<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2022:5550</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:57:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9767370</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2022-0897</rdf:li>
          <rdf:li>RAR 2022/144</rdf:li>
          <rdf:li>Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2022/343</rdf:li>
          <rdf:li>VAAN-AR-Updates.nl 2022-0897</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:5550">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:5550</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-01T14:27:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2022:5550 Rechtbank Noord-Holland , 28-06-2022 / 9767370</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2022:5550:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Arbeidszaak. Deze zaak gaat over de vraag of de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer heeft opgezegd. De werkgever stelt dat niet is bedoeld om op te zeggen. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever een brief heeft gestuurd die de werknemer redelijkerwijs heeft mogen opvatten als opzegging. Gelet op die opzegging en de onjuiste opzegtermijn daarvan moet de werkgever een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding betalen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2022:5550:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Handel, Kanton en Bewind</para>
    <para>locatie Alkmaar</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknr./rolnr.: 9767370 \ AO VERZ  22-18</para>
      <para>Uitspraakdatum: 28 juni 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats]</para>
      <para>verzoekende partij  </para>
      <para>verder te noemen: [verzoekster]</para>
      <para>gemachtigde: mr. C.M.J. Moerkens</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de stichting<emphasis role="bold"> Stichting Camphillgemeenschap Maartenhuis</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te De Koog</para>
      <para>verwerende partij</para>
      <para>verder te noemen: Maartenhuis </para>
      <para>gemachtigde: mr. M.J. van der Veen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De zaak in het kort</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak gaat over de vraag of de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer heeft opgezegd. De werkgever stelt dat niet is bedoeld om op te zeggen. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever een brief heeft gestuurd die de werknemer redelijkerwijs heeft mogen opvatten als opzegging. Gelet op die opzegging en de onjuiste opzegtermijn daarvan moet de werkgever een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding betalen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft een verzoek gedaan om Maartenhuis te veroordelen tot betaling van verschillende vergoedingen. Maartenhuis heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 31 mei 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben ook pleitaantekeningen overgelegd. Vóór de zitting heeft [verzoekster] per brief van 17 mei 2022 nog een stuk toegezonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [verzoekster] is op 15 januari 1999 in dienst getreden bij Maartenhuis. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) heeft op 11 januari 2022 toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Maartenhuis heeft met een brief gedateerd op 31 december 2021, door [verzoekster] ontvangen op of rond 15 januari 2022, onder andere het volgende aan [verzoekster] meegedeeld:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Na meer dan 20 jaar dienstverband gaan onze wegen wat dit betreft scheiden. Het UWV heeft de ontslagvergunning verleend op 11-1-2022. Het opzeggen van de arbeidsovereenkomst kan vanaf 16 dagen daarvoor, rekening houdend met een maand opzegtermijn. </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Wij zeggen daarom op 31-12-2021 de arbeidsovereenkomst op per 1-2-2022.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Wij gaan de financiële afrekening opstellen waarbij ook de transitievergoeding wordt meegenomen. De transitievergoeding is een fors bedrag waarvoor wij compensatie willen aanvragen. Daartoe is het noodzakelijk dat wij een beëindigingsovereenkomst opstellen. Die ontvang je hierbij met het verzoek om deze te ondertekenen en terug te sturen voor 20 januari.