<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2020:10315</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-17T15:00:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/871516-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:10315">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:10315</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-17T14:59:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2020:10315 Rechtbank Noord-Holland , 09-12-2020 / 15/871516-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2020:10315:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mega Tanybryn: deelname criminele organisatie die zich bezig hield met de invoer van cocaïne via Schiphol. Verdachte hield zich bezig met het verdere vervoer van de cocaïne vanaf Schiphol. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2020:10315:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Straf, locatie Alkmaar</para>
      <para>Meervoudige strafkamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 15/871516-17 (P)</para>
      <para>Uitspraakdatum: 9 december 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegenspraak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 2 november 2020, 10 november 2020 en 25 november 2020 in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>
        <emphasis role="bold smallcaps">,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum en -plaats],</para>
      <para>ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres </para>
      <para>
        [adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie</para>
      <para>mr. G. Visser en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Tenlastelegging </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte (hierna eveneens te noemen [verdachte]) is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven (per zaaksdossier), heeft schuldig gemaakt aan het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">(incident C1)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 1 primair: </emphasis>
      </para>
      <para>in de periode van 1 mei 2017 tot en met 4 mei 2017 samen met anderen opzettelijk een onbekende hoeveelheid cocaïne, dan wel een middel genoemd op lijst I, binnen Nederland heeft gebracht;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 1 subsidiair: </emphasis>
      </para>
      <para>op 4 mei 2017 samen met anderen een onbekende hoeveelheid cocaïne, dan wel een middel genoemd op lijst I opzettelijk heeft verkocht/afgeleverd/verstrekt/vervoerd, althans voorhanden heeft gehad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 1 meer subsidiair:</emphasis>
      </para>
      <para>in de periode van 1 mei 2017 tot en met 4 mei 2017 samen met anderen voorbereidingshandelingen en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd om een onbekende hoeveelheid cocaïne, dan wel een middel genoemd op lijst I, opzettelijk binnen Nederland te brengen en te verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">(incident C4)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 2 primair: </emphasis>
      </para>
      <para>in de periode van 9 juni 2017 tot en met 13 juni 2017 samen met anderen opzettelijk een hoeveelheid van 2.883 gram cocaïne binnen Nederland heeft gebracht;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 2 subsidiair: </emphasis>
      </para>
      <para>in de periode van 9 juni 2017 tot en met 13 juni 2017 samen met anderen voorbereidingshandelingen en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd om een hoeveelheid van 2.883 gram cocaïne opzettelijk binnen Nederland te brengen en te verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 3: </emphasis>
      </para>
      <para>in de periode van 1 mei 2017 tot en met 22 november 2017 samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld onder artikel 2 jo artikel 10 van de Opiumwet en/of artikel 2 jo artikel 10a van de Opiumwet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De volledige tekst van de tenlastelegging is als <emphasis role="bold">bijlage I</emphasis> aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Voorvragen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het bewijs</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar aanleiding van ontvangen informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) is op 1 maart 2017 het onderzoek Tanybryn gestart. Het