<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2022:3895</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-09T07:36:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/234859-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:3895">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:3895</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-09T07:36:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2022:3895 Rechtbank Noord-Holland , 12-04-2022 / 15/234859-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2022:3895:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WOTS. Tenuitvoerlegging gevangenisstraf opgelegd in Turkije toelaatbaar. Oplegging gevangenisstraf 48 maanden. Tenuitvoerlegging geldboete ontoelaatbaar, nu het aannemelijk is dat deze thans is voldaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2022:3895:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</emphasis>
      </para>
      <para>Team Straf, locatie Haarlem</para>
      <para>Meervoudige strafkamer</para>
      <para>WOTS</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Registratienummer: WTS-1-2020037577</para>
      <para>Parketnummer: 15/234859-21</para>
      <para>Uitspraakdatum: 12 april 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 april 2022 in de zaak tegen de veroordeelde:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[veroordeelde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>	van Turkse en Nederlandse nationaliteit,</para>
      <para>ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] </para>
      <para> ,</para>
      <para>	ter terechtzitting bijgestaan door mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De vordering </title>
    <para>Op 22 februari 2022 is ter griffie van de rechtbank ontvangen de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland, inhoudende dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging van een ten aanzien van de veroordeelde gewezen onherroepelijke rechterlijke beslissing van de 6th Heavy Criminal Court of Adana, Turkije, van 27 november 2012, waarbij hij is veroordeeld tot (i) een gevangenisstraf voor de tijd van 8 jaren en 4 maanden en (ii) een geldboete van TRY 33.320,00, wegens (kort gezegd) illegale handel in verdovende middelen, gepleegd op 30 april 2009 te Adana, Turkije. Deze beslissing is op 23 oktober 2014 in hoger beroep bekrachtigd en onherroepelijk geworden.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De identiteit van de veroordeelde </title>
    <para>Uit de overgelegde stukken en de eigen opgave van de veroordeelde is gebleken dat de veroordeelde de persoon is op wie de onder 1 vermelde rechterlijke beslissing betrekking heeft en dat hij – naast de Turkse nationaliteit – de Nederlandse nationaliteit bezit.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De ontvankelijkheid van de officier van justitie</title>
    <para>Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan derhalve in de vordering worden ontvangen.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Verdragsrechtelijke grondslag</title>
    <para>De Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) voorziet in de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissingen in Nederland mits dit op een verdrag is gebaseerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nederland en Turkije zijn partij bij zowel het Europees verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (EVIG) als het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP). Deze verdragen zijn voor beide landen in werking getreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het verzoek van de Turkse autoriteiten van 20 november 2020, dat aan de vordering van de officier van justitie ten grondslag ligt, volgt dat het verzoek is gebaseerd op het EVIG.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Standpunten van partijen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Toelaatbaarheid</emphasis>
      </para>
      <para>Zowel de officier van justitie als de raadsman van de veroordeelde hebben het standpunt ingenomen dat (kort gezegd) overname van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, opgelegd door de 6th Heavy Criminal Court of Adana toelaatbaar is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie en de raadsman hebben de rechtbank verzocht echter geen verlof te verlenen ten aanzien van de opgelegde geldboete. De raadsman heeft aangevoerd dat de veroordeelde de geldboete op 10 augustus 2021 heeft voldaan bij de Turkse autoriteiten en heeft hiertoe een betalingsbewijs overgelegd. De officier van justitie heeft aangegeven de veroordeelde het voordeel van de twijfel te geven ten aanzien van deze betaling en heeft daarom gevorderd geen verlof te verlenen ten aanzien van de opgelegde geldboete. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gevangenisstraf</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft ter terechtzitting ten aanzien van de over te nemen tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf gevorderd dat de rechtbank – in het kader van de omzettingsprocedure van de WOTS – een gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden zal opleggen aan de veroordeelde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de veroordeelde heeft de rechtbank verzocht bij de “omzetting” rekening te houden met de omstandigheid dat de veroordeelde thans een ander persoon is dan in 2012 en dat hij reeds gedurende lange tijd mantelzorger voor zijn vader is. De raadsman verzoekt een lagere gevangenisstraf op te leggen en/of een gedeelte in voorwaardelijke vorm. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Aftrek reeds ondergane detentie</emphasis>
      </para>
      <para>Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde reeds de nodige tijd in detentie heeft doorgebracht in verband met de in Turkije opgelegde gevangenisstraf, welke tijd op de, eventueel, door de rechtbank op te leggen gevangenisstraf in mindering dient te worden gebracht. Evenwel bestaat geen duidelijkheid over de precieze duur van deze tijd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegezegd dat hij – als de rechtbank de tenuitvoerlegging toelaatbaar verklaart en een gevangenisstraf aan de veroordeelde oplegt – contact zal opnemen met de afdeling Executie van zijn parket, alsmede met de afdeling AICE van het Centraal Justitieel Incassobureau, om de tenuitvoerlegging van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf te stuiten, tot het moment dat de Turkse autoriteiten duidelijkheid hebben verschaft omtrent het aantal reeds uitgezeten dagen gevangenisstraf. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Allereerst stelt de rechtbank vast dat de overgelegde stukken voldoen aan de door het toepasselijk </para>
      <para>verdrag gestelde voorwaarden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het materiële feitencomplex dat aan de rechterlijke beslissing van de 6th Heavy Criminal Court of </para>
