<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2022:3893</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-18T16:14:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/3583</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:3893">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:3893</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-16T10:42:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2022:3893 Rechtbank Noord-Holland , 04-05-2022 / 20/3583</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2022:3893:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Samenvatting: Verweerder heeft op aanvraag een Wnb-vergunning voor wijziging van een biomassacentrale verleend. Omdat al eerder vergunningen voor de biomassacentrale zijn verleend en vast staat dat de stikstofdepositie ten opzichte van de eerder vergunde situatie(s) zal afnemen, staat vast dat hetgeen nu is aangevraagd, ondanks de stikstofdepositie die dit met zich meebrengt, niet zal leiden tot negatieve gevolgen voor kwetsbare en overbelaste Natura 2000-gebieden. Er kan intern worden gesladeerd en dat is gedaan. Een passende beoordeling is daarom niet vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb was een vergunning daarom niet nodig. De rechtbank oordeelt daarom dat verweerder deze vergunning te n onrechte heeft verleend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2022:3893:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">zaaknummer: HAA 20/3583</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., uit Nijmegen, eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: H.M. Zwetsloot),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, verweerder</bridgehead>
    <parablock>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Spekenbrink).<?linebreak?></para>
      <para>Als derde-partij neemt aan het geding deel: <emphasis role="bold">AEB Holding B.V.</emphasis>, gevestigd te Amsterdam </para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Collignon).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 15 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder AEB Bio-energiecentrale (AEB) in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) met toepassing van het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een vergunning verleend voor de bouw en exploitatie van een bio-energiecentrale aan de Petroleumhavenweg 1B te Amsterdam Westpoort (de centrale).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres (Mob) heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>AEB heeft haar zienswijze kenbaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn namens verweerder verschenen H. Miedema, H. van Veen en M. Heesakkers, allen werkzaam voor de provincie Noord-Holland. AEB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is namens A.E.B. verschenen [naam 2] . Na behandeling op zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de zitting van 13 oktober 2021 heeft de rechtbank ook het beroep behandeld ingesteld door Mob tegen de weigering van verweerder om de vigerende vergunningen voor het bouwen en in werking hebben van en bio-energiecentrale aan de Petroleumhavenweg te Amsterdam in te trekken. Dat beroep is door de rechtbank geregistreerd met zaaknummer HAA 20/555. Ook in die zaak doet de rechtbank vandaag uitspraak.</para>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek heropend en partijen daarvan mededeling gedaan bij brief van 21 oktober 2021. Daarbij heeft de rechtbank Mob en verweerder in de gelegenheid gesteld een nadere reactie te geven op een door AEB eerst ter zitting ingenomen standpunt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft van Mob een nadere reactie ontvangen, gedateerd 4 november 2021. Van verweerder is geen nadere reactie ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat partijen desgevraagd niet hebben aangegeven nog behoefte te hebben aan een nadere zitting en de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en doet de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt hiervan onderdeel uit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Bij besluit van 18 april 2012 heeft verweerder aan de rechtsvoorganger van AEB (Eurocorp) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een biovergassingsinstallatie (bestaande uit twee Chiptec-vergassingsinsatallaties) voor productie van groene en duurzame energie, gelegen aan de Petroleumhavenweg te Amsterdam. Bij deze omgevingsvergunning is ook een natuurtoestemming op grond van het inmiddels vervallen artikel 47a Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) verleend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op 9 oktober 2013 heeft verweerder een vergunningaanvraag van 2 februari 2013 van Eurocorp tot uitbreiding van de inrichting met een installatie voor de productie van biocoal en actief kool ingewilligd. Op verzoek van Eurocorp heeft verweerder deze vergunning op 15 juli 2014 ingetrokken.