onderzoek, uitgevoerd door het CargoHarc-team (Koninklijke Marechaussee, FIOD en Douane) richtte zich op personen die zich zouden bezighouden met de invoer van verdovende middelen via de luchthaven Schiphol. Tijdens dit onderzoek zijn onder meer telefoongesprekken afgeluisterd, observaties uitgevoerd en camerabeelden uitgekeken. Naar voren is gekomen dat cocaïne Nederland werd ingevoerd in de laadruimte van vliegtuigen die waren vertrokken uit Suriname. Eveneens kwam naar voren dat personen die werkzaam waren op de luchthaven Schiphol voor de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (KLM) hierbij betrokken leken te zijn. Het onderzoek heeft geleid tot de aanhouding van een aantal verdachten op 21 november 2017. Daarnaast werd (in een later stadium) een aantal personen als verdachte aangemerkt en gehoord zonder te zijn aangehouden. In het onderzoek worden acht incidenten onderscheiden welke zaaksdossiers C1 tot en met C8 zijn genoemd, hierna ook kort aangeduid als C1 enzovoort. In de tenlastelegging en hetgeen de rechtbank daarover overweegt is steeds naar deze zaaksdossiers verwezen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman van verdachte heeft verzocht om verdachte integraal vrij te spreken. Het standpunt van de raadsman zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.4.1.</nr>
        <para>
          <emphasis role="bold">Redengevende feiten en omstandigheden</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in <emphasis role="bold">bijlage II</emphasis> bij dit vonnis zijn vervat.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.2.</nr>
        <para>
          <emphasis role="bold">Bewijsmotivering feit 1 (C1) </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">3.4.2.1. Zaaksdossiers C1, C2 en C3</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Zaaksdossier C1</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen ten aanzien van ‘zaaksdossier C1’ het volgende af. Op 2 mei 2017 hebben [naam medewerker] (medewerker op Schiphol) en [naam 1] een telefoongesprek, waarin zij met elkaar spreken over ‘veertien’ en ‘’s morgens rond 11 uur’. </para>
          <para>Op 3 mei 2017 om 11.15 uur komt het vliegtuig met registratienummer PH-BFB met vluchtnummer KL0714, afkomstig uit Suriname, aan op Schiphol. Diezelfde avond vindt er een ontmoeting plaats tussen [naam 1], [naam medewerker], [naam 2] en [naam 3], waarbij [naam medewerker] een telefoon van [naam 2] overhandigd krijgt. Na deze ontmoeting belt [naam 1] met [verdachte] en zegt hem dat hij morgen met de grijze bus moet rijden. </para>
          <para>Op 4 mei 2017 belt [naam 1] ’s ochtends [medewerker] (medewerker op Schiphol) en vraagt hem of hij rond 7.30 uur [naam medewerker] kan ophalen bij ‘Foxie 4’. [naam 1], [verdachte] en [naam 4] hebben van 7.30 uur tot 8.50 uur een ontmoeting bij de Mac Donalds in Hoofddorp. [naam medewerker] en [naam 1] hebben rond 8.00 uur telefonisch contact, waarna [naam 1] [naam 3] probeert te bellen. Er wordt niet opgenomen. Rond diezelfde tijd leent [naam medewerker] een Mulagtrekker van [medewerker], waarmee hij samen met [naam 2] (medewerker op Schiphol) naar het vliegtuig met registratie PH-BFB rijdt. [naam medewerker] en [naam 2] hebben die dag geen dienst op Schiphol. [naam 2] haalt twee sporttassen uit het vliegtuig. [naam medewerker] brengt de tassen naar het KLM Cargo gebouw, alwaar [naam 4] op ‘landside’ met een bestelbus klaar staat. Intussen heeft [naam medewerker] telefonisch contact met [naam 1]. De twee sporttassen worden in de bestelbus van [naam 4] geladen. [naam 4] rijdt vervolgens met de bestelbus naar de woning van [naam 1]. [verdachte] en [naam 1] rijden in ieder in hun eigen auto ‘bumper aan bumper’ respectievelijk voor en achter de bestelbus van [naam 4]. Later die ochtend wordt gezien dat de auto van [naam 1] bij het bedrijfspand van [naam 3] in Zwanenburg staat geparkeerd. [naam 1] belt [naam medewerker] en zegt dat hij het ‘net heeft afgegeven’. De volgende dag belt [naam 1] rond 19.00 uur met [verdachte] en zegt dat hij een tientje voor hem heeft, die hij net heeft gekregen. Twintig minuten voor dit gesprek heeft de telefoon van [naam 1] een zendmast aangestraald op de Zwanenburgerdijk te Zwanenburg. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Zaaksdossier C2</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen ten aanzien van ‘zaaksdossier C2’ het volgende af. </para>
