<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2021:4639</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T15:31:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-05-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 20 _ 2072</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2022:3366" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2022:3366, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2021/1366</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2021/31.2.3</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2021060828</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2021-1842</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:4639">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:4639</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-08T08:23:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2021:4639 Rechtbank Noord-Holland , 26-05-2021 / AWB - 20 _ 2072</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2021:4639:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Naar aanleiding van verminderingen van de WOZ waarden van panden in box 3 zijn de aanslagen voor de inkomstenbelasting van eiser verminderd. In geschil is of verweerder (meer) heffingsrente dan wel belastingrente was verschuldigd over de jaren 2011, 2012, 2016 en 2017. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2021:4639:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank noord-holland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: HAA 20/2072, 20/2755, 20/2756 en 20/3253</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2021 in de zaken tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [X] , wonende te [Z] , eiser,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [Q] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft ambtshalve de definitieve aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2011, 2012, 2016 en 2017 verminderd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de ambtshalve verminderingen gehandhaafd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft daartegen beroepen ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft verweerschriften ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft nadere stukken overgelegd, welke in afschrift aan verweerder zijn verstrekt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2021 te Haarlem. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder is zonder voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Na de zitting heeft de griffier telefonisch contact gehad met [A] . Zij verklaarde dat verweerder geen uitnodiging voor de zitting had ontvangen en dat verweerder instemt met afdoening van de zaken zonder nadere zitting. Ook zag zij ervan af om schriftelijk te reageren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Verweerder heeft overeenkomstig de aangiften van eiser de volgende definitieve aanslagen opgelegd. </para>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="5">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <colspec colname="colD" />
        <colspec colname="colE" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>2011</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>2012</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>2016</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>2017</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>verzamelinkomen</para>
            </entry>
            <entry>
              <para> € 78.239  </para>
            </entry>
            <entry>
              <para> € 53.613 </para>
            </entry>
            <entry>
              <para> € 38.818 </para>
            </entry>
            <entry>
              <para> € 41.019 </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>datum aanslag</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>2 jan 2013</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>25 mei 2013 </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>22 dec 2017</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>12 mei 2018</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para>2. Verweerder heeft alleen ten aanzien van de nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2011, met dagtekening 20 juni 2012, € 94 aan heffingsrente in rekening gebracht. </para>
    <para />
    <para>3. Met dagtekening 2 juni 2014 heeft verweerder het verzamelinkomen over belastingjaar 2011, op verzoek van eiser, ambtshalve verminderd en € 158 aan heffingsrente vergoed. </para>
    <para />
    <para>4. Eiser is (mede)eigenaar van onroerende zaken welke in box 3 zijn gealloceerd. De waardering van de onroerende zaken op grond van de Wet onroerende zaken (Woz) is op 12 en 13 september 2018 verlaagd voor wat betreft de jaren 2009 tot en met 2017.</para>
    <para />
    <para>5. Bij brief van 3 juni 2019 heeft verzocht om de definitieve aanslagen IB/PVV 2009 tot en met 2017 ambtshalve te verminderen. </para>
    <para />
    <para>6. Verweerder heeft de aanslagen IB/PVV als volgt ambtshalve verminderd en daarbij de volgende heffingsrente, dan wel belastingrente, vergoed.</para>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="5">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <colspec colname="colD" />
        <colspec colname="colE" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>2011</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>2012</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>2016</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>2017</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>verzamelinkomen</para>
            </entry>
            <entry>
              <para> € 70.999 </para>
            </entry>
            <entry>
              <para> € 50.973 </para>
            </entry>
            <entry>
              <para> € 36.019 </para>
            </entry>
            <entry>
              <para> € 37.799 </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>heffings/belastingrente</para>
