<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2021:12519</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-19T15:00:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">HAA 21/4981</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:12519">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:12519</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-19T12:31:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2021:12519 Rechtbank Noord-Holland , 02-12-2021 / HAA 21/4981</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2021:12519:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNTB. Gegrond. Wob-verzoek.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2021:12519:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 21/4981</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], te [woonplaats], eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 25 juli 2021 een verzoek om informatie op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob<footnote-ref linkend="_c5c4137c-033e-42ea-b90f-ffff10989754" /> ingediend bij verweerder. Eiser heeft verweerder verzocht om openbaarmaking van documenten omtrent gerechtelijke uitspraken op beroepen die zijn ingediend wegens het niet-tijdig beslissen door verweerder op Wob-verzoeken in het kader van het coronavirus.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 6 oktober 2021 bij de rechtbank beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 3 november 2021 op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Awb<footnote-ref linkend="_86d40cd3-167a-4e8b-9c5b-18fd0b6ee31f" /> in deze zaak niet nodig is. </para>
    <para />
    <para>2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.</para>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft op 25 juli 2021 een Wob-verzoek ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag. Dat staat in artikel 6 van de Wob. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan deze termijn verlengen met maximaal vier weken. Verweerder heeft de beslistermijn op 3 augustus 2021 met vier weken verlengd. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is voorbij. Eiser heeft verweerder op 22 september 2021 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.</para>
    <para />
    <para>4. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder niet binnen de verlengde beslistermijn op het Wob-verzoek van eiser heeft beslist. Eiser heeft na het verstrijken van deze termijn verweerder in gebreke gesteld. Het beroep is ingediend nadat de in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb genoemde termijn van twee weken is verstreken. Dit betekent dat sprake is van een ontvankelijk beroep en dat dit beroep (kennelijk) gegrond is.</para>
    <para />
    <para>5. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een termijn te bepalen waarbinnen verweerder spoedig een beslissing moet hebben genomen op zijn Wob-verzoek. </para>
    <para />
    <para>6. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 3 november 2021 erkend dat de beslistermijn is overschreden. Het Wob-verzoek ziet op een corona-gerelateerd onderwerp. Vanwege de uitzonderlijke omstandigheden die met het coronavirus verband houden was verweerder niet in staat om tijdig op het verzoek te beslissen. De gevolgen van Covid-19 vergen nog steeds veel van de capaciteit van het ministerie. Na de afhandeling van de verzoeken waarbij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een termijn heeft gesteld voor het eerste kwartaal van 2022, heeft het verzoek van eiser de hoogste prioriteit. Verweerder verwacht in februari 2022 in het geheel op het Wob-verzoek van eiser te hebben beslist. Verweerder verzoekt de rechtbank maatwerk toe te passen en een termijn te geven tot en met februari 2022.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank ziet onder deze geschetste omstandigheden aanleiding om verweerder op te dragen om uiterlijk op 1 maart 2022 op eisers Wob-verzoek te beslissen. De rechtbank is van oordeel dat met deze termijn recht wordt gedaan aan het belang van eiser dat verweerder zo spoedig mogelijk een besluit neemt om zijn verzoek en recht wordt gedaan aan het belang van verweerder om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.</para>
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para>10. Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,- dient te vergoeden.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:	<?linebreak?>-	verklaart het beroep in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op het		verzoek van eiser gegrond;<?linebreak?>-	vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;	<?linebreak?>-	draagt verweerder op uiterlijk 1 maart 2022 alsnog een besluit te nemen;	<?linebreak?>-	bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag 	waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van </para>
      <para>	€ 15.000,-;	<?linebreak?>-	draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is vastgesteld door mr. E. Jochem, rechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier									rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel </title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. </para>
      <para>Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_c5c4137c-033e-42ea-b90f-ffff10989754" label="1">
    <para> Wet openbaarheid van bestuur</para>
  </footnote>
  <footnote id="_86d40cd3-167a-4e8b-9c5b-18fd0b6ee31f" label="2">
    <para> Algemene wet bestuursrecht</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>