          <para>Op 7 mei 2017 belt [naam 1] met [naam medewerker] en zegt dat ze morgen ‘één tassie’ gaan doen. [naam 1] zegt dat ie heel vroeg komt, om 7.00 uur en het de JFK is. [naam medewerker] zegt dat het link is om een tas mee naar buiten te nemen. [naam 1] zegt dat [naam medewerker] ‘em gewoon daar neer zet’ en dat [naam 1] ‘em’ dan pakt. [naam 1] zegt dat hij een tang meeneemt. </para>
          <para>Op 8 mei 2017 komt het vliegtuig PH-BFB afkomstig uit New York (code JFK), om 06.55 uur aan op Schiphol. Dit vliegtuig was eerder, op 7 mei 2017, vanuit Suriname aangekomen op Schiphol en diezelfde dag vertrokken naar New York. Die avond bellen [naam medewerker] en [naam 1] met elkaar. [naam 1] zegt dat hij een kleine betonschaar meeneemt, want ‘ze gaan het er niet overheen gooien’.</para>
          <para>Op 9 mei 2017 is [naam medewerker] ’s ochtends aanwezig op het beveiligde gebied van de luchthaven Schiphol, terwijl hij op dat moment nog geen dienst heeft. [naam 2] is die ochtend voor korte duur aanwezig op het beveiligde gebied, terwijl hij die dag geen dienst heeft. Om 8.23 uur belt [naam 2] met de telefoon van [naam medewerker] naar [naam 1]. [naam 2] zegt dat ze ‘hem’ gelijk hebben weggebracht, dat ‘hij straks weggaat, om 14.20’ en dat hij ([naam 2]) hier om kwart voor één is. Volgens de planning zou het vliegtuig PH-BFB op 9 mei 2017 om 14.17 uur vanaf Schiphol vertrekken naar Suriname. [naam 1] loopt tussen 12.20 uur en 12.58 uur de parkeerplaats P28 bij Schiphol op en knipt met een voorwerp gelijkend op een tang een deel van het hek open. Om 12.56 uur belt [naam 2] met de telefoon van [naam medewerker] naar [naam 1] en zegt hem dat hij beter kan gaan want ‘beetje teveel ogen hier’. [naam 1] vraagt: ‘wanneer nu dan?’ [naam 2] zegt: ‘donderdag’. [naam 2] is op dat moment, te weten tussen 12.40 uur en 13.01 uur, op het beveiligde gebied van Schiphol, terwijl hij geen dienst had. </para>
          <para>Op 10 mei 2017 bellen [naam 1] en [naam medewerker] met elkaar en zegt [naam 1] dat ‘ie’ vanochtend is teruggekomen. Die dag is het vliegtuig PH-BFB om 10.32 uur geland op Schiphol. Rond 17:35 uur is het vliegtuig PH-BFB doorzocht en is in het achterste vrachtruim achter een plafondplaat een sporttas met daarin pakketten cocaïne aangetroffen. De cocaïne had een netto gewicht van 19.087,2 gram. </para>
          <para>In de ochtend van donderdag 11 mei 2017 brengt [naam medewerker] [naam 2] naar het vliegtuig PH-BFB. [naam 2] gaat het vliegtuig binnen en komt onverrichterzake terug. Om 8.38 uur belt [naam 2] met de telefoon van [naam medewerker] naar [naam 1] en zegt hij dat er niets in zat. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Zaaksdossier C3</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen ten aanzien van ‘zaaksdossier C3’ het volgende af. </para>
          <para>Tijdens een telefoongesprek op 4 juni 2017 zegt [naam medewerker] dat hij die ochtend ‘onze grote vriend’ tegenkwam die vorige keer met die FB geholpen heeft en dat die nummer ‘L’ in de hangar staat. ‘Het’ zit er nog steeds in en ‘hij’ houdt het in de gaten. [naam medewerker] zegt ook dat ‘hij’ zegt dat als dat ding uit de hangar komt, ‘we’ het gaan doen. </para>
          <para>Op 4 juni 2017 is het vliegtuig PH-BFL, dat geparkeerd stond in een hangar op Schiphol, doorzocht en zijn in het achterste vrachtruim achter een plafondplaat twee sporttassen met daarin pakketten cocaïne aangetroffen. De cocaïne had een netto gewicht van 14989,6 gram.</para>
          <para>
            [naam medewerker] belt op 15 juni 2017 met [naam 1] en zegt tegen [naam 1] dat die Marokkaan toevallig appte, met die ‘BL’. [naam medewerker] vraagt wanneer [naam 1] het wil doen en [naam 1] zegt dat het zaterdag of zondag kan. </para>
          <para>Op zaterdag 17 juni 2017 belt [naam medewerker] met [naam 2]. [naam 2] zegt dat het maandag wordt. [naam medewerker] regelt vervolgens dat hij op maandag een voertuig van [medewerker] kan lenen. </para>
          <para>Op maandag 19 juni 2017 rijden [naam medewerker] en [naam 2] in het door [medewerker] geleende voertuig naar vliegtuig PH-BFL. Zij hebben beiden geen dienst. [naam 2] gaat het vliegtuig in en komt terug zonder dat hij iets meeneemt. Om 10.21 uur belt [naam 2] met de telefoon van [naam medewerker] naar [naam 1] en zeg: ‘er is niks’ en ‘ik ga met ze praten want dit is de tweede keer’.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">3.4.2.2. Sprake van invoer van cocaïne feit 1 (C1)?</emphasis>
