<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2020:6735</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T10:40:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 19 _ 3396</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-2603</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2020091128</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:6735">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:6735</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-11T10:53:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2020:6735 Rechtbank Noord-Holland , 02-09-2020 / AWB - 19 _ 3396</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2020:6735:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Slechts nog in geschil is of eiser recht heeft op een immateriële schadevergoeding. Eiser heeft recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.000.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2020:6735:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank noord-holland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 19/3396</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [X] , wonende te [Z] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: M. Collij),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.004. Daarnaast is bij beschikking een bedrag van € 26 aan belastingrente in rekening gebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag verminderd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.818. De beschikking belastingrente is verminderd tot € 22. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2020 te Haarlem. </para>
      <para>Namens eiseres is verschenen J. Klaver, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en mr. [B] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Eiseres was in het onderhavige jaar ongehuwd en zij woonde alleen.</para>
    <para />
    <para>2. Eiseres heeft op 19 april 2016 aangifte ib/pvv 2015 gedaan. Hierin heeft zij een bedrag van € 1.077 aan aftrek geclaimd inzake uitgaven voor specifieke zorgkosten.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft met dagtekening 10 juni 2016 de aanslag ib/pvv 2015 aan eiseres opgelegd overeenkomstig de door haar ingediende aangifte.</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft eiseres met dagtekening 14 maart 2017 een vragenbrief verzonden. Hierop heeft eiseres per e-mail van 25 september 2017 gereageerd.</para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft eiseres met dagtekening 4 september 2017 een aankondiging voor de navorderingsaanslag gestuurd. Voorts heeft verweerder met dagtekening 28 oktober 2017 de navorderingsaanslag aan eiseres opgelegd. Omdat eiseres geen bewijsstukken voor de geclaimde specifieke zorgkosten heeft overgelegd, is de aftrek inzake uitgaven voor specifieke zorgkosten volledig gecorrigeerd.</para>
    <para />
    <para>6. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft op 28 november 2017 het pro forma bezwaarschrift en op 19 januari 2018 de motivering van het bezwaar ontvangen.</para>
    <para />
    <para>7. Op 7 juni 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Hiervan is een verslag opgesteld. Het verslag behoort tot de gedingstukken.</para>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft eiseres met dagtekening 20 mei 2019 een motivering van de uitspraak op bezwaar toegezonden. Het bezwaar van eiseres is gedeeltelijk toegewezen. Verweerder heeft dieetkosten en genees- en heelkundige hulp alsnog in aftrek toegestaan, wat na toepassing van de drempel leidt tot een aftrek voor specifieke zorgkosten van € 186. Verweerder heeft geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Verweerder heeft met dagtekening 5 juni 2019 de cijfermatige uitwerking van de uitspraak op bezwaar vastgesteld.</para>
    <para />
    <para>9. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 16 juli 2019 het beroepschrift van eiseres ontvangen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de navorderingsaanslag zal worden vernietigd middels een beschikking met dagtekening 5 augustus 2020. In geschil zijn thans nog de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase en de immateriële schadevergoeding. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Navorderingsaanslag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. Nu de navorderingsaanslag zal worden vernietigd dient het beroep gegrond te worden verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Immateriële schadevergoeding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. Het bezwaarschrift is ingediend op 28 november 2017, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 5 juni 2019 en de rechtbank doet uitspraak op 2 september 2020, zodat in deze zaken de redelijke termijn is overschreden met afgerond negen maanden welke periode geheel is toe te rekenen aan de bezwaarfase. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden zijn door verweerder niet gesteld. Gelet hierop bedraagt de immateriële schadevergoeding in deze zaak € 1.000 welke geheel door verweerder vergoed dient te worden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>13. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.572 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen van de gemachtigde ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). </para>
    <para />
    <para>14. Eiseres is bij gemachtigde ter zitting verschenen en heeft aldaar verzocht om toepassing van wegingsfactor 1,5 onder verwijzing naar een uitspraak van Hof Den Haag van 19 juni 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:1204). De rechtbank heeft geen aanknopingspunten aangetroffen in het dossier die in redelijkheid aanleiding geven tot het oordeel dat er geen sprake is van een zaak met gemiddeld gewicht en acht de zaak, gelet op de aard en omvang daarvan, niet dermate gecompliceerd dat moet worden afgeweken van de standaard gehanteerde wegingsfactor 1. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak op bezwaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de navorderingsaanslag, voor zover dit niet al door verweerder is gedaan;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.572;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. B. Bruijnzeel, griffier. De beslissing is gedaan op 2 september 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, </para>
      <para>1000 BH Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
    <para>2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
    <para>a. 	de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. 	een dagtekening;</para>
    <para>c. 	een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
    <para>d. 	de gronden van het hoger beroep.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>