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verzoek en het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [verzoekster] verzoekt om Maartenhuis te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding. [verzoekster] legt aan het verzoek ten grondslag – kort gezegd – dat Maartenhuis de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en daarbij niet de juiste opzegtermijn in acht heeft genomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Maartenhuis voert verweer. Maartenhuis voert aan – samengevat – dat haar brief van 31 december 2021 niet als een opzegging is bedoeld en dat daarin alleen een voorstel is gedaan om het dienstverband met wederzijds goedvinden te beëindigen. [verzoekster] heeft dat voorstel niet geaccepteerd, zodat het dienstverband niet is beëindigd, aldus Maartenhuis. Voor zover de brief van 31 december 2021 wordt beschouwd als een opzegging, wijst Maartenhuis erop dat sprake is van een vergissing en dat het onredelijk is om Maartenhuis te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak om de vraag of Maartenhuis moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Bij de beoordeling daarvan is in de eerste plaats van belang of Maartenhuis de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd of niet.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat eerdergenoemde brief van Maartenhuis van 31 december 2021 als een opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2022 moet worden aangemerkt. [verzoekster] heeft die brief ook redelijkerwijs mogen opvatten als een opzegging per die datum. De bewoordingen van die brief, zoals hiervoor aangehaald, zijn immers luid en duidelijk. Iets anders dan een opzegging van de arbeidsovereenkomst valt daaruit niet op te maken. Dat Maartenhuis alleen een voorstel heeft gedaan voor een beëindigingsovereenkomst, blijkt niet uit de brief. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De stelling van Maartenhuis dat zij zich heeft vergist en niet wilde opzeggen, kan ook niet worden gevolgd. De brief van 31 december 2021 mocht door [verzoekster] redelijkerwijs worden opgevat als een opzegging. Maartenhuis kan er daarom geen beroep op doen dat zij niet de bedoeling of de wil heeft gehad om op te zeggen.<footnote-ref linkend="_632365be-08aa-48c3-9aea-593c8e914b2b" /> Maartenhuis kon die opzegging ook niet eenzijdig intrekken, zoals zij kennelijk heeft willen doen.<footnote-ref linkend="_3db9b1a3-671f-4227-91ae-2b86203007c6" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Op de zitting heeft Maartenhuis erkend dat zij de brief van 31 december 2021 heeft verzonden op 11 januari 2022, te weten na ontvangst van de toestemming van het UWV voor opzegging. Niet betwist is de stelling van [verzoekster] op de zitting dat zij de brief op 15 januari 2022 heeft ontvangen. De arbeidsovereenkomst is met die brief opgezegd per 1 februari 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Vast staat dat Maartenhuis een opzegtermijn van vier maanden in acht had moeten nemen.<footnote-ref linkend="_272f8ef9-0e79-4641-8c32-3312af3a8ea6" /> Die termijn wordt verkort met de duur van de procedure bij het UWV.<footnote-ref linkend="_2f3b9854-a3c1-42d0-84f2-e1b8ae69c791" /> De arbeidsovereenkomst kon daarom niet eerder worden opgezegd dan per 1 mei 2022. Maartenhuis heeft dus niet de geldende opzegtermijn in acht genomen. Gelet daarop heeft [verzoekster] op grond van de wet recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een zogenoemde gefixeerde vergoeding.<footnote-ref linkend="_77ba664b-457f-4295-b1c7-9e86291a4984" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Die gefixeerde vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Dit leidt tot een vergoeding gelijk aan drie maanden loon, te weten een bedrag van € 7.986,99 bruto. De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal dan ook worden toegewezen tot dit bedrag. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding is ook toewijsbaar, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 februari 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Het verweer van Maartenhuis dat toekenning van een gefixeerde vergoeding onredelijk is, kan niet slagen. Dat [verzoekster] geen schade heeft geleden door de onjuiste opzegging, zoals Maartenhuis stelt, is niet van belang. Een werknemer heeft bij een onregelmatige opzegging aanspraak op een gefixeerde vergoeding, ongeacht de vraag of daadwerkelijk schade is geleden.<footnote-ref linkend="_ddf0dc3f-32e3-47b4-a648-52c3fb41024d" /> Matiging van de gefixeerde vergoeding tot een bedrag minder dan drie maanden loon is op grond van de wet niet mogelijk.<footnote-ref linkend="_a0e7a879-c1d4-40bb-919f-74d646bc50ea" /> Gelet hierop kan ook niet worden geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om Maartenhuis te veroordelen tot een gefixeerde vergoeding van drie maanden loon.