          </para>
          <para>In C1 is geen cocaïne in beslaggenomen, in C2 en C3 wel. Met toepassing van de door het Gerechtshof Amsterdam – onder meer – in het onderzoek Pan (ECLI:GHAMS; 2012:BY0657) gevolgde redenering, acht de rechtbank bewezen dat in C1 cocaïne is ingevoerd. Het samenstel van de hierna te noemen feiten en omstandigheden, blijkend uit de bewijsmiddelen in C1, C2 en C3 tezamen, laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat het ook in C1 om de invoer van cocaïne ging. Verdachten hebben geen, deze conclusie in de weg staande, aannemelijke verklaring gegeven voor de inhoud van de uit het dossier blijkende belastende feiten en omstandigheden.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In C1, C2 en C3 is telkens sprake van eenzelfde patroon van handelingen en gebeurtenissen, waarbij in de laatste twee gevallen hetgeen heimelijk werd ingevoerd wel in beslag is genomen en cocaïne bleek te zijn. Dit patroon is te zien in de combinatie van de betrokken personen, hun rol bij de invoer en de gevolgde (C1), ofwel voorgenomen (C2 en C3) handelwijze hierbij. </para>
          <para>De handelende personen zijn steeds [naam 1], [naam medewerker] en [naam 2]. Indien nodig worden [verdachte] (vervoer vanaf Schiphol) en [medewerker] (ter beschikking stellen voertuig op airside) ingeschakeld. Het patroon is als volgt. </para>
          <para>In een vliegtuig dat op Schiphol aankomt – of kort daarvoor een vlucht heeft gemaakt – vanuit Suriname is in het vrachtruim cocaïne verstopt. In C2 en C3 was dit op dezelfde verbergplaats. [naam 2] haalt de cocaïne met behulp van een gemotoriseerde bellyband uit het vliegtuig en overhandigt de cocaïne aan [naam medewerker], die de cocaïne over airside vervoert en naar de grens van het beschermde gebied brengt om het daar te overhandigen voor verder vervoer. [naam 1] neemt de cocaïne zelf in ontvangst of laat dit door [naam 4] doen en zorgt voor het vervoer vanaf Schiphol. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Uit het hiervoor omschreven patroon in handelingen en gebeurtenissen leidt de rechtbank af dat het steeds om dezelfde actie gaat. Dit volgt ook uit de door [naam medewerker] afgelegde verklaringen. Volgens hem ging het bij C2 om eenzelfde actie als bij C1. C3 noemt hij een kopietje van C1. Op één punt verschilt de gang van zaken van C1 met die van C2 en C3, te weten de inzet van [verdachte] en [naam 4]. [naam medewerker] zegt daarover dat in C2 ‘[verdachte] (de Turk) er tussen uit is gehaald, omdat het maar 1 tassie was en ze er anders niets aan over zouden houden’. Deze beredeneerde afwijking van het eerder gevolgde scenario betreft de vraag met hoeveel personen het verdere vervoer en veiligstellen van de cocaïne geschiedt en vormt geen aanleiding te veronderstellen dat er in C1 iets anders dan cocaïne is ingevoerd. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In een telefoongesprek met Verhoeven (C1) zegt [naam 1] dat een “proefie” is gelukt. De rechtbank gaat er niet vanuit [naam 1] hiermee spreekt over een proefzending die geen cocaïne bevat. Dit blijkt niet uit de inhoud van dit gesprek, Verhoeven is geen direct bij de smokkel betrokkene zodat het ook niet voor de hand ligt om hierover met hem te spreken en de verhoren van [naam medewerker] bij de Kmar en de rechter commissaris bevatten daarvoor evenmin aanwijzingen. In de gang van zaken in C1 na de overdracht van de zakken door [naam medewerker] aan [naam 4], met name het geëscorteerde vervoer naar Haarlem, het afleveren in Zwanenburg en de ontvangen beloning, ziet de rechtbank bevestiging van haar oordeel dat de zakken daadwerkelijk cocaïne bevatten. </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">3.4.2.3. Medeplegen </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Toetsingskader</emphasis>
          </para>
          <para>Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien komt vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.</para>
          <para>Ook indien het gedragingen betreft die ook met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. </para>
          <para>Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
          </para>
