<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2020:11638</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-05-25T15:51:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-02-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8679851</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:11638">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:11638</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-05-25T15:49:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-05-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2020:11638 Rechtbank Noord-Holland , 09-12-2020 / 8679851</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2020:11638:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eigen risico zorgkosten naast bestuursrechtelijke premie zorgkosten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2020:11638:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Handel, Kanton en Insolventie</para>
    <para>locatie Haarlem</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknr./rolnr.: 8679851 / CV EXPL 20-6398</para>
      <para>Uitspraakdatum: 9 december 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">OHRA Zorgverzekeringen NV</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te Tilburg </para>
      <para>eiseres</para>
      <para>verder te noemen: Ohra</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.J.F. de Geus (Flanderijn gerechtsdeurwaarders)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] </para>
      <para>gedaagde  </para>
      <para>verder te noemen: [gedaagde]</para>
      <para>verschenen bij: [gemachtigde]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Ohra heeft bij dagvaarding van 14 mei 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ohra heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is bij Ohra verzekerd tegen ziektekosten. [gedaagde] betaalt hiervoor een bestuursrechtelijke premie aan het CAK. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Ohra heeft op 9 augustus 2019 een zorgkostennota aan [gedaagde] gestuurd ad € 122,40 aan eigen risico. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij brief van 30 oktober 2019 heeft Ohra [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om het bedrag van € 122,40 binnen een in die brief genoemde termijn te voldoen, zonder bijkomende buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 verschuldigd te zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft het bedrag van de zorgkostennota niet betaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Ohra vordert – samengevat – dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 163,88. De vordering bestaat uit € 122,40 aan hoofdsom, € 1,48 aan rente berekend tot 14 mei 2020 en € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, nog te vermeerderen met verdere rente en proceskosten.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Ohra legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] met haar een zorgverzekeringsovereenkomst heeft gesloten. Ohra heeft op grond van deze overeenkomst door [gedaagde] gemaakte ziektekosten in rekening gebracht die Ohra aan de zorgverlener heeft vergoed. Deze ziektekosten vallen onder het wettelijk verplichte eigen risico, zodat die voor rekening van [gedaagde] komen. Ondanks aanmaning heeft [gedaagde] deze kosten niet voldaan. Daarnaast vordert Ohra schadevergoeding in de vorm van buitengerechtelijke incassokosten en rente. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat zij haar zorgverzekering sinds jaren betaald middels een CAK bestuursrechtelijke premie in verband met een destijds bestaand betalingsonvermogen. Haar integrale zorgtoeslag wordt per CJIB beschikking ingehouden en, naar zij veronderstelt, aan Ohra uitbetaald. Ohra heeft verzuimd om het beschikbare saldo dat overblijft van de zorgtoeslag na aftrek van de premie, aan te wenden voor het eigen risico. Dat valt [gedaagde] niet aan te rekenen. Het is een daad van onbehoorlijk bestuur dat Ohra nu via een gerechtelijke procedure dit bedrag alsnog van [gedaagde] vergoed probeert te krijgen waardoor de kosten oplopen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert aan dat zij veronderstelt dat haar integrale zorgtoeslag via het CJIB en het CAK aan Ohra wordt uitbetaald. Kennelijk baseert [gedaagde] die veronderstelling op de hoogte van de zorgtoeslag en die van een basisverzekering. Volgens haar berekening zou er een surplus zijn waarbij [gedaagde] ervan uit gaat dat dat kan worden aangewend voor eventuele kosten van eigen risico. Nu [gedaagde] heeft nagelaten om die veronderstelling te onderbouwen, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Uit de door [gedaagde] overlegde beschikkingen inhouding zorgtoeslag blijkt dat niet. Het verweer dat Ohra zou hebben verzuimd om het beschikbare saldo aan te wenden voor het eigen risico, wordt dan ook verworpen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Dat betekent dat [gedaagde] gehouden is om de door Ohra aan haar in rekening gebrachte nota zorgkosten ad € 122,40 aan eigen risico, te voldoen. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van die kosten niet betwist. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] heeft gereageerd naar aanleiding van de aan haar gestuurde nota en de aanmaningen die Ohra en vervolgens haar gemachtigde heeft gestuurd. Dat had wel op de weg van [gedaagde] gelegen als zij er van uit ging dat zij die rekening niet hoefde te betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Ohra maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:96 BW is voldaan. Daarmee is de vergoeding verschuldigd en zal het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente is, als steunend op de wet, eveneens toewijsbaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Ohra van € 163,88 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 122,40 vanaf 14 mei 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Ohra tot en met vandaag vaststelt op € 301,09, te weten:</para>
        <para>dagvaarding		€ 105,09</para>
        <para>griffierecht		€ 124,00</para>
        <para>salaris gemachtigde	€   72,00;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>wijst de vordering voor het overige af.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof, kantonrechter en op 9 december 2020 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier								De kantonrechter</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>