<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2020:9727</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-23T09:58:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 20 _ 1343</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:9727">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:9727</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-23T09:57:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2020:9727 Rechtbank Noord-Holland , 23-09-2020 / AWB - 20 _ 1343</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2020:9727:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wajong, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2020:9727:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 20/1343</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiser] , te [woonplaats] , eiser</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M. van der Feer).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 3 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist dat eiser geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft via een Skype-verbinding plaatsgevonden op</para>
      <para> 21 augustus 2020. Eiser is, zonder voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser is geboren op [geboortedatum] . In 2012 is vastgesteld dat eiser het Kopenhagen Syndroom heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Begin 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een beoordeling van zijn arbeidsvermogen. Verweerder heeft dit mede gezien als een aanvraag voor een Wajong-uitkering. Naar aanleiding van de aanvraag heeft verweerder een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek laten verrichten. Op basis hiervan heeft verweerder het primaire besluit genomen.	</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 3 mei 2019 heeft verweerder eiser een Indicatie banenafspraak toegekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>In bezwaar heeft verweerder nogmaals een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en arbeidskundig onderzoek laten verrichten. Dit heeft geleid tot het bestreden besluit.</para>
      <para />
      <para>2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert in beroep – samengevat – aan dat hij het niet eens is met de uitkomst van het medische rapport.  Hij stelt dat hij regelmatig uitval van functies ervaart en dat wordt uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat de pijnbelasting zal afnemen. Eiser wijst erop dat het syndroom van Kopenhagen zeldzaam is en dat er weinig over bekend is. Eiser stelt dat hij niet gebaat is bij vier uur werken per dag. Verder wijst eiser erop dat het voorgeschreven onderzoek dat drie keer moet worden uitgevoerd, niet heeft plaatsgevonden. Bovendien wordt nergens toegelicht dat eiser niet voldoet aan de criteria zoals genoemd in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) onder a tot en met d. Hieraan voegt hij toe dat er bij zijn ziekte nog niets te objectiveren is. Verweerder zal zich daarom moeten baseren op de expertise van de behandelaren van eiser en zijn eigen pijnbeleving, zo stelt eiser. </para>
      <para />
      <para>3. In geschil is de vraag of verweerder op juiste gronden heeft geoordeeld dat eiser beschikt over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. </para>
      <para />
      <para>4. Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit, zoals dat luidt per 1 januari 2015, betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:</para>
      <para>a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;</para>
      <para>b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;</para>
      <para>c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of</para>
      <para>d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.</para>
      <para>Voor het recht op uitkering moet daarom worden beoordeeld of eiser voldoet aan de voorwaarden a tot en met d. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De rechtbank constateert dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 27 januari 2020 tot uitgangspunt neemt dat de problematiek van eiser fysieke en psychische kanten omvat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep erkent dat het syndroom van Kopenhagen een zeer zeldzame aandoening is en signaleert dat publicaties over dit syndroom zeer schaars zijn. Op basis van de klachten die eiser heeft gepresenteerd, acht hij eiser op diverse gebieden beperkt. Verder ontkent de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zichzelf niet dat eiser pijn heeft. Wel is het volgens hem zo dat die klachten niet volledig uit de fysieke afwijkingen begrepen kunnen worden. Bij zijn onderzoek heeft hij ook betrokken de ongedateerde brief van de psycholoog van eiser. In die brief staat dat eiser lijkt te beschikken over een verminderd sociaal inzicht, verhoogde fantasie en aandacht voor details. Deze factoren kunnen volgens de psycholoog van invloed zijn op de pijnbeleving van eiser. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser geen uur aaneengesloten kan werken, en evenmin dat hij niet ten minste 4 uur per dag belastbaar zou zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie heeft gemist bij zijn onderzoek. Bovendien heeft hij rekening gehouden met de pijnbeleving van eiser. In beroep is door eiser geen nieuwe medische informatie overgelegd die reden zouden kunnen zijn om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waaronder. dat eiser voor vier uur belastbaar is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat verweerder drie keer zijn belastbaarheid had moeten onderzoeken. De bepaling uit het Schattingsbesluit waar eiser naar verwijst, is geschreven voor de situatie waarin iemand sterk wisselend belastbaar is. Het onderzoek dient dan op drie verschillende momenten te worden uitgevoerd, en strekt er toe te beoordelen of de wisselende belastbaarheid duurzaam is. De wisselende belastbaarheid doet zich in het geval van eiser niet voor, zodat de herhaalde onderzoeken niet aan de orde zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat, anders dan eiser stelt, verweerder heeft gemotiveerd dat eiser voldoet aan de hiervoor onder 4. genoemde criteria. In het bestreden besluit schrijft verweerder immers dat eiser vier uur per dag kan werken en ook één uur aaneengesloten. Voor de onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verder geeft verweerder in het bestreden besluit aan dat eiser in staat is om een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie en dat eiser werknemersvaardigheden heeft. De onderbouwing daarvan is terug te vinden in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Verweerder heeft hiermee voldoende gemotiveerd dat en waarom eiser aan de criteria voor het aannemen van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie voldoet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>6. 	Het hiervoor vermelde leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. F. Vermeij, griffier. De uitspraak is gedaan op  23 september 2020. In verband met maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet in het openbaar uitgesproken. Zodra dit weer mogelijk is zal deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar worden uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>