          <para>Op grond van het hiervoor overwogene en de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] op 3 mei 2017 (C1) telefonisch contact met [naam 1] heeft gehad over het op 4 mei 2017 rijden van een grijze bus. [verdachte] schakelt [naam 4] in en zij hebben op 4 mei 2017 in de ochtend een ontmoeting met [naam 1] bij de Mc Donalds’s, waarna door [naam medewerker] en/of [naam 4] op het KLM-terrein “airside” twee witte zakken in een grijze Volkswagen bus, met [naam 4] als chauffeur, zijn overgeladen. [verdachte], als chauffeur van een mini Cooper, en [naam 1], als chauffeur van de Audi, hebben de Volkswagenbus intussen opgewacht en deze direct na het verlaten van het KLM-terrein, bumper aan bumper geëscorteerd naar het adres van [naam 1] in Haarlem, ervoor wakend dat zij niet werden gevolgd. [verdachte] ontvangt de volgende dag ‘een tientje’ de rechtbank begrijpt 10.000 euro, voor zijn aandeel en dat van [naam 4]. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Aldus heeft [verdachte] een wezenlijk aandeel in de voorbereiding en de uitvoering van de smokkel gehad. Hij schakelt [naam 4] in als chauffeur en beveiligt het vervoer van de cocaïne naar Haarlem. In de hoogte van de beloning ziet de rechtbank bevestiging van dit oordeel. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die leidt tot de bewezenverklaring van medeplegen.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">3.4.2.4. (Voorwaardelijk) opzet </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Toetsingskader</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het invoeren van cocaïne – aanwezig is indien verdachte bij zijn gedraging bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
          </para>
          <para>Gelet op de heimelijke wijze waarop de zakken van Schiphol werden gehaald, het daarop volgende geëscorteerd vervoer ervan en de hoogte van de beloning, ging het onmiskenbaar om iets illegaals dat van grote waarde is. Gevoegd bij het algemene bekende feit dat via Schiphol (groothandels)hoeveelheden cocaïne worden ingevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat cocaïne werd ingevoerd. </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.3.</nr>
        <para>
          <emphasis role="bold">Bewijsmotivering feit 2 (C4) </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">3.4.3.1. Zaaksdossier C4</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen ten aanzien van ‘zaaksdossier C4’ het volgende af. </para>
          <para>Op 12 juni 2017 belt [naam 1] naar [verdachte] en vraagt hem of hij een vrachtwagen voor hem kan huren, voor morgen. [verdachte] gaat het regelen. Later die dag zegt [naam 1] tijdens een telefoongesprek met [naam medewerker] dat ze morgen die “worstjes” willen doen. [naam medewerker] vraagt of het er twee zijn en zegt dat hij er morgen is. [naam 1] zegt dat hij vanavond [naam medewerker] een sms stuurt met de laatste vier nummertjes.<?linebreak?>‘s Avonds belt [naam 1] naar [verdachte] en vraagt hem of hij die bus gehuurd heeft. [naam 1] denkt dat het om twee ‘auto’s’ gaat. Met ‘auto’s’ worden AKE bagagecontainers bedoeld. Later die avond belt [naam 1] opnieuw met [verdachte] en zegt hij dat ze niet die worstjes doen, maar staafjes, ze doen het in de middelste balk. [verdachte] zegt tegen [naam 1] dat hij maar met de prijs moet kijken wat ‘we’ kunnen doen. </para>
          <para>Op 13 juni 2017 belt [naam medewerker] met [naam 1], die vraagt of [naam medewerker] die twee nummertjes had gezien. [naam 1] vraagt ook of [naam medewerker] het zelf wil doen of dat hij die Turk moet laten komen. [naam medewerker] antwoordt beter die Turk. [naam medewerker] vraagt of het van “SU” komt en [naam 1] zegt: ja. [naam 1] zegt ook dat ze het nu in de middenbalk hebben gedaan. Met “de Turk” wordt [verdachte] bedoeld. <?linebreak?>Even later belt [naam 1] naar [verdachte] en vraagt hem of hij om kwart over 8 bij McDonald’s kan komen.<?linebreak?>Op 13 juni 2017 haalt [verdachte] [naam 4] op in een Mini Cooper. Onderweg stapt [naam 4] over in een bestelbus van [bedrijfsnaam]. [naam 4] en [verdachte] rijden in hun voertuigen naar de Mc Donalds in Hoofddorp. Daar hebben zij om ongeveer 8.20 uur een ontmoeting met [naam 1]. </para>
          <para>Op Schiphol is rond 9.00 uur de bagage van KLM vlucht KL0714, afkomstig uit Suriname, gelost. De bagagecontainers (AKE’s) van deze vlucht zijn doorzocht. In twee van de AKE’s zijn in de profielen 39 cilindervormige pakketjes cocaïne aangetroffen met een nettogewicht van 2.883 gram. </para>
