<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2020:3869</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-27T11:06:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-05-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8303016</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:3869">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:3869</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-27T11:05:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2020:3869 Rechtbank Noord-Holland , 20-05-2020 / 8303016</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2020:3869:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Levering goederen. Facturen niet voldaan. In verzuim. Terecht uit handen gegeven.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2020:3869:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Handel, Kanton en Bewind</para>
    <para>locatie Alkmaar</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknr./rolnr.: 8303016 \ CV EXPL  20-440 (PA)</para>
      <para>Uitspraakdatum: 20 mei 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap <emphasis role="bold">RAB Groep Bouwmaterialen B.V.</emphasis></para>
      <para>gevestigd te Texel</para>
      <para>eiseres</para>
      <para>verder te noemen: RAB</para>
      <para>gemachtigde: Trust Krediet Beheer B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>  </para>
      <para>wonende te [woonplaats] </para>
      <para>gedaagde  </para>
      <para>verder te noemen: [gedaagde]</para>
      <para>procederend in persoon</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>RAB heeft bij dagvaarding van 23 januari 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft mondeling geantwoord.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>RAB heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een mondelinge reactie heeft gegeven. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>RAB heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] diverse bouwmaterialen geleverd. Zij heeft voor de geleverde bouwmaterialen meerdere facturen verzonden voor een totaalbedrag van € 5.916,78.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft meerdere facturen niet voldaan. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Partijen hebben elkaar op 11 juli 2019 telefonisch gesproken en afspraken gemaakt over onder meer de betaling van de openstaande facturen. Bij e-mail van dezelfde dag heeft RAB de afspraken bevestigd. In de e-mail staat onder, voor zover relevant, het volgende:<?linebreak?>“<emphasis role="italic">Wij hebben afgesproken dat jouw klantenkaart weer open staat voor het afhalen van materiaal op rekening. Op deze manier kan jij de binnenkomende gelden gebruiken om de schuld in te lossen in plaats van het contant afrekenen van materialen. (…) Volgende week ga jij zoals besproken een complete of deel betaling doen op factuur (…).</emphasis>”</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij e-mail van 30 juli 2019 schrijft RAB aan [gedaagde] onder meer het volgende:<?linebreak?>“<emphasis role="italic">De klantenkaart zal op contant worden gezet. Enkel de kozijnen mogen nog op rekening worden afgehaald zodat u uw klus kunt afronden.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Deze week gaat u er zorg voor dragen dat er € 1500 wordt betaald. De week hierop volgend zal er minimaal € 500 worden betaald en zal er wekelijks aan RAB betaald worden.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken kunnen wij niks anders dan de vordering overdragen aan de deurwaarder.</emphasis>”</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij e-mail van 5 september 2019 heeft RAB aan [gedaagde] bericht dat de vordering zal worden overgedragen aan de deurwaarder omdat [gedaagde] zich niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>RAB vordert, na akte vermindering van eis, dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 4.311,81. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>RAB legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] , ondanks herhaalde sommaties, in gebreke is gebleven om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Op de hoofdsom van € 5.916,78 heeft [gedaagde] voor indiening bij de incassogemachtigde een bedrag van € 90,76 voldaan. Partijen hebben op 30 juli 2019 afspraken gemaakt over de betaling van het openstaande bedrag en [gedaagde] is deze regeling niet nagekomen. RAB heeft dan ook haar vordering op 5 september 2019 uit handen gegeven aan haar incassogemachtigde en maakt aanspraak op de buitengerechtelijke incassokosten van                        € 670,84 en de wettelijke handelsrente van € 314,95, berekend tot en met 20 januari 2020. Na indiening bij de incassogemachtigde heeft [gedaagde] deelbetalingen gedaan van                     € 1.800,00, € 350,00, € 300,00 en € 50,00. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] erkent dat er een bedrag van ongeveer € 3.300,00 aan hoofdsom openstaat. Ook erkent [gedaagde] dat hij de getroffen betalingsregelingen niet is nagekomen. [gedaagde] stelt dat hij zelf niet betaald krijgt door derden en dat hij de zorg heeft over zijn vader  waardoor hij niet aan zijn verplichtingen kan voldoen. [gedaagde] stelt verder dat het openstaande bedrag door de bijkomende kosten veel hoger is .</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Vast staat dat RAB aan [gedaagde] goederen heeft geleverd en dat [gedaagde] een groot deel van de daartoe verzonden facturen niet heeft voldaan. [gedaagde] heeft de hoogte van de hoofdsom ook niet betwist. Dit betekent dat de niet betwiste hoofdsom voor toewijzing gereed ligt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Nu [gedaagde] in verzuim is met de betaling, ligt de gevorderde wettelijke handelsrente eveneens voor toewijzing gereed. De gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 21 januari 2020 zal als na te melden worden toegewezen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] maakt, zo begrijpt de kantonrechter, bezwaar tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] erkent dat hij de getroffen betalingsregelingen niet is nagekomen. In de e-mail van 30 juli 2019 heeft RAB [gedaagde] er duidelijk op gewezen dat de vordering zal worden overgedragen aan de deurwaarder indien de gemaakte afspraken niet zouden worden nagekomen. Aangezien [gedaagde] niet tijdig tot betaling is overgegaan, heeft RAB terecht haar vordering uit handen gegeven. De kantonrechter stelt verder vast dat RAB voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal dan ook worden toegewezen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 6:44 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dienen de deelbetalingen van [gedaagde] in eerste instantie in mindering gebracht op de buitengerechtelijke incassokosten, vervolgens op de verschenen rente en daarna op de hoofdsom. Het resterende bedrag van € 4.311,81 bestaat dus volledig uit hoofdsom. Dit bedrag zal worden toegewezen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De kantonrechter merkt ten slotte op dat [gedaagde] bij conclusie van dupliek heeft gesteld dat hij op 21 april 2020 een bedrag van € 100,00 heeft voldoen. Door [gedaagde] eventuele gedane betalingen dienen uiteraard op de vordering in mindering te strekken.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt.  </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan RAB van € 4.311,81, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 5.011,81 vanaf 21 januari 2020 tot 4 februari 2020, en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 4.661,81 vanaf 4 februari 2020 tot 11 februari 2020, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 4.361,81 vanaf 11 februari 2020 tot 29 februari 2020, en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over        € 4.311,81 vanaf 29 februari 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van RAB tot en met vandaag vaststelt op:</para>
        <para>dagvaarding	€	91,46</para>
        <para>griffierecht	€	499,00</para>
        <para>salaris gemachtigde	€	540,00	;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <parablock>
        <para>wijst de vordering voor het overige af.</para>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		De kantonrechter</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>