<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2022:5611</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-11-13T09:16:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/323787 / HA ZA 21-686</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Notamail 2022/178</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:5611">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:5611</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-02T08:59:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2022:5611 Rechtbank Noord-Holland , 06-07-2022 / C/15/323787 / HA ZA 21-686</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2022:5611:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiseres vordert dat gedaagde wordt veroordeeld om een geleend geldbedrag terug te betalen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor afwijzing gereed ligt, omdat het verjaringsverweer slaagt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2022:5611:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="36c9fc98-fcda-45c5-a61e-4637fe9ab371" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="c0c76334-6f79-4b42-b98e-f033c875e476" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Handel, Kanton en Bewind</para>
      <para>Zittingsplaats Alkmaar</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/15/323787 / HA ZA 21-686</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 6 juli 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>, in haar hoedanigheid van boedelgevolmachtigde in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] <emphasis role="bold">,</emphasis></para>
      <para>wonende te [woonplaats 1] ,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat mr. Th.C.J. Kaandorp te Alkmaar,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. L.C.L. Bults te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>- de dagvaarding, met 7 producties;</para>
        <para>de conclusie van antwoord, met 7 producties;<?linebreak?>- het tussenvonnis van 2 februari 2022.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 22 juni 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide partijen hebben het woord doen voeren, [gedaagde] aan de hand van een pleitnota, die is overgelegd. </para>
        <para>Voorafgaande aan de zitting is ter griffie ingekomen:<?linebreak?>- van de zijde van [eiseres] : productie 8 en 9;<?linebreak?>- van de zijde van [gedaagde] : een akte aanvulling feiten en omstandigheden, met productie 8 tot en met 10. Voorts heeft [gedaagde] voorafgaande aan de zitting schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de indiening door [eiseres] van productie 8 en 9 voornoemd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Partijen zijn de meerderjarige kinderen van [vader] (hierna: de vader) en [moeder] (hierna: de moeder). Uit het huwelijk van de vader en de moeder zijn naast partijen nog de volgende inmiddels meerderjarige kinderen geboren: [kind 1] en [kind 2] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 25 september 1996 hebben [gedaagde] en de vader twee overeenkomsten van geldlening gesloten. Van beide overeenkomsten zijn op deze data notariële aktes opgemaakt. Beide notariële aktes bevatten de volgende bepalingen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“1. Over de hoofdsom of het restant daarvan is een rente van zes procent (6%) per jaar verschuldigd, jaarlijks te voldoen voor eenendertig december, voor het eerst op eenendertig december negentienhonderdzesennegentig en zo vervolgens.</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">2. Op de hoofdsom of het restant daarvan behoeft niet te worden afgelost, (…);</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">3. De hoofdsom of het restant daarvan met de daarover nog verschuldigde rente is zonder voorafgaande opzegging direct opeisbaar in de navolgende gevallen:</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">- indien de rente niet uiterlijk op de vervaldatum is betaald;” </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 11 oktober 2006 is de vader overleden. Op grond van de in het testament van de vader opgenomen ouderlijke boedelverdeling zijn de uit de overeenkomsten van geldlening voortvloeiende vorderingsrechten van de vader op [gedaagde] overgegaan op de moeder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op 7 juni 2020 is de moeder overleden. De vier hiervoor genoemde kinderen, waaronder [eiseres] en [gedaagde] , zijn de erfgenamen van de moeder. [eiseres] heeft van de overige drie erfgenamen een volmacht gekregen tot het verrichten van alle daden van beheer ter zake de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] , in haar hoedanigheid van gevolmachtigde van alle erfgenamen van de moeder, vordert na vermindering van eis ter zitting samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 39.468,00, vermeerderd met rente en kosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiseres] voert hiertoe, kort gezegd, als volgt aan. [gedaagde] is gehouden de in 1996 geleende bedragen met rente terug te betalen. Rekening houdend met de reeds verrichte deelbetalingen en de vervallen rente, voor zover nog niet betaald, resteert een bedrag van <?linebreak?