            </entry>
            <entry>
              <para> € 382 </para>
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para> € 8 </para>
            </entry>
            <entry>
              <para> € 10 </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>datum ambtsh. verm.</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>27 sept 2019</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>27 sept 2019</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>13 sept 2019</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>13 sept 2019</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para>7. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve verminderingen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve vermindering IB/PVV 2011</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. Met dagtekening 27 maart 2020 heeft verweerder aan eiser een vooraankondiging uitspraak op bezwaar verzonden ten aanzien van de ambtshalve vermindering IB/PVV 2011. In deze vooraankondiging vermeldt verweerder dat de vermindering bestaat uit een vermindering van belasting van € 792 en € 224 heffingsrente. De heffingsrente is berekend overeenkomstig de elk van de jaren 2012 tot en met 2019 geldende heffingspercentages. De heffingsrente van € 382 bestaat uit de reeds eerder vergoede heffingsrente van € 158 een de nog te vergoeden heffingsrente van € 224. </para>
    <para />
    <para>9. Met dagtekening 9 april 2020 laat eiser per brief en e-mail weten dat hij het niet eens is met de vooraankondiging uitspraak op bezwaar. Het is hem niet duidelijk hoe de heffingsrente is berekend en waar hij deze gegevens kan vinden.</para>
    <para />
    <para>10. Bij brief van 20 april 2020 heeft verweerder daarop gereageerd en onder meer het volgende opgenomen.</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Het bedrag van € 224,-- aan heffingsrente is berekend over het bedrag van de “kale” teruggave van € 792,--. De berekening loopt van 1 januari 2012 t/m 27 september 2019. Ik wijs u erop dat de heffingsrenteberekening dus een andere periode kent dan de belastingrenteberekening. De van toepassing zijnde rentepercentages zijn:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Eerste kwartaal 2012: 		2,85</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tweede kwartaal 2012: 		2,3</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Derde kwartaal 2012: 		2,5</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vierde kwartaal 2012: 		2,25</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dus jaarpercentage 2012: 	2,475</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geheel jaar 2013 		3,00</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Eerste kwartaal 2014:		3,00</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Resterend jaar 2014: 		4,00</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dus jaarpercentage 2014: 	3,75</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2015 t/m 2019: 			4,00</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">€ 792,-- x 2,475% = 		€ 19,60</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">€ 792,-- x 3% = 			€ 23,76</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">€ 792,-- x 3,75% = 		€ 29,70</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">€ 792,-- x 4% (x 4 jaar) = 		€ 126,72</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">€ 792,-- x 4% x 267/360 = 	</emphasis>
        <emphasis role="underline italic">€ 23,50</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Totaal: 				€ 223,28, afgerond € 224,--</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uw cliënt heeft derhalve recht op een teruggave van € 792,-- aan belasting + € 224,= heffingsrente = in totaal € 1.016,-- en dat is ook het bedrag dat op de verminderingsbeschikking staat.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Bij brief van 23 april 2020 heeft eiser verzocht om informatie om te controleren of de door verweerder gehanteerde percentages juist zijn. </para>
    <para />
    <para>12. Verweerder heeft bij brief van 24 april 2020 verwezen naar een overzicht van heffingsrentes en belastingrentes op de website:</para>
    <para>http://wwwfiscaalleven.eu/CijfersHeffingsrentepercentages.pdf </para>
    <para />
    <para>13. Met dagtekening 4 mei 2020 wijst verweerder het bezwaar inzake de ambtshalve vermindering IB/PVV 2011 onder meer onder verwijzing naar de correspondentie af. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve vermindering IB/PVV 2012</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>14. Met dagtekening 17 december 2019 kondigt verweerder aan dat hij van plan is om het bezwaar af te wijzen. Verweerder wijst in dit verband op artikel 30fe, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en overweegt dat er geen belastingrente wordt vergoed omdat er sprake is van een ambtshalve vermindering. Indien eiser gehoord wenst te worden, dan dient hij contact op te nemen met verweerder. Verweerder heeft dit schrijven gestuurd naar het adres van eiser, onder vermelding van de naam van gemachtigde en zijn kantoornaam in plaats van naar het adres van de gemachtigde.  </para>
    <para />
    <para>15. Met dagtekening 20 februari 2020 heeft verweerder het bezwaar afgewezen onder verwijzing naar de vooraankondiging.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verminderingsbeschikkingen 2016 en 2017</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>16. Nadat eiser ten aanzien van de verminderingsbeschikkingen 2016 en 2017 op 12 maart 2020 is gehoord, heeft verweerder bij uitspraken op bezwaar van 25 maart 2020 de bezwaren afgewezen onder verwijzing naar artikel 30fe AWR. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat de onterecht vergoede belastingrente niet zal worden nagevorderd. </para>
    <para />