          <para>Om 09.27 uur belt [naam medewerker] naar [naam 1] en zegt dat de ‘ABN’ het heeft. Met ‘ABN’ wordt de douane bedoeld. Vlak daarna belt [naam 1] naar [verdachte] om te zeggen dat het niet goed is gegaan. Rond 9.30 uur verlaten [verdachte] en [naam 4] de Mc Donalds. [naam 4] rijdt de bestelbus terug naar de plaats waar hij hem heeft opgehaald en stapt daarna bij [verdachte] in de Mini Cooper. </para>
          <para>In de middag belt [naam 1] met [verdachte] en zegt hij dat allebei de ‘auto’s’ zijn meegenomen. Met ‘auto’s’ worden AKE’s bedoeld. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">3.4.3.2. Medeplegen </emphasis>
          </para>
          <para>De raadsman van [verdachte] heeft vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de handelingen die [verdachte] heeft verricht ná de inbeslagname van de cocaïne – op basis van het zogenaamde Kokosnoten-arrest (HR 15 december 1998, NJ 1999, 207) – niet redengevend kunnen zijn voor het bewijs van medeplegen van de invoer van cocaïne en de handelingen van verdachte die overblijven niet voldoende zwaarwegend zijn voor medeplegen. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe – mede op basis van het in paragraaf 3.4.2.3 weergegeven toetsingskader – als volgt.</para>
          <para>Uit het hiervoor overwogene en de bewijsmiddelen blijkt het volgende.</para>
          <para>Op 12 juni 2017 (C4) heeft [verdachte] driemaal telefonisch contact met [naam 1]. [naam 1] vraagt hem voor morgen een vrachtwagen te huren, zegt dat het gaat om twee auto’s (de rechtbank begrijpt AKE vrachtcontainers) en dat ze het in de middelbalk doen. Verder komt de hoogte van de beloning aan de orde en de vraag of [naam 4] deze keer apart krijgt.</para>
          <para>Na een telefoontje van [naam 1] komen [verdachte] en [naam 4] op 13 juni 2017 om 8:21 uur naar de Mc Donalds in Hoofddorp waar zij [naam 1] ontmoeten. Daaraan voorafgaand heeft [verdachte] [naam 4] met zijn Mini opgehaald en hebben zij een door [naam 4] bestuurde bus met opdruk: [bedrijfsnaam] opgehaald. De cocaïne is op 13 juni 2017 om 08:55 uur in het vliegtuig gevonden en in beslag genomen, derhalve is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] reeds voor de inbeslagname, namelijk op 12 en 13 juni, afspraken heeft gemaakt en handelingen heeft verricht, gericht op het verdere vervoer van de cocaïne.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank is tevens – onder verwijzing naar het vorengenoemde toetsingskader – van oordeel dat uit voornoemde gedragingen blijkt dat [verdachte] een essentiële rol had bij de beoogde (verdere) invoer van de cocaïne, namelijk het regelen van een bus en chauffeur voor het verdere vervoer van de cocaïne. Gelet op deze essentiële rol van [verdachte], het voorafgaande contact met [naam 1] en het bespreken met [naam 1] van de invoermethode en een beloning is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aandeel van voldoende gewicht en van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die leidt tot de bewezenverklaring van medeplegen. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">3.4.3.3. Opzet </emphasis>
          </para>
          <para>Zoals hiervoor vermeld is de rechtbank ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde (C1) van oordeel dat [verdachte] voorwaardelijk opzet op de invoer van cocaïne heeft gehad (zie paragraaf 3.4.2.4.). Voor het onder 2 primair ten laste gelegde (C4) acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] vol opzet op de invoer van cocaïne heeft gehad. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Na het transport van 4 mei 2017 heeft [verdachte] op 12 juni 2017 weer telefonisch contact met [naam 1] gehad waarbij hem opnieuw wordt gevraagd om tegen een wederom forse beloning, een vrachtwagen te huren. Ditmaal is ook gedetailleerd gesproken over de invoermethode. Gelet hierop en bezien in het licht van zijn aandeel in het eerdere transport, kan het niet anders dan dat verdachte nu wist dat cocaïne werd ingevoerd. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.4.</nr>
        <para>
