<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2021:7652</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-17T10:04:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB-19_4199 ea</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PJ 2025/96</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:7652">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:7652</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-07T13:07:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2021:7652 Rechtbank Noord-Holland , 27-07-2021 / AWB-19_4199 ea</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2021:7652:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Compensatie voor AOW-gat. Onder de gegeven omstandigheden kan niet tot de conclusie worden gekomen dat het geheel de eigen keuze was om niet langer door te werken c.q. daartoe geen aanvraag te doen. Beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2021:7652:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: HAA 19/4199, 19/4200, 19/4201 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2021 in de zaken tussen</bridgehead>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">1. [eiser 1]</emphasis>te [woonplaats 1] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. [eiser 2]</emphasis>te [woonplaats 2] , </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">3. [eiser 3]</emphasis>te [woonplaats 2] ,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>eisers </para>
      <para>(gemachtigde: mr. P.P.J.L. Appelman),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. V. Moons).<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de besluiten van 20 december 2018 (primaire besluiten) heeft verweerder eisers medegedeeld dat zij niet voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor AOW-compensatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de besluiten van 15 augustus 2019 (bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting in deze zaken heeft plaatsgevonden op 11 mei 2021. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Tevens is [naam 1] , voormalig sectiechef/operationeel manager van eisers, gehoord als informant.</para>
      <para>Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Moons en mr. I. Langenkamp.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eisers zijn als brandweerman werkzaam geweest. Bij het vervullen van die functie bestond tot en met 31 december 2005 uitzicht op functioneel leeftijdsontslag (hierna: FLO) bij het bereiken van de 55-jarige leeftijd. Het FLO is per 1 januari 2006 afgeschaft. Daarbij is voor personeel dat op 31 december 2005 in een bezwarende functie werkzaam was overgangsrecht afgesproken. Eiser 1 heeft per 1 december 2013 gebruik gemaakt van het FLO-overgangsrecht, eiser 2 per 1 mei 2013 en eiser 3 per 1 juli 2013. Die regeling houdt kort gezegd in dat betrokkenen vanaf de ingangsdatum van het FLO volledig buitengewoon verlof krijgen en 80% van het eerdere salaris ontvangen, gevolgd door een uitkering vanuit het levenslooptegoed naar 70% en na afloop daarvan kunnen kiezen voor vroegpensioen.</para>
    <parablock>
      <para>Het FLO-overgangsrecht was erop gericht dat de medewerkers vanaf 65 jaar een AOW-uitkering ontvangen. Omdat de AOW-gerechtigde leeftijd is verschoven (op 10 juli 2012 is de Wet verhoging AOW en pensioenrichtleeftijd aangenomen, waardoor de AOW-leeftijd vanaf 2013 in 10 jaar stapsgewijs stijgt van 65 naar 67 jaar), kregen de medewerkers die onder het FLO-overgangsrecht vallen te maken met een pensioengat. Zo hebben eisers een AOW-gat van 2 jaar.</para>
      <para>Deze problematiek heeft geleid tot onderhandelingen tussen de sociale partners voor aanpassing van het FLO-overgangsrecht en is uitgemond in een Akkoord reparatie FLO-overgangsrecht brandweerpersoneel. Per 1 januari 2018 geldt een aangepast FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9f CAR UWO). Uitgangspunt daarin is dat medewerkers die op of na 1 januari 2013 gebruik zijn gaan maken van het FLO-overgangsrecht geacht worden wel op de hoogte te zijn geweest van de verhoging van de AOW-leeftijd op het moment dat zij gebruik zijn gaan maken van het FLO-overgangsrecht. Ook waren zij bekend met het ontstaan van het AOW-gat en wisten zij dat zij zelf maatregelen moesten treffen om het nadeel als gevolg van het gebruik van de voorziening te compenseren.</para>