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Maartenhuis is ook een transitievergoeding verschuldigd, omdat de arbeidsovereenkomst door haar is opgezegd. Het door [verzoekster] berekende bedrag van € 20.674,39 bruto is niet betwist door Maartenhuis. De door [verzoekster] verzochte transitievergoeding wordt daarom toegewezen tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>De billijke vergoeding worden afgewezen. Er kan in dit geval alleen grond zijn voor toekenning van een billijke vergoeding als Maartenhuis zou hebben opgezegd zonder toestemming van het UWV.<footnote-ref linkend="_58ac3248-dab7-41b6-9d3a-461e390a7f97" /> Dat is niet het geval. Maartenhuis heeft immers opgezegd nadat daarvoor toestemming was gegeven door het UWV. Dat een onjuiste opzegtermijn in acht is genomen, is geen grond voor toekenning van een billijke vergoeding, maar alleen reden voor toekenning van de hiervoor al besproken gefixeerde vergoeding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>De vordering van [verzoekster] tot betaling van niet opgenomen vakantiedagen wordt toegewezen, omdat tegen deze vordering, uitgaande van een opzegging, geen verweer is gevoerd. Maartenhuis zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 5.284,23 bruto, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>De gevorderde specificaties van de gefixeerde vergoeding en de transitievergoeding zijn niet weersproken en toewijsbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat [verzoekster] geen concreet bedrag heeft gevorderd en geen concrete kosten heeft genoemd of onderbouwd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van Maartenhuis, omdat zij ongelijk krijgt. Het salaris van de gemachtigde van [verzoekster] zal worden vastgesteld op € 498,00. Daarbij wordt Maartenhuis ook veroordeeld tot betaling van € 124,00 aan verzochte nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door [verzoekster] worden gemaakt</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt Maartenhuis om aan [verzoekster] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 7.986,99 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 februari 2022 tot aan de dag van de gehele betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt Maartenhuis om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van <?linebreak?>€ 20.674,39 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 maart 2022 tot aan de dag van de gehele betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt Maartenhuis om aan [verzoekster] de niet-opgenomen vakantiedagen te betalen van € 5.284,23 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf het opeisbaar worden daarvan tot aan de dag van algehele voldoening;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>veroordeelt Maartenhuis om aan [verzoekster] een deugdelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken van de betalingen vermeld onder 5.1 en 5.2;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt Maartenhuis tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoekster] tot en met vandaag vaststelt op € 1.191, te weten:</para>
        <para>griffierecht	€	693,00</para>
        <para>salaris gemachtigde	€	498,00	;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>veroordeelt Maartenhuis tot betaling van € 124,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [verzoekster] worden gemaakt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 28 juni 2022 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier								De kantonrechter</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_632365be-08aa-48c3-9aea-593c8e914b2b" label="1">
    <para> Artikel 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3db9b1a3-671f-4227-91ae-2b86203007c6" label="2">
    <para> Zie: Hoge Raad, 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2027 (<emphasis role="italic">Emi Compact Disc Holland</emphasis>); Hoge Raad, 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9069 (<emphasis role="italic">Van Hooff Elektra</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_272f8ef9-0e79-4641-8c32-3312af3a8ea6" label="3">
    <para> Artikel 7:672 lid 2, aanhef en onder d, BW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2f3b9854-a3c1-42d0-84f2-e1b8ae69c791" label="4">
    <para> Artikel 7:672 lid 6 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_77ba664b-457f-4295-b1c7-9e86291a4984" label="5">
    <para> Artikel 7:672 lid 11 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ddf0dc3f-32e3-47b4-a648-52c3fb41024d" label="6">
    <para>  Zie: Hoge Raad, 30 juni 1995, NJ 1996/52 (<emphasis role="italic">De Waal/Van Rijn</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a0e7a879-c1d4-40bb-919f-74d646bc50ea" label="7">
    <para> Artikel 7:672 lid 12 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_58ac3248-dab7-41b6-9d3a-461e390a7f97" label="8">
    <para> Artikel 7:681 lid 1 BW.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>