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>In januari 2015 is door Eurocorp om wijziging van de in 2012 verleende vergunning gevraagd. De wijziging hield - onder meer en voor zover van belang - in dat één van de aangevraagde Chiptec-installaties kleiner zal worden uitgevoerd. Daarnaast is aangegeven dat in plaats van de tweede vergunde Chiptec-installatie een ander type installatie zal worden gerealiseerd, een zogenoemde Vyncke-installatie. Ook is aangegeven dat de centrale wordt uitgebreid met een BioValGroup-installatie voor de productie van biocoal en actief kool en met een ketelinstallatie voor de productie van stoom door de verbranding van bio-olie, de Thermeta-installatie. De vergunning naar aanleiding van deze aanvraag is verleend bij besluit van 30 september 2015.</para>
        <para>De bio-energiecentrale waarvoor de nu bestreden vergunning is verleend is een middelgrote stook-installatie (een Vincke-installatie) met een thermisch vermogen van maximaal 41 MWth. De brandstof is biomassa, zijnde onbehandeld hout (A-hout) dat voor het grootste deel bestaat uit knip- en snoeihout aangevuld met houtshreds. Per uur wordt 15 ton biomassa verbrand, aldus de vergunning. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Omdat Eurocorp besloten had af te zien van het realiseren van de in 2015 vergunde Chiptec-installatie, BioValGroep-installatie en Thermeta-installatie en te volstaan met het bouwen van de Vyncke-installatie, heeft zij in 2019 een aanvraag om vergunning ingediend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze vergunning is bij bestreden besluit door verweerder verleend.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Verweerder heeft op basis van de bij de aanvraag gevoegde AERIUS-berekening vastgesteld dat deze vergunningverlening voor onder andere de Natura 2000-gebieden: ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld&amp;Twiske’, ‘Polder Westzaan’ en ‘Wormer- en Jisperveld &amp; Kalverpolder’ (de Natura 2000-gebieden) zonder interne saldering zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden en dat daarom sprake is van een vergunningplicht voor de gevraagde activiteit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Verweerder heeft vervolgens beoordeeld of deze stikstofdepositie  intern gesaldeerd kan worden. Verweerder is daarbij uitgegaan van de vergunning uit 2013 als referentiesituatie, waarin sprake zou zijn geweest van een emissie van 99.610 kg NOx/jaar per jaar en 2564,32 kg NH3 per jaar, waarover destijds is geoordeeld dat deze emissie geen significante effecten zal hebben voor de  Natura 2000-gebieden. De Vincke-verbrandingsinstallatie waar nu vergunning voor is gevraagd en verleend zal bij 8.000 draaiuren per jaar 74.545,72 kg NOx per jaar en 2.564,40 kg NH3/jaar emitteren. Per saldo is dus sprake van een afname van emissies, zodat er volgens verweerder op geen enkel relevant hexagoon (hexagoon waarbinnen een voor stikstof gevoelig natuurlijk habitat of habitat voor soorten voorkomt) sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie. Negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie zijn daarom uit te sluiten en daarom is verweerder zonder nieuwe passende beoordeling overgegaan tot vergunningverlening.</para>
      <para />
      <para>4. Mob heeft zich gemotiveerd tegen het bestreden besluit gekeerd. Volgens haar is de vergunning ten onrechte verleend en zij voert hiertoe -kort samengevat-  het volgende aan. De in 2013 vergunde situatie kan niet  dienen als referentiesituatie, omdat die vergunning is ingetrokken. Ook de in 2012 en 2015 verleende omgevingsvergunningen kunnen niet dienen als grondslag voor interne saldering, omdat met die vergunningen geen verbrandingsinstallatie is vergund (en nu wel). Daarbij heeft eiseres er op gewezen dat het onderscheid tussen verbrandingsinstallaties en vergassingsinstallaties essentieel is, omdat bij verbrandingsinstallaties naast emissie van NOx en NH3 ook sprake is van schadelijke emissies van SO2, HCL en HF. Met name de SO2-emissie is bij een verbrandingsinstallatie veel hoger. De emissie van SO2, HCI en HFL is volgens Mob ten onrechte helemaal niet meegenomen bij de al gemaakte passende beoordelingen. </para>
      <para>Mob heeft er voorts op gewezen dat in de nu bestreden vergunning ten onrechte geen bepaling is opgenomen om te waarborgen dat eenduidig en onomstreden wordt vastgesteld wat de daadwerkelijke emissie van de inrichting is. Vergunningvoorschrift 3 biedt onvoldoende mogelijkheden om de jaarvracht van ammoniak en NOx te kunnen vaststellen.</para>