    <para>17. Eiser heeft beroepen ingesteld tegen de afwijzing van bezwaren. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>18. In geschil is of eiser recht heeft op (een hoger bedrag aan) heffingsrente dan wel belastingrente over de jaren 2011, 2012, 2016 en 2017. Daarnaast is – kort gezegd – in geschil of verweerder de juiste formaliteiten in acht heeft genomen. </para>
    <para />
    <para>19. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op heffingsrente en belastingrente. Ter zitting heeft eiser verduidelijkt dat als hij het in het nadere stuk heeft over wettelijke rente en invorderingsrente, hij doelt daarmee op belastingrente en heffingsrente. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder in de bezwaarfase ten onrechte geen stukken heeft overgelegd en dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd. Zo ontbreken renteberekeningen en de vindplaatsen daarvan. Ook heeft verweerder geen helderheid verschaft over het late ontvangen van het bezwaar in de zaak 2011. Daarnaast is zijn hoorrecht geschonden omdat hij in de bezwaarfase ten aanzien van de verminderingsbeschikkingen 2011 en 2012 niet is gehoord. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, terugverwijzing naar verweerder van de zaken over 2011 en 2012, vergoeding van de wettelijke belastingrente van de zaken over 2016 en 2017, vergoeding van kosten van het bezwaar en het beroep vermeerderd met wettelijke rente en uitvoerbaarheid bij voorraad. </para>
    <para />
    <para>20. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op heffingsrente dan wel belastingrente. Ten aanzien van 2011 en 2012 is het hoorrecht weliswaar geschonden, maar eiser is niet in zijn belangen geschaad. Deze gebreken kunnen worden gepasseerd. Voorts geldt in de bezwaarfase alleen een inzagerecht. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. </para>
    <para />
    <para>21. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ontvangst bezwaarschrift verminderingsbeschikking 2011</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>22. Nu verweerder eiser terecht ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar, ziet de rechtbank aanleiding om de grieven van eiser hierover te passeren.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Overleggen stukken tijdens de bezwaarfase 2011 en 2012</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>23. Eiser stelt in beroep dat verweerder het inzagerecht van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. Anders dan eiser stelt, heeft eiser tijdens het bezwaar niet verzocht om inzage van de stukken. Eiser heeft aan verweerder verzocht om overlegging van de stukken. Dat is wat anders. Anders dan tijdens beroepsfase, bestaat er voor verweerder tijdens de bezwaarfase geen verplichting om stukken te overleggen. Deze beroepsgrond faalt. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Schending hoorrecht 2011 en 2012</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>24. De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat het hoorrecht van eiser is geschonden ten aanzien van jaren 2011 en 2012. In 2011 omdat eiser niet is uitgenodigd voor een hoorgesprek. In 2012 omdat de uitnodiging voor het hoorgesprek niet is gestuurd naar het adres van de gemachtigde, maar naar het adres van eiser, de vader van gemachtigde.  </para>
    <para />
    <para>25. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank zal dit gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank acht het verzuim hersteld doordat eiser in beroep de op het geding betrekking hebbende stukken zijn toegezonden gekregen, zijn bezwaren schriftelijk uiteen heeft kunnen zetten en mondeling ter zitting heeft kunnen toelichten, er over de van belang zijnde feiten tussen partijen geen verschil van mening bestaat en verweerder geen beleidsvrijheid toekomt bij de toepassing van artikel 30g, eerste lid, van de AWR. Om die reden volgt ook geen terugwijzing. Verschil van inzicht in het toepasselijke recht is geen reden voor terugwijzing naar verweerder; dit zou slechts een herhaling van zetten opleveren. De rechtbank zal de geschillen dan ook inhoudelijk behandelen. De rechtbank ziet in het voorgaande, de omstandigheid dat eiser in de bezwaarfase te kennen heeft gegeven interesse te hebben in de op de zaak betrekking hebbende stukken, en de hierna te bespreken formele verzuimen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geen motiveringsgebrek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>26. Eiser heeft aangevoerd dat er aan de uitspraken op bezwaar motiveringsgebreken kleven omdat verweerder de berekening van de heffingsrente onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder in de brief van 20 april 2020, tijdens de bezwaarfase een inzichtelijke berekening van de heffingsrente overgelegd. Daarbij heeft verweerder verwezen naar een website waarop een overzicht van de percentages van de heffingsrente en belastingrente vermeld staan voor de periode van onder meer 2012 tot en met 2019. Ter onderbouwing van de percentages wordt verwezen naar besluiten welke zijn gepubliceerd in de Staatscourant dan wel een overzicht van de belastingrente op de website van de Belastingdienst: </para>
    <parablock>
      <para>https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/standaard_functies/prive/contact/rechten_en_plichten_bij_de_belastingdienst/belastingrente/overzicht_percentages_belastingrente</para>
      <para>Van de gemachtigde van eiser mag worden verwacht dat, zeker nu deze zich als professionele rechtsbijstandverlener presenteert en als zodanig beroep doet op vergoeding van proceskosten, zelfstandig wet,- en regelgeving kan raadplegen om te verifiëren of verweerder dit op de juiste wijze heeft toegepast. Temeer aangezien verweerder voldoende aanwijzingen heeft gegeven over hoe de gemachtigde deze gegevens kon verifiëren. Dat verweerder heeft verwezen naar een gratis particuliere/commerciële informatiebron, welke verwees naar publicaties afkomstig van de overheid, doet daar niets aan af. Deze beroepsgrond faalt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wel motiveringsgebrek uitspraak op bezwaar 2011</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>27. Ten aanzien van de uitspraak op bezwaar inzake de verminderingsbeschikking 2011 heeft eiser gesteld dat verweerder ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek tot kostenvergoeding in de bezwaarfase. </para>