      <para>Uitzondering hierop geldt voor die medewerkers die op grond van door de werkgever vastgesteld beleid niet langer konden doorwerken, niet medisch geschikt waren om langer door te werken of wiens verzoek om langer door te werken is afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Bij de primaire besluiten heeft verweerder eisers medegedeeld dat zij niet voldoen aan de in artikel 9b:79 tot en met 9b:81 van de CAR neergelegde voorwaarden voor toekenning van AOW-compensatie omdat zij geen verzoek hebben gedaan om langer te kunnen doorwerken. Verweerder heeft de afwijzingen in bezwaar onverkort gehandhaafd.</para>
    <para />
    <para>3. Eisers voeren in essentie aan dat zij verplicht moesten stoppen. Volgens eisers konden zij op grond van door de werkgever vastgesteld beleid niet langer doorwerken. Bovendien wisten zij niet van de mogelijkheid om zelf een keuze te kunnen maken om door te werken voor de AOW-compensatie en zij zijn daarover ook niet actief door verweerder geïnformeerd. Eisers stellen dat zij als ze hadden geweten van de mogelijkheid om langer door te werken daarvan zeker gebruik zouden hebben gemaakt. Volgens eisers is hen ook nooit aangeboden om langer door te werken. Er was gewoon geen werk meer voor hen. Eisers hebben diverse stukken ingebracht (Nota Organisatieontwikkeling Brandweer Den Helder, opdracht werkgroep implementatie TS4 Den Helder, brief aan de adviescommissie brandweerzorg veiligheidsregio NHN van 4 december 2012, RMT voorstel van 5 januari 2013, notitie over inzetbaarheid en rooster, vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer per 1 april 2012, opdracht werkgroep rooster 2013, Loga brief van 18 december 2017, mail van de heer [naam 1] van 10 maart 2018, mail van de heer <?linebreak?>[naam 2] van 9 maart 2018 en Implementatieplan TS4 Brandweer Den Helder) waaruit volgens hen blijkt dat zij niet langer konden doorwerken. Eisers wijzen op de nota waarin staat dat de formatieruimte in de repressieve dienst zou worden teruggebracht van 28 naar 22 fte en dat die afname in de personeelssterkte zou worden bereikt door natuurlijk verloop. Dat beleid maakte volgens eisers dat doorwerken voor hen geen optie was. Volgens eisers heeft de toenmalige commandant hen op bijeenkomsten ook herhaaldelijk voorgehouden dat het aantal personeelsleden terug moest van 28 naar 24 fte vanwege nieuw beleid, en dat dit moest via ‘natuurlijk’ afvloeien van de toen vier [functie] . Eisers wijzen er verder op dat de nieuwe [functie] in mei 2013 al in functie waren om het nieuwe systeem TAS4 uit te voeren en eisers hun vrije dagen dienden op te nemen. Hun functie van vervangend sectiechef was in april 2013 al overgenomen en vanaf 1 januari 2013 werden zij al niet meer meegenomen in het nieuwe rooster, in de opleiding TAS4, de oefeningen voor TAS4 en het [functiegroep overleg] . Zij dienden ook als manschap achterin het voertuig te zitten (in plaats van als [functie] voorin zoals voorheen). Eisers hebben ter ondersteuning van hun stellingen ook gewezen op verklaringen van de heer [naam 1] .</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder betwist dat er sprake was van vastgesteld beleid gericht op het niet langer kunnen doorwerken in de zin van artikel 9b:80, lid 1, sub a, van de CAR-UWO. Ook hebben eisers geen verzoek gedaan om door te mogen werken. Verweerder benadrukt daarbij de eigen verantwoordelijkheid.</para>
    <para />
    <para>5. Artikel 9b:80 van de CAR UWO Den Helder luidt als volgt:</para>
    <para>Lid 1 De ambtenaar heeft recht op compensatie AOW over de periode dat</para>
    <para>a. hij op grond van door de werkgever vastgesteld beleid niet langer kon doorwerken bedoeld in artikel 9b:4 lid 5 juncto artikel 9b:26 lid 5, of</para>
    <para>b. hij medisch niet geschikt was om langer door te werken bedoeld onder a, of</para>
