<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2022:1006</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-18T16:13:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 1431</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:1006">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:1006</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-16T15:56:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2022:1006 Rechtbank Noord-Holland , 14-02-2022 / AWB - 21 _ 1431</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2022:1006:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>PW, schending infoplicht, onvoldoende onderzoek want geen begin van bewijs geleverd dat eiseres naast de bijschrijvingen ook contant geld heeft ontvangen voor de door haar verrichte werkzaamheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2022:1006:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 21/1431</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres], te [woonplaats], eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Faber),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: R.C.F. de Vos).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 1 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (PW) met ingang van 18  januari 2019 ingetrokken en de over de periode van 18 januari 2019 tot en met 30 juni 2020 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 21.265,63 van eiseres teruggevorderd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2022. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">De aanleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiseres ontvangt sinds 18 januari 2019 een bijstandsuitkering, laatstelijk naar de norm van een alleenstaande ouder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij brief van 31 januari 2020 heeft verweerder eiseres verzocht bankafschriften van de laatste drie maanden van 2019 te overleggen ter vaststelling van haar recht op een bijstandsuitkering. Na indiening van de bankafschriften heeft verweerder eiseres uitgenodigd om op 18 maart 2020 op gesprek te komen. Eiseres moet tijdens het gesprek een schriftelijke verklaring overleggen met verifieerbare en controleerbare bewijsstukken ten aanzien van stortingen op haar rekening van [naam 1] (het bedrijf van de ex-partner van eiseres) en van stortingen van [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij brief van 17 juni 2020 heeft de bewindvoerder van eiseres verweerder meegedeeld dat eiseres onder bewind is gesteld. Ook heeft de bewindvoerder aan verweerder bankafschriften van eiseres overgelegd vanaf januari 2019 tot september 2019 en van 1 januari 2020 tot en met 8 juni 2020. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Op 8 juli 2020 hebben twee handhavingsmedewerkers van verweerder een gesprek met eiseres gevoerd. In dit gesprek heeft eiseres verklaard dat zij op 3 verschillende adressen schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij brief van 8 juli 2020 heeft verweerder eiseres verzocht een volledig en waarheidsgetrouw overzicht te maken van de door eiseres verrichtte werkzaamheden, de vergoeding van de werkzaamheden en het aantal uren per keer, de namen en adressen van de werkgevers en per adres de startdatum van de werkzaamheden en op welke dagen/dagdelen de werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Volgens verweerder blijkt uit de bijschrijvingen op de bankrekening dat het om 5 verschillende adressen zou gaan waar eiseres werkzaamheden zou verrichten. Eiseres moet de gegevens uiterlijk 21 juli 2020 bij verweerder ingeleverd te hebben.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Eiseres heeft niet aan dit verzoek voldaan. Verweerder heeft daarna de betaling van de uitkering per 1 juli 2020 geblokkeerd en de uitkering per 22 juli 2020 opgeschort. Eiseres heeft ook geen gehoor gegeven aan een volgend verzoek van verweerder om een gedetailleerd overzicht te overleggen. Op 20 augustus 2020 heeft verweerder zijn onderzoeksrapport afgerond. Vervolgens heeft verweerder besloten zoals in het procesverloop staat vermeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het betreden besluit</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderzoeksresultaten aanleiding geven om de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 18 januari 2019 tot en met 30 juni 2020 in te trekken en terug te vorderen. Eiseres heeft werkzaamheden verricht en daarvoor betalingen ontvangen. Het had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat haar werkzaamheden en de bijschrijvingen op haar rekening van invloed konden zijn op haar recht op bijstand. Door verweerder hierover niet te informeren, heeft eiseres haar inlichtingenplicht geschonden. Eiseres heeft met het door haar in de bezwaarfase overgelegde overzicht van haar werkzaamheden niet aannemelijk gemaakt dat zij slechts op de daarin genoemde dagen heeft gewerkt. Het overzicht wordt niet met objectief bewijs ondersteund. Omdat eiseres geen deugdelijke administratie van haar werkzaamheden heeft bijgehouden, is volgens verweerder het recht op bijstand over de gehele uitkeringsperiode niet vast te stellen en moet de uitkering daarom worden ingetrokken en teruggevorderd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het wettelijk kader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Artikel 17, eerste lid, van de PW bepaalt – voor zover hier van belang – dat de belanghebbende aan verweerder op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.</para>