>€ 39.468,00. Desondanks weigert [gedaagde] aan de betalingsverplichtingen te voldoen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de door [eiseres] voorafgaande aan de zitting overgelegde producties 8 en 9. De rechtbank gaat aan het bezwaar voorbij, omdat [gedaagde] , gelet op het navolgende, door de indiening van deze stukken, niet in enig processueel belang is geschaad.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de aan [eiseres] gegeven boedelvolmacht zich uitstrekt tot het voeren van deze procedure. [eiseres] is derhalve bevoegd om namens de boedel onderhavige vordering tegen [gedaagde] in te stellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Inhoudelijk overweegt de rechtbank als volgt. Deze zaak draait om de vraag of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot terugbetaling van gelden die hij in 1996 van zijn vader heeft geleend. [gedaagde] stelt bij wijze van verweer dat hij al aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Voor zover dat niet het geval is, stelt hij dat het eventuele vorderingsrecht tot terugbetaling is verjaard. [eiseres] heeft dit alles weersproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor afwijzing gereed ligt, omdat het verjaringsverweer slaagt. Hiertoe wordt als volgt overwogen. <?linebreak?>In de aktes van geldlening is bepaald dat de verschuldigde rente jaarlijks voor 31 december moet worden betaald en dat bij niet tijdige betaling hiervan, de openstaande hoofdsom vermeerderd met de nog verschuldigde rente zonder voorafgaande opzegging direct opeisbaar wordt. Anders dan ter zitting namens [eiseres] is aangevoerd, volgt hieruit dat niet is vereist dat het openstaande bedrag feitelijk is opgeëist. De betreffende bepaling stelt namelijk dat het verschuldigde <emphasis role="underline">zonder voorafgaande opzegging</emphasis> opeisbaar is.<?linebreak?>Ter zitting is gebleken dat de laatste rentebetaling van [gedaagde] eind 2004 heeft plaatsgevonden. Dit brengt mee dat, voor zover na eind 2004 nog enig bedrag open stond, dit bedrag vanaf of direct na 31 december 2005 opeisbaar is geworden. De verjaringstermijn is op dat moment gaan lopen. De verjaringstermijn bedraagt vijf jaar<footnote-ref linkend="_a39030ec-b7e6-4022-bf82-305bf05ba1b6" />. Bij gebrek aan een stuitingshandeling (bijvoorbeeld een schriftelijke aanmaning of een dagvaarding) is de vordering op of direct na 31 december 2010 verjaard. Omdat vast staat dat de vordering jegens [gedaagde] niet uiterlijk op de laatstgenoemde datum is gestuit, komt de rechtbank tot de slotsom dat de vordering is verjaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Aangezien de vordering is verjaard, kan [gedaagde] niet meer tot betaling van een eventueel nog uitstaand bedrag worden veroordeeld. Dit alles brengt mee dat in het midden kan blijven of [gedaagde] volledig aan zijn terugbetalingsverplichting heeft voldaan, hetgeen in geschil is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>
        [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:</para>
      <para>- griffierecht	€	1.301,00</para>
      <para>- salaris advocaat	<emphasis role="underline">	2.228,00</emphasis> (2,0 punten × tarief € 1.114,00)</para>
      <parablock>
        <para>Totaal	€ 	3.529,00</para>
        <para>De nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten, waar [gedaagde] aanspraak op maakt, zijn toewijsbaar als na te melden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.529,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2022.<footnote-ref linkend="_8a1756c2-7bc6-48c9-90a3-0407a86584be" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_a39030ec-b7e6-4022-bf82-305bf05ba1b6" label="1">
    <para> Zie artikel 3:307 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a1756c2-7bc6-48c9-90a3-0407a86584be" label="2">
    <para>type: WD</para>
    <para>coll:JR</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>