<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2022:3939</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-13T11:24:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8373193 \ CV EXPL  20-2347</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:3939">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:3939</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-13T11:23:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2022:3939 Rechtbank Noord-Holland , 26-04-2022 / 8373193 \ CV EXPL  20-2347</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2022:3939:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Luchtvaart. Partijen verschillen van mening over de vraag of de passagier met een vertraging van meer dan drie is aangekomen op de eindbestemming. Passagier heeft dit voldoende aannemelijk gemaakt. Geen beroep op buitengewone omstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2022:3939:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Handel, Kanton en Insolventie</para>
    <para>locatie Haarlem</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknr./rolnr.: 8373193 \ CV EXPL  20-2347</para>
      <para>Uitspraakdatum: 26 april 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [plaats]</para>
      <para>eiser</para>
      <para>hierna te noemen de passagier</para>
      <para>gemachtigde mr. I.G.B. Maertzdorff en mr. M.J.R. Hannink (EUclaim B.V.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de rechtspersoon naar buitenlands recht </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">British Airways Plc. </emphasis>
      </para>
      <para>statutair gevestigd te Cardiff (Verenigd Koninkrijk), mede kantoorhoudende te [plaats]</para>
      <para>gedaagde</para>
      <para>hierna te noemen de vervoerder</para>
      <para>gemachtigde mr. J.W.A. Lameijer (DLA Piper Nederland N.V.) </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De passagier heeft bij dagvaarding van 17 december 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagier heeft hierna nog een akte genomen. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van [plaats]-Schiphol Airport via Heathrow Airport (Verenigd Koninkrijk) naar Indira Gandhi International Airport, Delhi (India) op 2 mei 2019. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Volgens de overeenkomst zou de passagier op 2 mei 2019 om 17:50 uur lokale tijd vanuit [plaats]-Schiphol Airport met vlucht BA433 vertrekken en om 18:05 uur lokale tijd aankomen op Heathrow Airport. Vanuit daar zou hij met vlucht BA257 verder vliegen naar Indira Gandhi International Airport. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Vlucht BA433 van [plaats]-Schiphol Airport naar Heathrow Airport (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd als gevolg waarvan de passagier zijn aansluitende vlucht naar de eindbestemming heeft gemist. De passagier is omgeboekt naar een alternatieve vlucht, vlucht VS300. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>EUclaim B.V. heeft namens de passagier compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De passagier vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:<?linebreak?>-	€ 300,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 mei 2019, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; <?linebreak?>- 	€ 90,75 dan wel € 54,45 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;<?linebreak?>-	de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 300,00. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling ingegaan. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De vervoerder heeft voor het eerst bij conclusie van dupliek aangevoerd dat op 25 april 2019 een wijziging in het schema van vlucht BA257 heeft plaatsgevonden waardoor deze vlucht op een ander tijdstip op Indira Gandhi International Airport zou aankomen, namelijk om 09:35 uur lokale tijd in plaats van 08:20 uur lokale tijd. Dit zou volgens de vervoerder blijken uit de boekingsgegevens van de passagier (productie 1 bij conclusie van dupliek). Ten opzichte van deze (een week voor de vertrektijd aangepaste) aankomststijd is geen sprake van een langdurige vertraging bij aankomst op Indira Gandhi International Airport, aldus de vervoerder. Ingevolge artikel 128 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) brengt de gedaagde alle excepties en zijn antwoord ten principale tegelijk naar voren, op straffe van verval van de niet aangevoerde excepties en, indien niet ten principale is geantwoord, van het recht om dat alsnog te doen. Het verweer van de vervoerder dat een schemawijziging heeft plaatsgevonden en dat ten opzichte van deze aangepaste aankomsttijd geen sprake was van een langdurige vertraging bij aankomst op Indira Gandhi International Airport is, zoals de passagier terecht heeft gesteld, te laat door de vervoerder naar voren gebracht. Dit verweer is dus tardief. De kantonrechter zal dan ook aan dit verweer voorbij gaan. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Partijen verschillen van mening over de vraag of de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de overeengekomen eindbestemming Indira Gandhi International Airport, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. De passagier stelt zich op het standpunt dat hij met een vertraging van meer dan drie is aangekomen op de overeengekomen eindbestemming. De passagier heeft hierbij aangegeven dat de alternatieve vlucht, vlucht VS300, ook vertraagd is uitgevoerd. Vlucht VS300 is om 12:07 uur lokale tijd aangekomen op Indira Gandhi International Airport. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst de passagier naar het vluchtrapport van vlucht VS300, alsmede naar een screenshot van de website van Flightstats.com (producties 1 en 2 bij conclusie van repliek). Volgens de passagier zou hij met de origineel geboekte vlucht op 3 mei 2019 om 08:20 uur lokale tijd aankomen op de overeengekomen eindbestemming. De passagier is met een vertraging van drie uur en 47 minuten aangekomen op Indira Gandhi International Airport, aldus de passagier. De vervoerder betwist dat de passagier met een langdurige vertraging op de eindbestemming is aangekomen. Hierbij heeft de vervoerder aangevoerd dat hij de passagier heeft omgeboekt naar een vlucht van een andere maatschappij, te weten Virgin Atlantic, toen het oorspronkelijke vluchtplan van de passagier geen doorgang kon vinden. De vervoerder heeft geen beschikking over informatie wat betreft de uitvoering van vlucht VS300. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De kantonrechter overweegt als volgt. Op de passagier rust, nu hij een beroep doet op artikel 7 van de Verordening, de stelplicht en de bewijslast inzake de vertraging op de eindbestemming. Het is derhalve aan de passagier om te stellen en te bewijzen dat hij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen. De kantonrechter is van oordeel dat de passagier voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de overeengekomen eindbestemming Indira Gandhi International Airport. De passagier zou immers volgens de overeenkomst op 2 mei 2019 om 17:50 uur lokale tijd vanuit [plaats]-Schiphol Airport vertrekken en op 3 mei 2019 om 08:20 uur lokale tijd aankomen op Indira Gandhi International Airport. Als onweersproken staat vast dat de passagier uiteindelijk om 12:07 uur lokale tijd is aangekomen op Indira Gandhi International Airport. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Nu bij aankomst op de overeengekomen eindbestemming sprake was van een vertraging van meer dan drie uur en de vervoerder geen beroep heeft gedaan op buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden, is de slotsom dat de vervoerder gehouden is tot betaling van compensatie als bedoeld in artikel 7 van de Verordening. De vervoerder heeft nog een bewijsaanbod gedaan om bewijs van al zijn stellingen te leveren. De kantonrechter gaat echter aan dit verzoek voorbij, omdat het bewijsaanbod onvoldoende is gespecifieerd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering niet betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagier buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II;  de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal de vordering of het gevorderde bedrag dan ook toewijzen tot het subsidiair gevorderde, te weten € 54,45 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat de passagier in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kan maken en gesteld noch gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 354,45, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 300,00 vanaf 3 mei 2019 en over € 54,45 vanaf 17 december 2019 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:</para>
        <para>dagvaarding 	€ 	99,01;<?linebreak?>griffierecht	€ 	83,00;<?linebreak?>salaris gemachtigde	€ 	150,00;<?linebreak?>vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 37,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <parablock>
        <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		De kantonrechter</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>