          <emphasis role="bold">Conclusie feit 1 (C1) en feit 2 (C4)</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op basis van het hiervoor overwogene, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – kort gezegd – zich zowel in de periode van 1 mei 2017 tot en met 4 mei 2017, als in de periode van 9 juni 2017 tot en met 13 juni 2017, schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van invoer van cocaïne, op de wijze zoals hierna in de bewezenverklaring nader aangeduid. De verweren van de raadsman van verdachte ten aanzien van feit 2 primair worden derhalve verworpen. </para>
          <para>Hetgeen de verdediging overigens als verweer heeft aangevoerd vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen zelf, zoals deze in <emphasis role="bold">bijlage II</emphasis> bij deze uitspraak zijn opgenomen, dan wel in de bewijsmotivering of kan niet worden gezien als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat respons behoeft. </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.5.</nr>
        <para>
          <emphasis role="bold">Bewijsmotivering feit 3 (criminele organisatie) </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Juridisch kader deelname aan criminele organisatie</emphasis>
          </para>
          <para>Volgens vaste rechtspraak is voor de bewezenverklaring van 'een organisatie' als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband van ten minste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur, dat als oogmerk heeft het plegen van de in het eerste lid bedoelde Opiumwetmisdrijven. Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd. Een dergelijk samenwerkingsverband kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Niet noodzakelijk is daarbij dat het steeds dezelfde personen betreft, wel dient er sprake te zijn van een vaste kern (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50). Ook is niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere deelnemers aan de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72). </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Van deelneming aan de organisatie is sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel deze ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Daarbij is voldoende dat de deelnemer in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van bedoelde misdrijven; in zoverre is voorwaardelijk opzet niet voldoende. Ten slotte hebben de vereiste duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel 'organisatie' en niet op 'deelneming', zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank is van oordeel dat in de tenlastegelegde periode [naam 1], [naam medewerker], [naam 3], [naam 2], [verdachte] en [medewerker] zich in wisselende samenstelling – en voor wisselende duur – hebben bezig gehouden met de (voorbereiding van de) invoer via Schiphol van cocaïne, dan wel een middel van lijst I bij de Opiumwet.</para>
          <para>Ieder vervulde daarbij een min of meer vaste rol, waarbij [naam medewerker], [naam 2] en [medewerker] gebruik maakten van de mogelijkheden die hun werkzaamheden op Schiphol hen bood. [naam medewerker] en [naam 1] vormden de vaste kern. [naam 1] informeerde [naam medewerker] over de vlucht waarin de zending was verborgen en de planning van de actie, nam de verdovende middelen aan de rand van Schiphol in ontvangst en regelde het verdere vervoer en afgifte ervan, waarna hij de beloning verdeelde die hij van zijn opdrachtgever ontving. In C1 was dit [naam 3]. [naam medewerker] zorgde voor het vervoer binnen het beschermd gebied. Hij onderhield contact met [naam 2], die de cocaïne uit het vliegtuig haalde en met [medewerker], die hem een voertuig ter beschikking stelde wanneer [naam medewerker] zelf geen dienst had. [naam medewerker] en/of [medewerker] zorgden ook voor Copamlijsten, welke lijsten informatie bevatten over de samenstelling van de op een vlucht meegevoerde vracht. Afhankelijk van de smokkelmethode en/of hoeveelheid verdovende middelen werd [verdachte] ingeschakeld voor het vervoer vanaf Schiphol. Hij regelde dan een bestelbus en een chauffeur.</para>
