<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2021:11185</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-06T12:42:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/321864 / HA RK 21/215</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:11185">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:11185</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-06T12:42:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2021:11185 Rechtbank Noord-Holland , 03-11-2021 / C/15/321864 / HA RK 21/215</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2021:11185:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingskamer, verzoekers niet-ontvankelijk nu het verzoek te laat is ingediend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2021:11185:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank Noord-Holland</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Wrakingskamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: C/15/321864 HA RK 21-215 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Beslissing van 3 november 2021 </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Op het verzoek tot wraking ingediend door:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verzoeker 1]
      </emphasis>, wonende te Edam, <emphasis role="bold">en anderen </emphasis>(zie de bijlage), verzoekers, </para>
    <para>gemachtigde: J.A. Klaver,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het verzoek is gericht tegen:</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">mr. B. van Walderveen, </emphasis>hierna te noemen: de rechter.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>20/2090</para>
    <para>1 <emphasis role="bold">Procesverloop</emphasis></para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.1 Verzoekers hebben op 3 november 2021 ter zitting de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Belastingrecht, locatie Haarlem aanhangige zaken met de zaaknummers welke staan vermeld in het overzicht opgenomen in de bijlage (welke onderdeel uitmaakt van deze beslissing). Het overzicht begint bij de zaaknummers HAA 20/2090, 20/2226 en eindigt met de zaaknummers 20/1077 en 20/1104, hierna te noemen: de hoofdzaken.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.2 De rechter heeft niet berust in de wraking en het verzoek is behandeld op de zitting van de wrakingskamer van 3 november 2021. Verzoekers, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaken zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Namens verzoekers is J.A. Klaver verschenen, namens de wederpartij in de hoofdzaken, de Belastingdienst/ontvanger, zijn verschenen, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . De rechter is verschenen, alsmede H. van Lingen, griffier in de hoofdzaken. De wrakingskamer heeft na de behandeling ter zitting onmiddellijk deze beslissing gegeven.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het standpunt van verzoekers en de rechter</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Verzoekers stellen dat de rechter vooringenomen is omdat hij eerder in soortgelijke zaken betreffende invorderingskosten waarbij de wegingsfactor van de proceskostenvergoeding in geschil was, in het nadeel van belastingplichtigen heeft geoordeeld. Hierdoor is de rechter niet onafhankelijk, noch objectief en mist de rechter het statuur van een rechter door een persoonlijke component. Ter zitting van de wrakingskamer hebben verzoekers daarnaast aangevoerd dat zij het er niet mee eens zijn dat de rechter op één zitting 67 zaken behandelt terwijl er voorheen ongeveer vijf zaken per zitting werden behandeld. De belangen van verzoekers worden daarmee geschaad. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De rechter heeft verklaard dat hij niet berust in de wraking. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ontvankelijkheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>In de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De wetgever heeft via het middel van wraking de partijen in de door de rechter te behandelen zaak de mogelijkheid gegeven de rechter te wraken en daarmee de behandeling van de zaak door die rechter te stuiten, wanneer sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient het wrakingsverzoek te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aan de wraking ten grondslag liggen bij de verzoeker bekend zijn geworden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers desgevraagd verklaard dat hij de uitnodigingen voor de zitting in alle 67 zaken begin oktober 2021 heeft ontvangen. In deze uitnodigingen staat vermeld dat de rechter de behandelend rechter is. Daarnaast heeft de gemachtigde van verzoekers ter zitting van de wrakingskamer verklaard dat hij toen reeds op de hoogte was van eerdere beslissingenen van de rechter over de toekenning van proceskosten in invorderingszaken waarbij nagenoeg alleen de hoogte van de proceskosten in geschil is. Hij heeft daarbij gesteld dat hij circa vier weken geleden een zitting met de rechter heeft gehad, waarin vergelijkbare geschilpunten aan de orde waren en de rechter hem toen de relevante rechtsregels en de door de gemachtigde bestreden uitleg ook heeft voorgehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De wrakingskamer is gelet op het vorenstaande van oordeel dat niet is voldaan aan het wettelijk voorschrift van artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat het wrakingsverzoek wordt ingediend zodra de feiten en omstandigheden die aan de wraking ten grondslag liggen bij verzoekers bekend zijn geworden. Immers, verzoekers waren begin oktober 2021 op de hoogte van deze feiten en omstandigheden en hebben pas ter zitting op 3 november 2021 hun wrakingsverzoek ingediend. Dat is te laat. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Gelet hierop zullen verzoekers in hun wrakingsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>beveelt de griffier onverwijld aan de verzoekers, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>beveelt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. C.A.M. van der Heijden, en mr. L.M. Kos, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>mr. B. Schaafsma, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2021. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>