewone omstandigheden worden aangemerkt. De vervoerder had immers niet de mogelijkheid om eerder te vertrekken doordat de luchtverkeersleiding een gewijzigde vertrektijd voor de vlucht heeft opgelegd. De vraag of sprake was van slechte weersomstandigheden doet dan ook niet ter zake. Een luchtvaartmaatschappij is altijd verplicht om een nieuw slot op te volgen, ongeacht de reden. Niet is gebleken dat de vervoerder zelf om een nieuwe slot heeft verzocht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De volgende vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagier te voorkomen dan wel te beperken. De passagier stelt hiertoe dat de vervoerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de minimale connectietijd tussen de vluchten. De minimale connectietijd bedraagt 60 minuten terwijl de gehanteerde connectietijd 50 minuten was. De vervoerder heeft dan ook bewust voor een onmogelijke connectietijd gekozen, waardoor de passagier de vlucht op voorhand zou missen, aldus de passagier. De vervoerder heeft niet weersproken dat de minimale connectietijd voor de vlucht 60 minuten bedraagt maar voert aan dat een connectietijd van 65 minuten is gehanteerd, zodat de passagier zelfs nog een buffer van 5 minuten had om de aansluitende vlucht te halen. Tussen partijen is derhalve in geschil of de aansluitende vlucht van Lissabon naar Belo Horizonte gepland stond om 09:50 uur (lokale tijd) of 10:05 uur (lokale tijd) te vertrekken. De passagier heeft hiertoe zijn boekingsbescheiden overgelegd (waarop staat 09:50 uur) en de vervoerder een screenshot uit het Europese computerreserveringssysteem, Amadeus (waarin zowel 10:00 uur als 10:05 uur wordt genoemd). De vervoerder heeft verder niet toegelicht waarom twee verschillende tijdstippen zijn opgenomen. Voorts heeft de vervoerder niet toegelicht hoe het kan dat in de boekingsbescheiden van de passagier 09:50 uur lokale tijd is opgenomen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de boekingsbescheiden leidend zijn. Bij deze stand van zaken wordt het er dan ook voor gehouden dat de vervoerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoende overstaptijd in acht heeft genomen. De conclusie is dan ook dat de vervoerder op voorhand niet alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagier te voorkomen dan wel te beperken. De passagier zou immers ook bij een tijdige uitvoering van de vlucht de aansluitende vlucht hebben gemist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Voor zover de vervoerder zich erop beroept dat de passagier de aansluitende vlucht sowieso had gemist gelet op de vertraging van de vlucht die is ontstaan vanwege een buitengewone omstandigheid, leidt dit niet tot een ander oordeel. Uit het Eglitis arrest volgt immers dat de luchtvaartmaatschappij in het stadium van de planning van de vlucht redelijkerwijs rekening moet houden met het risico op vertraging die het gevolg kan zijn van buitengewone omstandigheden. Daarom dient zij in een bepaalde reservetijd te voorzien om de vlucht zo mogelijk volledig te kunnen uitvoeren na afloop van de buitengewone omstandigheden. Doordat de vervoerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoende overstaptijd in acht heeft genomen, nog daargelaten dat niet is gebleken dat een reservetijd in acht is genomen, heeft de vervoerder bewust het risico genomen dat de passagier de aansluitende vlucht niet zou halen. Dat de vlucht in kwestie is vertraagd, neemt dit niet weg.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal het verzoek tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagier kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het verzochte bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het verzochte bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief en subsidiair gevorderde, te weten € 108,90 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van indiening van het A-formulier, omdat de passagier in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kan maken en gesteld noch gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt. De verzochte rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Op verzoek van de passagier zal een certificaat als bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen aan deze beschikking worden gehecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 708,90, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 8 november 2019 en over € 108,90 vanaf 4 november 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op € 240,00 aan griffierecht en € 124,00 aan salaris gemachtigde, en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 62,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>wijst het meer of anders verzochte af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier								De kantonrechter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>