      <para />
      <para>5. Bij brief van 24 juni 2021 heeft de rechtbank partijen gevraagd om aan te geven welke consequenties de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 januari 2021<footnote-ref linkend="_479d2622-4f33-4213-9f44-6731e44ebbd1" />, waaruit - voorzover van belang - volgt dat geen vergunningplicht meer bestaat voor projecten als vergund in het nu ter beoordeling voorliggende beroep, waarbij sprake is van een door intern salderen bestaande zogenoemde verslechteringsvergunning. Partijen hebben zich hierover schriftelijk uitgelaten.</para>
      <para />
      <para>6. In het nadere beroepschrift van 29 september 2021 stelt eiseres zich op het volgende standpunt. Bij het intern salderen heeft verweerder de referentiesituatie ontleend aan een vervallen vergunning,  die van 9 oktober 2013.  De nieuwe vergunning kan daar daarom niet meer op worden gebaseerd. </para>
      <parablock>
        <para>Intern salderen op basis van de vergunningen uit 2012 en 2015 is ook niet mogelijk, omdat de vergunningen destijds niet passend zijn beoordeeld. Zo zijn de emissies van verzurende en etsende stoffen (SO2, HCl en HF) niet meegenomen in de berekeningen omtrent de zuurbelasting. De passende beoordelingen die aan de in 2012 en 2015 verleende vergunningen ten grondslag liggen zijn dus onvolledig of onjuist geweest en het risico op significante gevolgen kan alleen worden uitgesloten als de beoordelingen volledige, precieze en definitieve conclusies bevatten die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen wegnemen (HvJ EU 9/09/20, ECLI:EU:C:2020:680).</para>
        <para>Primair stelt Mob zich daarom op het standpunt dat het bestreden besluit op grond van het voorgaande vernietigd moet worden. </para>
        <para>Subsidiair stelt Mob zich op het standpunt dat er geen vergunningplicht meer geldt per 1 januari 2020 en dat de vergunning daarom niet had mogen worden afgegeven (zie de uitspraak van de rechtbank Midden Nederland, ECLI:NL:RBMNL:2021:4520, r.o. 39). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Mocht verweerder intern salderen als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid van de Wnb ?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. In de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021 heeft de Afdeling overwogen dat voor de vraag of de wijziging of uitbreiding van een bestaand project significante gevolgen kan hebben, een vergelijking dient te worden gemaakt van de gevolgen van het bestaande project in de referentiesituatie en de gevolgen van het project na wijziging of uitbreiding<footnote-ref linkend="_db033611-8766-4a00-89e4-6985f32169f6" />. Daarbij heeft de Afdeling voorts overwogen dat de referentiesituatie wordt ontleend aan de geldende natuurvergunning of, bij het ontbreken daarvan, aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum (dat is het moment waarop artikel 6 van de Habitatrichtlijn van toepassing werd voor het betrokken Natura 2000-gebied), tenzij nadien een milieutoestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen. Dan geldt die toestemming als referentiesituatie. Een referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd.</para>
      <para />
      <para>8. Niet in geschil is dat de in 2013 verleende vergunning door verweerder in 2014 is ingetrokken. Mob heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat voor de ter beoordeling voorliggende vergunning van belang zijnde referentiesituatie niet aan de in 2013 verleende vergunning kan worden ontleend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.1</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de (oprichtings-)vergunning uit 2012 en ook de (veranderings-)vergunning uit 2015, waaraan de referentiesituatie wèl kan worden ontleend, meer emissie van NOx en NH3 mogelijk maken dan nu vergund. Dit betekent, zo volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie ook de hiervoor al genoemde uitspraak) dat uitgesloten kan worden dat de NOx- en NH3-emissies van het project waarvoor nu vergunning is verleend, significante gevolgen hebben voor de Natura 2000-gebieden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2</nr>
      <para>Dat de in 2012 en 2015 gebruikte rekenmodellen te onnauwkeurig/onvolledig waren maakt dit niet anders. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.3</nr>
