<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2021:4409</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T06:04:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-05-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/315795 / HA RK 21-81</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJF 2021/341</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:4409">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:4409</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-09T09:10:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2021:4409 Rechtbank Noord-Holland , 02-06-2021 / C/15/315795 / HA RK 21-81</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2021:4409:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet ex artikel 29 Wgbz. Verzoekster vordert in dagvaarding (tevens) buitengerechtelijke kosten. Reeds hiermee is het financiële belang van de zaak gegeven en is dus sprake van een vordering met een beloop van een bepaald bedrag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2021:4409:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="8276f833-28ce-47cf-8bb8-7078c7de3bf1" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="dffaf742-0d70-40d5-b044-e1f78aeb1277" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beschikking</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Handel, Kanton en Insolventie</para>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rekestnummer: C/15/315795 / HA RK 21-81</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 2 juni 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verzoekster,</para>
      <para>advocaat mr. A.J. van de Graaf te Diemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK NOORD-HOLLAND,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Haarlem,</para>
      <para>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Ter griffie van deze rechtbank is op 30 april 2021 ingekomen een verzoekschrift ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz), waarbij verzoekster (tijdig) in verzet is gekomen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht ten bedrage van € 952,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De griffier heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Van een mondelinge behandeling is, gelet op het bepaalde in artikel 1.4.1 van het toepasselijke Procesreglement verzoekschriftprocedures, afgezien.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Verzoekster heeft op 18 maart 2021 een dagvaarding uitgebracht. De procedure is aanhangig bij deze rechtbank en ingeschreven onder zaak-/rolnummer C/15/314826 HA ZA 21/180. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Het petitum van de dagvaarding luidt, voor zover hier van belang, als volgt:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)VIII. gedaagden hoofdelijk - des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd - te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen een bedrag van € 925,00, althans een door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake de door eiseres gemaakte buitengerechtelijke kosten;(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De griffier heeft een bedrag van € 952,00 aan griffierecht in rekening gebracht, welk bedrag op 23 april 2021 door (de advocaat van) verzoekster is betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Op grond van art. 3 lid 1 Wgbz wordt in dagvaardingszaken van elke eiser en elke verschenen gedaagde een griffierecht geheven. Op grond van artikel 10 lid 1 Wgbz wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding. Ingevolge art. 3 lid 5 Wgbz wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij de Wgbz is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag, waarbij dient te worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering of wel het financiële belang van de zaak. Blijkens voormelde tabel wordt thans het griffierecht in zaken met betrekking tot een vordering van onbepaalde waarde voor een natuurlijk persoon bepaald op een bedrag van € 309,00. In zaken met betrekking tot een vordering met een beloop van niet meer dan € 100.000,00 wordt het bedrag van het griffierecht voor een natuurlijk persoon bepaald op € 952,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>In geval in een dagvaarding meerdere vorderingen worden ingesteld, wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van het totale beloop of de totale waarde van de gecumuleerde vorderingen (vgl. Kamerstukken II 2008-2009, 31 758, nr. 3, p. 11). Dit betekent dat in een geval van samenloop van een vordering met een beloop van een bepaald bedrag en een vordering van onbepaalde waarde, het griffierecht dient te worden begroot op basis van eerstgenoemde vordering (zie: HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1014).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de griffier in het onderhavige geval ten onrechte het tarief voor bepaalde waarde in rekening heeft gebracht. Zij voert hiertoe aan dat artikel 10 lid 1 Wgbz strikt dient te worden uitgelegd in die zin dat dat uitsluitend wordt aangeknoopt bij het financiële belang van de zaak indien de vordering strekt tot daadwerkelijke betaling van een geldsom. In onderhavige zaak is geen sprake van een gevorderde hoofdsom. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten betreft een ondergeschikte nevenvordering en niet een gevorderde hoofdsom en bepaalt daarmee ook niet het belang van de zaak. De door haar gevoerde procedure heeft ook niet als primaire doel het vergoed krijgen van deze incassokosten, maar het krijgen van een bevel tot verdeling. Gelet hierop dient de zaak dan ook als een zaak van onbepaalde waarde te worden aangemerkt, aldus verzoekster.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt onjuist. Verzoekster vordert onder VIII. van het petitum in de dagvaarding buitengerechtelijke kosten van € 925,00. Reeds hiermee is het financiële belang van de zaak gegeven en is dus sprake van een vordering met een beloop van een bepaald bedrag. Buitengerechtelijke kosten vallen immers onder de vordering als bedoeld in artikel 10 lid 1 Wgbz. Het feit dat het hier een (ondergeschikte) nevenvordering betreft en dat terzake geen sprake is van een gevorderde hoofdsom maakt dat niet anders, nu in de Wgbz geen onderscheid wordt gemaakt tussen hoofdvorderingen en nevenvorderingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Gelet op het vorenstaande heeft de griffier de hoogte van het griffierecht terecht bepaald op € 952,00. De rechtbank zal de beslissing van de griffier in stand laten en het verzet ongegrond verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2021.<footnote-ref linkend="_ef0b2199-d54b-41e4-a061-8d4660076b82" /></para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ef0b2199-d54b-41e4-a061-8d4660076b82" label="1">
    <para>type: 299</para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>