    <para />
    <para>28. De rechtbank is met eiser van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op het verzoek tot kostenvergoeding. Dat betekent dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank passeert dit gebrek onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen wordt geschaad. De gemachtigde van eiser had moeten begrijpen dat het afwijzen van zijn bezwaren impliciet betekende dat het verzoek tot vergoeding van de kosten in bezwaar ook werd afgewezen. In de beroepsprocedure is verweerder alsnog gemotiveerd ingegaan op het verzoek tot vergoeding van de kosten in de bezwaarfase en heeft eiser de gelegenheid gehad om daarop te reageren. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Inhoudelijke beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verminderingsbeschikking 2011 en 2012</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>29. Op grond van artikel 30g, eerste lid, van de AWR zoals deze tekst luidde tot 1 januari 2013, wordt heffingsrente vergoed over het negatieve bedrag van de voorlopige aanslag, over het negatieve bedrag van de aanslag, alsmede over het bedrag van de teruggaaf. Voorts wordt ingevolge het tweede lid van voormelde bepaling heffingsrente vergoed ingeval een negatieve aanslag wordt verminderd en ingeval een positieve aanslag wordt verminderd tot een negatieve aanslag.</para>
    <para />
    <para>30. De rechtbank overweegt dat aan eiser geen negatieve (voorlopige) aanslagen zijn opgelegd en dat aan eiser op grond van deze omstandigheid geen recht heeft op vergoeding van de heffingsrente.</para>
    <para />
    <para>31. Voor zover eiser het standpunt inneemt dat hem heffingsrente moet worden vergoed omdat de door hem volgens de verminderingsbeschikkingen te ontvangen bedragen een teruggaaf in de zin van artikel 30g, eerste lid, AWR is, faalt dit standpunt evenzeer. Onder een teruggaaf in de zin van deze bepaling moet worden verstaan een teruggaaf van belasting vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting minder beloopt dan die welke is aangegeven (artikel 30f, tweede lid, aanhef, onderdeel b, AWR). Het betreft hier – volgens artikel 30f, tweede lid, aanhef, AWR – de verschuldigdheid van belastingen die worden geheven bij van wege van voldoening of afdracht op aangifte. De inkomstenbelasting vormt niet een zodanige belasting. Het door eiser ontvangen bedrag is daarom geen teruggaaf in de zin van artikel 30g AWR.</para>
    <para />
    <para>32. Voor zover eiser het standpunt inneemt dat hem heffingsrente moet worden vergoed op grond van de verminderingsbeschikking over het jaar 2012 omdat hem in 2011 heffingsrente werd toegekend (beroep op het vertrouwensbeginsel), faalt dit standpunt evenzeer. Vergoeding van heffingsrente is zodanig in strijd met een juiste wetstoepassing, dat eiser daaraan geen vertrouwen mocht ontlenen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Belastingrente 2016 en 2017</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>33. Op grond van artikel 30fe, eerste lid, van de AWR, zoals deze tekst luidde vanaf 1 januari 2013, wordt geen rente vergoed indien een aanslag ambtshalve wordt verminderd. </para>
    <para />
    <para>34. Aangezien verweerder de aanslagen ambtshalve heeft verminderd, heeft eiser geen recht op vergoeding van rente. Dat eiser daartoe een verzoek heeft gedaan, maakt dat niet anders. In hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om daarover anders te oordelen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie ten aanzien van heffingsrente en belastingrente</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>35. Verweerder heeft terecht beslist dat eiser geen recht heeft op heffingsrente dan wel belastingrente. De rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>36. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder punt 25. heeft overwogen, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser in beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 (tarief 2021) en een wegingsfactor 1). Voor een veroordeling van de in bezwaar gemaakte proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>37. Eiser heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van wettelijke rente over de proceskostenvergoeding. De rechtbank zal daarom bepalen dat indien de proceskostenvergoeding niet tijdig wordt voldaan, de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, r.o. 2.2.3 en 2.2.4).</para>
    <para />
    <para>38. Eiser heeft verzocht om de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank overweegt dat wetgeving en jurisprudentie daartoe geen grondslag bieden en wijst dit verzoek af. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart de beroepen ongegrond;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de door eiser in beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.068, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak tot het tijdstip van voldoening; en</para>
    <para>- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 48 aan hem te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. B. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, </para>
      <para>1000 BH Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
    <para>2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
    <para>a. 	de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. 	een dagtekening;</para>
    <para>c. 	een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
    <para>d. 	de gronden van het hoger beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>