      <para>De stelling van Mob dat nu anders dan in 2012 en 2015 geen vergassings- maar een verbrandingsinstallatie is vergund, en dat in verband daarmee kan worden aangenomen dat onvoldoende rekening is gehouden met de mogelijk gevolgen van emissie van SO, HF en HCL, volgt de rechtbank niet. Zoals de rechtbank in de uitspraak van heden in de zaak met zaaknummer 20/555 heeft overwogen is ook in 2015 een verbrandingsinstallatie vergund,  zijn de gevolgen daarvan voor wat betreft de emissie van SO, HF en HCL niet als significant beoordeeld en valt bovendien geen relevante emissie van genoemde stoffen te verwachten indien, zoals nu vergund, alleen schoon hout wordt verbrand.</para>
      <para />
      <para>10. De rechtbank ziet daarom geen grond om te oordelen dat de nu verleende vergunning significante gevolgen kan hebben voor de Natura 2000- gebieden in de zin van artikel 2.7,  tweede lid, van de Wnb.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kan de verleende vergunning in stand blijven?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>11. De  Afdeling heeft in de al genoemde uitspraak van 20 januari 2021 de vraag beantwoord of een (natuur-)vergunning verleend dient te worden voor de wijziging of uitbreiding van een bestaand project als intern kan worden gesaldeerd. Volgens de Afdeling zijn, als gevolg van een wijziging per 1 januari 2020 van het bepaalde in artikel 2.7, tweede lid van de Wnb, projecten die met intern salderen kunnen worden toegestaan niet langer vergunningsplichtig. In dat geval dient gevraagde vergunning afgewezen te worden </para>
      <para />
      <para>12. De rechtbank ziet in dit geval in de feiten en omstandigheden en hetgeen AEB en verweerder naar voren hebben gebracht geen grond om hier in dit geval anders over te oordelen. Anders dan in de uitspraak van deze rechtbank van 7 juni 2021<footnote-ref linkend="_5a615120-a6eb-45df-8a21-1d2d935ee404" />, is in deze zaak niet aannemelijk geworden dat vergunningverlening ook tot doel heeft gehad de jaarlasten van diverse emissies en deposities van stoffen terug te brengen ten opzichte van de vergunde situatie. <?linebreak?></para>
      <para>13. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Omdat voor hetgeen is aangevraagd geen vergunning is vereist, bestaat geen grond om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Er is rechtens geen andere uitkomst mogelijk dan dat verweerder de vergunningaanvraag van AEB had moeten afwijzen. De rechtbank zal daarom n zelf in de zaak voorzien door de vergunningaanvraag af te wijzen.</para>
      <para />
      <para>14. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat verweerder eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoed.</para>
      <para />
      <para>15. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de door verzoekster eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt zij op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op </para>
      <para>€ 2277,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, een half punt voor het reageren op een vraagstelling van de rechtbank voorafgaand aan de zitting, een punt voor het verschijnen ter zitting en een half punt voor het reageren op een vraagstelling van de rechtbank na de zitting, met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigd het bestreden besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat deze uitspraak daarvoor in de plaats komt;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst de aanvraag van AEB af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder Mob het door haar betaalde griffierecht van € 354,- vergoedt;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>€  2.277,-</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. D.M. de Feijter, leden, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzitter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage: Wettelijk kader</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wet natuurbescherming</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2.7	</para>
      <para>1Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8.</para>
      <para>2Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.</para>
      <para>3Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan artikel 2.8.</para>
      <para>4Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op projecten ten aanzien waarvan bij of krachtens enige wettelijke bepaling een besluit is vereist, indien bij of krachtens die wet is bepaald dat dat besluit uitsluitend wordt vastgesteld indien is voldaan aan artikel 2.8.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_479d2622-4f33-4213-9f44-6731e44ebbd1" label="1">
    <para> ECLI:NL:RVS:2021:71</para>
  </footnote>
  <footnote id="_db033611-8766-4a00-89e4-6985f32169f6" label="2">
    <para> Zie rechtsoverweging 17.2</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5a615120-a6eb-45df-8a21-1d2d935ee404" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBNHO:2021:4341</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>