<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2020:11801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-29T14:41:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-08-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/306034 / HA RK 20/143</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:11801">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:11801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-29T14:37:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2020:11801 Rechtbank Noord-Holland , 17-08-2020 / C/15/306034 / HA RK 20/143</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2020:11801:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingskamer. Verzoekster is niet-ontvankelijk, nu niet is voldaan aan artikel 8:16, eerste lid, AWB, dat bepaalt dat een wrakingsverzoek wordt ingediend zodra de feiten en omstandigheden die aan de wraking ten grondslag liggen bij verzoekerster bekend zijn geworden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2020:11801:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="1faba4fe-0662-4921-9613-cfd95ce74a66" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="445dec9b-ff87-4118-a9d5-0e11a1485d55" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beslissing</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]</para>
    <para>Wrakingskamer </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: C/15/306034 HA RK 20/143</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van 17 augustus 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op het verzoek tot wraking ingediend door:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster] , </emphasis>gevestigd te Middenbeemster, verzoekster,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is gericht tegen:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. B. van Waderveen </emphasis>hierna te noemen: de rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1 .1 	Verzoekster heeft op 3 augustus 2020 ter zitting de wraking verzocht van de rechter</para>
      <para>in de bij deze rechtbank, team Belastingrecht, locatie Haarlem aanhangige zaken met als</para>
      <para>zaaknummers HAA 19/24 14 en 1{AA 19/2415, hierna te noemen: de hoofdzaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek</para>
        <para>gereageerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>1 .3 	Het verzoek is vervolgens behandeld op de zitting van de wrakingskamer van</para>
        <para>17 augustus 2020. Verzoekster, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaken zijn in de</para>
        <para>gelegenheid gesteld te worden gehoord.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <parablock>
        <para>Namens verzoekster is verschenen haar bestuurder [naam] . Voorts is</para>
        <para>verschenen de rechter. De wederpartij in de hoofdzaken heeft van de geboden gelegenheid</para>
        <para>te worden gehoord, met bericht, geen gebruik gemaakt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het standpunt van verzoeker/ster</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Verzoekster stelt dat de rechter in de hoofdzaken niet onpartijdig kan oordelen omdat de rechter zich in het verleden op een bepaalde manierjegens [naam] heeft uitgelaten. [naam] heeft verklaard dat hij op 17juli 2019 een zitting heeft</para>
        <para>bijgewoond in de zaak met zaaknummer H.AA 17/5366. De rechter maakte toen deel uit van</para>
        <para>de meervoudige kamer. Aan het einde van de zitting op 17juli 2019 heeft de rechter -</para>
        <para>volgens [naam] - een opmerking en een handgebaar gemaakt. Gelet hierop is</para>
        <para>er volgens verzoekster sprake van subjectieve partijdigheid en kan de rechter niet</para>
        <para>onpartijdig oordelen in de hoofdzaken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De rechter heeft verklaard dat hij geen enkele valide reden ziet voor de wraking.De rechter stelt dat hij uit hoofde van zijn aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Voorts heeft de rechter verklaard dat hij geen herinneringen heeft aan een door hem gemaakte</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>opmerking of handgebaar aan het einde van de zitting van 17juli 2019 als door verzoekster</para>
        <para>bedoeld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>In de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>De wetgever heeft via het middel van wraking de partijen in de door de rechter te</para>
        <para>behandelen zaak de mogelijkheid gegeven de rechter te wraken en daarmee de behandeling</para>
        <para>van de zaak door die rechter te stuiten, wanneer sprake is van feiten of omstandigheden</para>
        <para>waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel</para>
        <para>8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient het wrakingsverzoek te worden</para>
        <para>gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aan de wraking ten grondslag liggen bij de</para>
        <para>verzoekster bekend zijn geworden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Verzoekster heeft als gronden voor de wraking aangevoerd hetgeen hiervoor onder</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>is weergegeven. Naar het oordeel van de wrakingskamer had het op de weg gelegen van</para>
        <para>verzoekster om direct na ontvangst van de uitnodiging voor de zitting van 3 augustus 2020,</para>
        <para>door de rechtbank aan verzoekster verzonden op 8juli 2020, de wraking van de rechter te</para>
        <para>verzoeken. Op de uitnodiging was immers de naam van de rechter als behandelend rechter</para>
        <para>vermeld. Dit was dezelfde naam die onder de uitspraak in de zaak [-IAA 17/5366 vermeld</para>
        <para>stond. In plaats daarvan heeft verzoekster ervoor gekozen om de zitting op 3 augustus 2020</para>
        <para>af te wachten en pas tijdens de zitting een wrakingsverzoek in te dienen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <parablock>
        <para>De wrakingskamer is gelet op het vorenstaande van oordeel dat niet is voldaan aan</para>
        <para>het wettelijk voorschrift van artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat</para>
        <para>het wrakingsverzoek wordt ingediend zodra de feiten en omstandigheden die aan de wraking</para>
        <para>ten grondslag liggen bij verzoekster bekend zijn geworden. Dat [naam] eerst</para>
        <para>wilde vaststellen dat de rechter ter zitting daadwerkelijk mr. B. van Walderveen was en dat</para>
        <para>hij hem in persoon wilde wraken, maakt het oordeel van de wrakingskamer niet anders. Dit</para>
        <para>weegt niet op tegen het belang van het onmiddellijk indienen van het wrakingsverzoek en</para>
        <para>het snel in gang zetten van de wrakingsprocedure, zodat de hoofdzaken zo min mogelijk</para>
        <para>door deze procedure worden opgehouden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Gelet hierop zal het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <parablock>
        <para>Ten overvloede merkt de wrakingskamer op dat het wrakingsverzoek inhoudelijk</para>
        <para>evenmin kan slagen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is het wrakingsverzoek</para>
        <para>onvoldoende onderbouwd. De stelling dat de rechter tijdens een eerdere zitting in een andere</para>
        <para>zaak met een andere eiseres, Stichting [naam] , een opmerking en</para>
        <para>een gebaar richting de heer [naam] zou hebben gemaakt is onvoldoende om te</para>
        <para>concluderen dat de rechter vooringenomen is jegens verzoekster in de hoofdzaken. Dit alles</para>
        <para>bezien tegen de achtergrond dat een rechter op basis van zijn aanstelling geacht wordt</para>
        <para>onpartijdig te zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking van de rechter;</para>
    <para>- beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de rechter en de wederpartij in de</para>
    <parablock>
      <para>hoofdzaken een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te</para>
      <para>zenden;</para>
    </parablock>
    <para>- beveelt dat het proces in de hoofdzaken wordt Voortgezet in de stand waarin het zich</para>
    <para> bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, en</para>
      <para>mr. Th.S. Röell en mr. R.H.M. Bruin, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid</para>
      <para>van mr. B. Bruijnzeel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>