    <para>c. zijn verzoek om langer door te werken bedoeld onder a is afgewezen.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat genoemd artikel (ook) een keuzemogelijkheid regelt. Uit de door eiser ingebrachte stukken en het verhandelde op zitting lijkt echter naar voren te komen dat eisers die keuze om door te werken strikt genomen niet hadden c.q. hen niet is geboden. Duidelijk is dat de brandweer onder druk stond door de regionalisering (vanaf 2014 werden gemeenten verplicht de brandweer onder te brengen in de regionale organisatie, de veiligheidsregio). Een reorganisatie gaat in de regel gepaard met ombuigingen en bezuinigingen en bij de formatie van het team Den Helder moest de bezetting ook inkrimpen met 6 fte. Dat volgt uit de stukken. Eisers hebben verklaard dat hen in dit kader steeds is voorgehouden dat de inkrimping door natuurlijk verloop, dat wil zeggen het ‘natuurlijk’ afvloeien van de vier [functie] , zou worden bewerkstelligd en doorwerken voor hen daarom geen optie was. De situatie die eisers schetsen vindt bevestiging in de stukken. Het beeld dat uit de stukken oprijst is onmiskenbaar dat de functies van eisers in het kader van de op handen zijnde regionalisering al op een andere wijze waren ingevuld, waardoor voor hen, zoals zij ook begrijpelijk veronderstelden, doorwerken geen reële optie (meer) was. Dit beeld vindt ook bevestiging in de verklaring van de heer [naam 1] over de gang van zaken en de in die tijd heersende sfeer.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de reparatieregeling die na overleg met de bonden tot stand is gekomen pas in 2018 zijn beslag heeft gekregen. Op het moment waarop eisers de keuze hebben gemaakt c.q. moesten maken bestond er bij alle partijen dus nog veel onduidelijkheid en onzekerheid over de verwachtingen en de precieze gevolgen van de verhoging van de AOW-leeftijd. Op dat moment was nog niet bekend op welke wijze en onder welke voorwaarden compensatie zou plaatsvinden van het AOW-gat. Dat blijkt onder meer ook uit de verklaringen van eiser 2 dat hij destijds wel navraag heeft gedaan bij de verschillende instanties, ook bij verweerder (personeelszaken), over de mogelijke consequenties, maar hem daarbij alleen maar werd gezegd dat alles wel goed zou komen. Naar het oordeel van de rechtbank had van verweerder in deze individuele zaken in de specifieke context van de gebeurtenissen, mede ook uit een oogpunt van goed werkgeverschap, een meer actieve (informerende) rol mogen worden verwacht en kan (achteraf) niet elke (financiële) verantwoordelijkheid op het bord van eisers worden gelegd.</para>
    <para />
    <para>8. Naar het oordeel van de rechtbank kan in de gegeven omstandigheden niet tot de conclusie worden gekomen dat het geheel de eigen keuze van eisers was om niet langer door te werken, c.q. geen aanvraag te doen om te door te mogen werken en deze eigen keuze ertoe heeft geleid dat eisers met een AOW-gat zijn komen te zitten, die in het geheel niet gecompenseerd hoeft te worden. Het standpunt van verweerder dat eisers niet voldoen aan de in artikel 9b:79 tot en met 9b:81 van de CAR neergelegde voorwaarden voor toekenning van AOW-compensatie kan niet worden gevolgd. Het bestreden besluit kan dan ook geen stand houden. De rechtbank vindt dat verweerder gehouden is eisers op enigerlei wijze tegemoet te komen. </para>
    <para />
    <para>9. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. </para>
    <para>De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien. De rechtbank zal verweerder opdragen om opnieuw op het bezwaar van eisers te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.</para>
    <para />
    <para>10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.</para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op totaal € 1.496,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en wegingsfactor 1).</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart de beroepen gegrond; </para>
    <para>- vernietigt de bestreden besluiten;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak; </para>
    <para>- bepaalt dat verweerder eisers elk het door hen betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.496,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Steinhauser, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>