<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2020:7233</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-25T11:08:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19_4815</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:7233">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:7233</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-25T11:07:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2020:7233 Rechtbank Noord-Holland , 22-09-2020 / 19_4815</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2020:7233:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet ongegrond. Griffierecht. Samenhangende zaken. Twee afzonderlijke beroepschriften ingesteld. Daarmee niet voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Awb.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2020:7233:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 19/4815 V </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2020 op het verzet van</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [opposant] (hierna: [opposant] ), te [woonplaats] .</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [opposant] heeft tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn van 17 september 2019 beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 29 januari 2020 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [opposant] heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [opposant] heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2020, alwaar [opposant] zonder bericht van verhindering niet is verschenen. Het college is ook niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat [opposant] niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn het verschuldigde griffierecht heeft voldaan.</para>
    <para />
    <para>2. In deze verzetzaak beoordeelt de verzetrechter uitsluitend of de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is.</para>
    <para />
    <para>3. [opposant] voert aan dat hij het griffierecht reeds op 8 juli 2019 heeft voldaan naar aanleiding van het beroep geregistreerd onder zaaknummer 19/2117. Beide zaken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. [opposant] verwijst hierbij naar artikel 8:41 van de Awb.</para>
    <para />
    <para>4. De verzetrechter begrijpt dat [opposant] zich op het standpunt stelt dat in de beroepen met registratienummers 19/4815 en  19/2117 maar éénmaal griffierecht verschuldigd is. Artikel 8:41, derde lid van de Awb stelt twee voorwaarden voor het éénmaal heffen van griffierecht in meerdere zaken. Niet alleen moet sprake zijn van samenhangende besluiten, maar ook moet er in de samenhangende zaken met een en hetzelfde beroepschrift beroep worden ingesteld. Indien beroep met afzonderlijke beroepschriften wordt ingesteld geldt de anti-cumulatieregeling van artikel 8:41, derde lid van de Awb niet. De verzetrechter verwijst hiervoor naar de wettekst van artikel 8:41, derde lid van de Awb en naar vaste jurisprudentie (ABRvS 26 november 2014,  ECLI:NL:RVS:2014:4270 en de CRvB 30 april 2015, ECLI::CRVB:2015:1430). Vaststaat dat [opposant] met twee afzonderlijke beroepschriften beroep heeft ingesteld in de door hem genoemde (samenhangende) zaken. Daarmee is niet  voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Awb. In wat [opposant] heeft aangevoerd, ziet de verzetrechter geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 29 januari 2020. Het verzet is ongegrond. </para>
    <para />
    <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, rechter, in aanwezigheid van             E.A.D. Horn, griffier.</para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 22 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier								rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>