<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2020:11800</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-29T14:20:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/308424 / HA RK 20/186</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:11800">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:11800</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-29T14:19:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2020:11800 Rechtbank Noord-Holland , 24-11-2020 / C/15/308424 / HA RK 20/186</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2020:11800:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingskamer. Verzoek afgewezen, nu de beslissing van de belastingrechter tot afwijzing van het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling van de hoofdzaken een procesbeslissing is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2020:11800:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ff4337e0-da42-4703-9bfc-81a62874eb1e" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="228d2a6f-7da7-4b7f-b94a-c26d2399926e" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beslissing</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]</para>
    <para>Wrakingskamer </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/15/308424 / HA RK 20/186</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van 24 november 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op het verzoek tot wraking ingediend door:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is gericht tegen:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. G.H. de Soeten, </emphasis>hierna te noemen: de rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <parablock>
        <para>Verzoeker heeft op 6 oktober 2020 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in</para>
        <para>de bij deze rechtbank, team Belastingrecht, locatie Haarlem, aanhangige zaken met als</para>
        <para>zaaknummers HAA 20/485, HAA 20/486, HAA 20/3327 en HAA 20/3328, hierna te</para>
        <para>noemen: de hoofdzaken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek</para>
        <para>gereageerd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <parablock>
        <para>Het verzoek is vervolgens behandeld ter zitting van de wrakingskamer van</para>
        <para>17 november 2020. Verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaken zijn in de</para>
        <para>gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar zonder</para>
        <para>bericht van afmelding niet verschenen. Tevens is de wederpartij in de hoofdzaken, de</para>
        <para>inspecteur van de Belastingdienst, zonder bericht van afmelding niet verschenen. De rechter</para>
        <para>is wel verschenen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het standpunt van verzoeker/ster</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek - samengevat -</para>
        <para>het volgende aangevoerd. De vader van verzoeker heeft de hoofdzaken aanhangig gemaakt</para>
        <para>en is overleden op 19 september 2020. Door het overlijden van zijn vader is verzoeker direct</para>
        <para>belanghebbende geworden in de hoofdzaken. Gelet op de complexiteit van de dossiers en de</para>
        <para>benodigde voorbereidingstijd heeft verzoeker op 24 september 2020 verzocht om uitstel van</para>
        <para>de mondelinge behandeling van de hoofdzaken op 8 oktober 2020. De rechter heeft op 30</para>
        <para>september 2020 het verzoek om uitstel afgewezen. Verzoeker is hierdoor geschaad in zijn</para>
        <para>verweermogeljkheden. Tevens stelt verzoeker dat de rechter extra terughoudend diende te</para>
        <para>zijn bij de beoordeling van het uitstelverzoek gelet op het geschil in de hoofdzaken. Daarbij</para>
        <para>heeft hij aangevoerd dat sprake is van onnodige, disproportionele discriminatie van</para>
        <para>verzoeker ten opzichte van de leden van de familie Van Oranje-Nassau en nageslacht, zodat</para>
        <para>de rechter in feite tegenbelanghebbende is. Door afwijzing van het uitstelverzoek heeft de</para>
        <para>rechter de schijn van vooringenomenheid gewekt, aldus steeds verzoeker.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan een rechter</para>
        <para>worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke</para>
        <para>onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde</para>
        <para>van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke</para>
        <para>omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens</para>
        <para>een partij een vooringenomenheid koestert (de subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees</para>
        <para>voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of</para>
        <para>omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de</para>
        <para>hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te</para>
        <para>vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten</para>
        <para>zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (de</para>
        <para>objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide</para>
        <para>toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>De beslissing van de rechter tot afwijzing van het verzoek om uitstel van de</para>
        <para>mondelinge behandeling van de hoofdzaken is een procesbeslissing. Het gesloten stelsel van</para>
        <para>rechtsmiddelen brengt mee dat dergelijke (tussen)beslissingen geen grond voor wraking</para>
        <para>kunnen opleveren. De vraag of een procesbeslissing, waaronder de motivering ervan,</para>
        <para>inhoudelijk al of nietjuist moet worden geacht, leent zich dus niet voor een oordeel door de</para>
        <para>wrakingskamer en kan slechts in hoger beroep van de (hoofd)zaak worden getoetst. Dit is</para>
        <para>uitsluitend anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle</para>
        <para>omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan</para>
        <para>worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.</para>
        <para>Deze situatie doet zich niet voor. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken</para>
        <para>op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een beslissing die de bij</para>
        <para>verzoekers bestaande vrees van vooringenomenheid naar objectieve maatstaven kan</para>
        <para>rechtvaardigen. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. 1 	wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich</para>
        <para>bevond ten tijde van het indienen van het verzoek;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de</para>
        <para>hoofdzaken een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. de Bruin, voorzitter,</para>
        <para>mr. E.B. de Vries-van den Heuvel en mr. H. de Jong, leden van de wrakingskamer, in</para>
        <para>tegenwoordigheid van mr. M. van Doesburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op</para>
        <para>24 november 2020.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>griffier						voorzitter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>