      <para>Op grond van artikel 54, derde lid, van de PW, herziet verweerder een besluit tot toekenning van bijstand dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW, vordert verweerder de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het geschil</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Eiseres heeft erkend dat zij niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting doordat zij niet spontaan opgave aan verweerder heeft gedaan van haar schoonmaakwerkzaamheden en de inkomsten die zij daaruit genoot. Ook erkend zij dat zij eerst in bezwaar heeft gereageerd op het verzoek van verweerder als bedoeld in de in rechtsoverweging 1.5 vermelde brief van 8 juli 2020. Eiseres wijst er op dat zij  in bezwaar alsnog een overzicht heeft overgelegd met de data, de gewerkte uren, de vergoeding daarvoor en de namen en adressen bij wie zij haar werkzaamheden heeft uitgevoerd. Het overzicht correspondeert ook met de bijschrijvingen op haar bankrekening. Uit het overzicht blijkt dat eiseres in de gehele periode in geding in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeerde. Vanaf 13 maart 2020 heeft zij vanwege de lockdown helemaal geen werkzaamheden meer verricht. Volgens eiseres kan het bestreden besluit dan ook niet in stand blijven.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De beoordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Als uitgangspunt geldt dat het besluit tot intrekking van bijstand een belastend besluit is, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank oordeelt dat verweerder in bezwaar ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de onderzoeksbevindingen van verweerder voldoende zijn om de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 18 januari 2019 tot en met 30 juni 2020 te kunnen dragen. Allereerst blijkt uit de bankafschriften van eiseres dat de betalingen voor haar werkzaamheden op haar bankrekening werden overgemaakt. Verweerder heeft geen begin van bewijs geleverd dat eiseres meer gewerkt zou hebben dan uit de bijschrijvingen en het door eiseres in bezwaar overgelegde overzicht blijkt. Als eiseres meer gewerkt zou hebben dan uit de bankafschriften en het overzicht blijkt, welk vermoeden kennelijk bij verweerder bestaat, zou zij daarvoor contant zijn uitbetaald. De af- en bijschrijvingen op de bankafschriften geven hiervoor echter geen duidelijke indicatie. Uit de afschriften blijkt juist dat eiseres veelvuldig haar boodschappen pint. Daarnaast wordt op de bijschrijvingen van de ex-partner het doel van de bijschrijving vermeld ‘vlees’, ‘boodschappen’, ’aanvulling tekort’ enzovoorts. Zo valt uit de bankafschriften dus niet  te herleiden dat eiseres voor door haar verrichte werkzaamheden (deels) zwart is uitbetaald. Ook heeft verweerder niet bij de werkgevers geïnformeerd of eiseres meer gewerkt heeft dan uit de bijschrijvingen en het overzicht blijkt. Aan de stelling van de gemachtigde van verweerder ter zitting dat eiseres zelf zo’n verklaring had moeten overleggen, gaat de rechtbank voorbij. Indien verweerder een dergelijke verklaring van eiseres noodzakelijk achtte, had hij daarom, gelet op de op verweerder in deze rustende bewijslast, in de primaire fase dan wel in de bezwaarfase kunnen verzoeken. Tevens is verweerder bij de vraag of en in hoeverre het recht op bijstand op grond van de door haar alsnog verstrekte inlichtingen over haar schoonmaakwerkzaamheden is vast te stellen voorbijgegaan aan het feit dat eiseres op 21 november 2019 is bevallen van een zoon en dus geruime tijd niet heeft kunnen werken. De bankafschriften laten in de periode van 29 oktober 2019 tot 5 januari 2020 ook geen bijschrijvingen van de werkgevers zien. Tot slot heeft verweerder niet onderzocht of eiseres ook na de lockdown vanwege de corona in maart 2020 werkzaamheden heeft verricht. Volgens eiseres hebben de werkgevers mede vanwege het verplichte thuiswerken toen zelf hun huis schoongemaakt.<?linebreak?>De conclusie is dat verweerder in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het recht op uitkering, ook niet aanvullend op het inkomen dat eiseres uit haar werkzaamheden heeft genoten, over de gehele periode waarover de uitkering is ingetrokken en teruggevorderd, niet is vast te stellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit komt wegens strijd met het in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus omdat verweerder nog nader onderzoek moet doen of eiseres meer heeft gewerkt dan uit de overschrijvingen blijkt. Als verweerder dit niet kan aantonen, dan kan het recht op bijstand aan de hand van de bankafschriften wel vastgesteld worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, beide met een waarde per punt van € 541,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, beide met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. In totaal wordt € 2.600,- toegekend. Omdat het beroep gegrond is verklaard, moet verweerder aan eiseres het griffierecht van € 49,- vergoeden.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.600,-</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht van € 49,- vergoedt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>