      <para>Adana van 27 november 2012 ten grondslag ligt, is naar Nederlands recht ook strafbaar en kan </para>
      <para>worden gekwalificeerd als <emphasis role="italic">het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">B van de Opiumwet gegeven verbod.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De veroordeelde heeft bij gelegenheid van de behandeling van de vordering ter </para>
      <para>terechtzitting de wens te kennen gegeven dat Nederland de tenuitvoerlegging van voormelde </para>
      <para>rechterlijke beslissing overneemt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de inhoud van de stukken die zich in het dossier bevinden, stemmen Turkije en Nederland in met respectievelijk de overdracht en de overname van de verdere tenuitvoerlegging van de straf, opgelegd bij voormelde rechterlijke beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte stelt de rechtbank vast dat ten aanzien van de aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geen van de  weigeringsgronden zoals opgenomen in het EVIG en de WOTS zich voordoet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De (verdere) tenuitvoerlegging in Nederland van de in Turkije aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf dient derhalve toelaatbaar te worden verklaard. De rechtbank zal hiertoe verlof verlenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal echter geen verlof verlenen tot tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete. Uit de ter terechtzitting door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat de veroordeelde op 10 augustus 2021 een bedrag van TRY 33.320,00 heeft overgemaakt. De rechtbank acht het aannemelijk dat dit betekent dat de veroordeelde de geldboete reeds heeft voldaan, zodat de veroordeelde niet langer kan worden onderworpen aan de tenuitvoerlegging van die sanctie (artikel 53 lid 1 sub b onder i EVIG).  De rechtbank acht de gevorderde tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete daarom ontoelaatbaar (artikel 30 lid 1 onder c jo. artikel 3 lid 1 onder a WOTS).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De toepasselijke verdragsbepalingen en wetsartikelen</title>
    <para>De beslissing van de rechtbank is gebaseerd op de volgende bepalingen:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>artikelen 2, 3, 30 en 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>artikelen 2, 3, 4,  40, en 44 van het Europees verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Strafoplegging</title>
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het</para>
      <para>is begaan en de persoon van de veroordeelde, naar Nederlands recht geen andere straf op zijn plaats is</para>
      <para>dan een die vrijheidsbeneming met zich brengt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de bepaling van de strafmaat neemt de rechtbank in overweging dat de veroordeelde – zoals blijkt uit vorenbedoelde rechterlijke beslissing – zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het zogenoemde bezit met commercieel oogmerk (bestemd voor de handel) en het vervoer van 58 kilo heroïne. Uit de stukken blijkt dat deze aanzienlijke hoeveelheid heroïne was verstopt in pallets die in een vrachtwagen stonden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vervoeren van heroïne is een ernstig strafbaar feit, waartegen zowel in Turkije als in Nederland </para>
      <para>zwaar wordt opgetreden. Heroïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Deze was – ook blijkens de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de veroordeelde – bestemd voor verdere verspreiding en handel, nota bene in Nederland. De verspreiding van en handel in heroïne gaan gepaard met vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder ernstige geweldsdelicten en strafbare feiten die gebruikers plegen ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Het kan niet anders dan dat de veroordeelde bij het plegen van het feit enkel zijn eigen geldelijk gewin voor ogen heeft gehad en de schadelijke gevolgen van zijn strafbare handelen voor lief heeft genomen. Dit rekent de rechtbank hem aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen vrijheidsbenemende straf rekening met de inbreuk die het bewezen verklaarde feit in Turkije op de openbare orde heeft gemaakt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte houdt de rechtbank rekening met de hier van toepassing zijnde, in Nederland geldende, regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling, alsmede met de datum waarop de veroordeelde naar verwachting in Turkije – hetzij vervroegd, hetzij voorwaardelijk – in vrijheid zou worden gesteld indien hij aldaar de gevangenisstraf geheel had moeten uitzitten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">9. De beslissing</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart de <emphasis role="bold">tenuitvoerlegging</emphasis> in Nederland van de rechterlijke beslissing van de 6th Heavy Criminal Court of Adana, Turkije, van 27 november 2012 voor zover daarbij aan de veroordeelde een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> is opgelegd <emphasis role="bold">toelaatbaar</emphasis> en verleent hiertoe <emphasis role="bold">verlof</emphasis>;</para>
    <para />
    <para>- verklaart de <emphasis role="bold">tenuitvoerlegging</emphasis> in Nederland van de rechterlijke beslissing van 6th Heavy Criminal Court of Adana, Turkijke, van 27 november 2012 voor zover daarbij aan de veroordeelde een <emphasis role="bold">geldboete</emphasis> is opgelegd <emphasis role="bold">ontoelaatbaar</emphasis>; </para>
    <para />
    <para>- legt aan de veroordeelde een gevangenisstraf op voor de duur van <emphasis role="bold">48 [achtenveertig] maanden, </emphasis>ter zake van het in de rechterlijke beslissing van de 6th Heavy Criminal Court of Adana, Turkije, van 27 november 2012 ten laste van hem bewezen verklaarde feitencomplex;</para>
    <para />
    <para>- beveelt dat de tijd die de veroordeelde in Turkije ter fine van de vervolging en de uitvoering van de daar aan hem opgelegde gevangenisstraf in detentie heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel <emphasis role="bold">in mindering</emphasis> zal worden gebracht;</para>
    <para />
    <para>- wijst de officier van justitie op zijn toezegging zoals onder 5, laatste alinea, is weergegeven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Samenstelling en uitspraakdatum</emphasis>
      </para>
      <para>Deze uitspraak is gewezen door:</para>
      <para>mr. S. Jongeling,	voorzitter,</para>
      <para>mr. E.M. van Poecke en mr. H. Bakker,	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.S. Jansen,	griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 april 2022. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. H. Bakker is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>