<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2021:3146</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-02T09:21:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/312069 / HA ZA 21-32</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:3146">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:3146</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-02T09:20:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2021:3146 Rechtbank Noord-Holland , 21-04-2021 / C/15/312069 / HA ZA 21-32</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2021:3146:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Incident zekerheidsstelling proceskosten, 224 Rv.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2021:3146:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="5588e273-ee10-443f-a150-ee5f9a28553f" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ec119985-62df-4dac-b8d7-41e22981fe60" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Handel, Kanton en Insolventie</para>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/15/312069 / HA ZA 21-32</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident van 21 april 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de rechtspersoon naar het recht van de plaats harer vestiging</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">EASTERN SHELL ENTERPRISES LTD.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende te Roadtown, Tortola, Britse Maagdeneilanden,</para>
      <para>eiseres in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerster in het incident,</para>
      <para>behandelend advocaten: mr. P.A. den Haan en mr. L.C.C. Meijer, te Rotterdam, </para>
      <para>gesteld advocaat: advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">GINTON NAVAL ARCHITECTS B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Haarlem,</para>
      <para>gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiseres in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna ESE en Ginton genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 24 juli 2020, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte overlegging producties van ESE met producties 1 tot en met 7, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele conclusie houdende vordering tot zekerheidsstelling proceskosten, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord in incident.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling in het incident</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Ginton vordert – kort gezegd - dat ESE op grond van artikel 224 Rv wordt veroordeeld tot zekerheidsstelling voor de proceskosten voor een bedrag van € 19.146,00. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>ESE refereert zich aan het oordeel van de rechtbank wat betreft haar gebondenheid zekerheid te stellen, met dien verstande dat zij verzoekt om een ruimere termijn om aan het verzoek om zekerheidsstelling te kunnen voldoen. ESE verzoekt de rechtbank voorts om Ginton in de kosten van het incident te veroordelen. Het verzoek is wat ESE betreft namelijk onnodig ingesteld, omdat zij ook buiten rechte bereid was de benodigde zekerheid te stellen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen. De rechtbank acht een termijn van vier weken voldoende om de benodigde zekerheid te stellen, reden waarom aan de veroordeling tot zekerheidsstelling door ESE een termijn van vier weken zal worden verbonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De rechtbank zal de beslissing omtrent de proceskosten van dit incident aanhouden tot in de hoofdzaak zal worden beslist.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>de rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt ESE om binnen vier weken na betekening van dit vonnis, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, ten gunste van Ginton zekerheid te stellen voor de proceskosten van Ginton voor een bedrag van € 19.146,00, in de vorm van een bankgarantie af te geven door een te goeder naam en faam bekend staande Nederlandse, onder toezicht van De Nederlandsche Bank N.V. staande, kredietinstelling conform het meest recente model van de Nederlandse Vereniging van Banken, althans het Rotterdams garantieformulier, welke bankgarantie betaalbaar dient te zijn op de eerste afroep, onder de voorwaarden dat: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>op de bankgarantie Nederlands recht van toepassing zal zijn, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat de garantie een forumkeuze zal bevatten inhoudende dat geschillen over de bankgarantie voor de (voorzieningenrechter van de) rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem zullen worden gebracht, en</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de tekst van de garantie voorafgaand aan het stellen daarvan door de advocaat van Ginton dient te worden goedgekeurd, </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>houdt de beslissing omtrent de proceskosten in het incident aan totdat in de hoofdzaak zal zijn beslist, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>wijst voor het overige het meer of anders gevorderde af. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in de hoofdzaak </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van <emphasis role="bold">19 mei 2021</emphasis> voor akte uitlating aan de zijde van Ginton, teneinde zich uit te laten over de vraag of de onder 3.1 bedoelde zekerheid is gesteld door ESE, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>bepaalt, voor het geval ESE alsdan de vereiste zekerheid heeft gesteld, dat de zaak weer op de rol zal komen van <emphasis role="bold">30 juni 2021</emphasis> voor conclusie van antwoord door Ginton. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021.<footnote-ref linkend="_bd67b630-4541-44d2-a417-6b15cf83390d" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_bd67b630-4541-44d2-a417-6b15cf83390d" label="1">
    <para>type: 1467</para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>