<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2020:159</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T12:00:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19.009450</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_strafprocesrecht">Strafrecht; Strafprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>O&amp;A 2020/21</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:159">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:159</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-13T10:04:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2020:159 Rechtbank Noord-Holland , 10-01-2020 / 19.009450</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2020:159:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>hoogte uurtarief advocaat is afwijkend van standaard uurtarief - na marginale toetsing - volgt dat advocaat snel en efficiënt gewerkt heeft en kan naar redelijkheid en billijkheid alles vergoed worden</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2020:159:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Alkmaar</para>
      <para>Enkelvoudige raadkamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Registratienummer: 19.009450 </para>
      <para>Parketnummer: [parketnummer]</para>
      <para>Uitspraakdatum: 10 januari 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking</emphasis> (art. 530 Sv.)</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 4 november 2019 is ter griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. B.L.M. Ficq, advocaat, ingediend verzoekschrift ex. art. 591a Sv (oud) van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] </emphasis>, verzoeker,</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , </para>
      <para>domicilie kiezende te (1017 VV), Amsterdam, Falckstraat 15-29, ten kantore van </para>
      <para>mr. B.L.M. Ficq, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>€ 3.049,20, wegens de kosten van een raadsvrouw voor werkzaamheden ten behoeve van de strafzaak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>€ 280,-, wegens de kosten van bijstand met betrekking tot het opstellen en indienen van het onderhavige verzoekschrift.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door het onherroepelijk worden van het vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 21 augustus 2019, waarbij verzoeker van het hem tenlastegelegde is vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het namens verzoeker ingediende verzoekschrift is tijdig ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gehanteerde uurtarief  van de raadsvrouw afwijkt van het standaarduurtarief. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de voet van het bepaalde in artikel 530 jo artikel 534 van het Wetboek van Strafvordering kan de gewezen verdachte – indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten van een raadsvrouw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker is vervolgd ter zake – kort gezegd – eenvoudige mishandeling (parketnummer [parketnummer] ) en poging tot zware mishandeling ( [parketnummer] ). De zaak is in eerste aanleg behandeld door de politierechter. Op 21 augustus 2019 heeft de politierechter verzoeker vrijgesproken in de strafzaak met [parketnummer] en verzoeker ontslagen van alle rechtsvervolging inde strafzaak met [parketnummer] . Deze uitspraak is inmiddels onherroepelijk. </para>
      <para>De declaratie ten behoeve van rechtsbijstand in onderhavige zaken bedraagt € 3.049,20.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is bij het beoordelen van een verzoek tot het toekennen van een vergoeding uit 's Rijks kas op de voet van artikel 530 Sv ter zake van de kosten van rechtsbijstand niet gebonden aan de door de advocaat opgestelde declaratie, ook niet indien deze is voorzien van een gedetailleerde urenspecificatie. Een dergelijke declaratie is wel een uitgangspunt, maar  de rechter heeft de ruimte daarvan af te wijken indien en voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn (vgl. Gerechtshof Arnhem 8 oktober 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY0240). Die gronden van billijkheid kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in de mate waarin de verzoeker aan zichzelf te wijten heeft dat hij de desbetreffende kosten heeft gemaakt, maar ook kunnen zij zijn gelegen in de bovenmatigheid van de declaratie. Het moet in dat laatste geval wel gaan om bovenmatigheid die in meer of mindere mate in het oog springt. Is daarvan geen sprake, dan dient de rechter de omvang van de in rekening gebrachte kosten marginaal te toetsen (vgl. Gerechtshof Leeuwarden 3 februari 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BL8539 en Gerechtshof Amsterdam 14 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4145). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt daarbij dat in het kader van een marginale toetsing van de omvang van de in rekening gebrachte kosten geen plaats is voor toepassing van een standaard uurtarief, ook niet van € 200,-. Slechts wanneer door een raadsman of raadsvrouw een uurtarief wordt toegepast dat qua hoogte zodanig afwijkt van wat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is, kan dit leiden tot een correctie van dat uurtarief (vgl. ECLI:NL:GHLEE:2010:BN0357, NJFS 2010, 197).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De met een gespecificeerde declaratie onderbouwde kosten zijn niet als bovenmatig aan te merken. De rechtbank merkt daarbij op dat het gehanteerde uurtarief van € 360,- aanzienlijk afwijkt van het in eenvoudige strafzaken gemiddeld gehanteerde uurtarief. Daar staat echter tegenover dat – marginaal toetsend – uit de in rekening gebrachte uren volgt dat de raadsvrouw snel en efficiënt heeft gewerkt. Daarom is de rechtbank – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat het verzoek kan worden toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van <emphasis role="bold">€ 3.329,20</emphasis> (zegge: drie duizend driehonderd negenentwintig euro en twintig cent), welk bedrag als volgt is samengesteld: </para>
      <para>€ 3.049,20 wegens de kosten van een raadsvrouw voor werkzaamheden ten behoeve van de strafzaak;</para>
      <para>€ 280,- wegens de kosten van een raadsvrouw voor de opstelling en indiening van het verzoekschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt de uitbetaling door de griffier van deze rechtbank van de bij deze beschikking aan verzoeker toegekende vergoeding op de derdengeldrekening van verzoekers advocaat, [bankrekeningnummer] ten name van Ficq &amp; Partners, Amsterdam, onder vermelding van “schadevergoeding [verzoeker] <emphasis role="smallcaps">/</emphasis>591a Sv.”</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos, rechter, </para>
      <para>in tegenwoordigheid van M. Dambrink, griffier, </para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie bij deze beschikking</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor zover er in deze uitspraak een bedrag is toegewezen kan de opdracht tot uitbetaling van dit bedrag pas worden gegeven nadat de beslissing onherroepelijk is geworden. Bijgaande beschikking is op dit moment nog niet onherroepelijk; de officier van justitie heeft 14 dagen de tijd om hoger beroep in te stellen en voor de verzoekende partij is binnen een maand (30 dagen) na betekening van deze uitspraak hoger beroep mogelijk. Genoemde termijnen kunnen worden bekort wanneer ter griffie afstand wordt gedaan van het recht op het instellen van hoger beroep.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">U kunt op de volgende wijze ter griffie afstand doen van het recht op het instellen van hoger beroep:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">(als verzoeker) in persoon bij de informatiebalie van onze rechtbank;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">(als advocaat) in persoon bij de informatiebalie van onze rechtbank, indien u verklaart daartoe door verzoeker te zijn gevolmachtigd;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">(in het geval dat noch verzoeker noch de advocaat in de gelegenheid is om in persoon bij de informatiebalie afstand te doen) door aan een medewerker van de strafgriffie daartoe een schriftelijke bijzondere volmacht te verlenen.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>