          <para>De smokkelmethode was vaak dezelfde; in C1, C2 en C3 was de cocaïne verborgen in het achterste ruim van het vliegtuig, in C4 en C5 was de cocaïne verstopt in het buizenframe van AKE vrachtcontainers. Bij de samenwerking werd ook van zogenaamde actietelefoons gebruik gemaakt (de blauwe Nokia) en sprak men via de telefoon in versluierde taal (bakkie koffie doen, auto’s, worsten, telefoonnummers, bbq, ABNAMRO) en vermeed men concrete of specifieke termen.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet op het bovenstaande is sprake van een samenwerkingsverband dat aan genoemde criteria voldoet en acht de rechtbank bewezen dat sprake is van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            [verdachte] was bij de ten aanzien van hem bewezen verklaarde feiten betrokken voor het – beoogde – vervoer van de cocaïne. Voor zijn aandeel en dat van [naam 4] in C1 had hij van [naam 1], zijn contactpersoon, een beloning van (de rechtbank begrijpt) 10.000 euro ontvangen. Op 9 juni 2017 [C4 gespreksnummer 14864] spreken [verdachte] en [naam 1] over de – algemene – gang van zaken bij transporten zoals die waarmee [naam medewerker] en [naam 1] zich bezighouden. [verdachte] moet in elk geval op dat moment hebben begrepen dat [naam 1] deel uitmaakte van een al langer bestaande organisatie die zich bezig hield met de invoer van cocaïne en ook dat hij met zijn eigen aandeel in het in C4 beschreven transport -wederom- bijdroeg aan de activiteiten van deze organisatie, zodat hij daar vanaf dat moment ook deel van uitmaakte. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet op de bewijsmiddelen in <emphasis role="bold">bijlage II</emphasis> en op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] vanaf 9 juni 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 2 onder A en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals in de aan dit vonnis gehechte <emphasis role="bold">bijlage III</emphasis> is weergegeven. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezenverklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair, telkens</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van feit 3</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10 vijfde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid van verdachte</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>Motivering van de sanctie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 50 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een geldboete ter hoogte van € 20.000,-. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman van verdachte heeft verzocht met betrekking tot de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn, de volgens hem minimale rol van verdachte bij de feiten en het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk is veroordeeld. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet hierop heeft de raadsman verzocht aan verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen, die gelijk is aan de duur van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens heeft de raadsman verzocht het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis bij de uitspraak op te heffen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft gedurende vierenhalve maand deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezig hield met de invoer van cocaïne, dan wel andere middelen van lijst I van de Opiumwet, vanuit bronlanden naar Nederland. Verdachte was betrokken bij twee voltooide transporten uit Suriname, waarvan één transport door de douane is onderschept. Dit betrof bijna 3 kilo cocaïne. Verdachte heeft zich bij het plegen van deze feiten enkel laten leiden door het oogmerk van snel en eenvoudig financieel gewin. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte hield zich binnen de criminele organisatie bezig met het vervoer van de verdovende middelen vanaf Schiphol. Hij heeft op 4 mei 2017 de bestelbus opgehaald, waarmee [naam 4] de verdovende middelen van Schiphol ophaalde. Verdachte heeft de bestelbus met de verdovende middelen vervolgens met zijn eigen auto naar de plaats van bestemming geëscorteerd. Een dag later heeft hij van [naam 1] een beloning ontvangen. Verdachte heeft voor het tweede transport een bestelbusje gehuurd en een chauffeur geregeld. Verdachte had dus een wezenlijke rol binnen de criminele organisatie maar behoorde niet tot de kern van de organisatie.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aldus heeft de criminele organisatie waartoe verdachte behoort een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen zeer schadelijke stof. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Aan opzettelijke invoer van cocaïne zijn hoge wettelijke strafmaxima verbonden ter voorkoming van het ontstaan van een grootschalige binnenlandse markt. Ook handelingen gericht op de voorbereiding van invoer van cocaïne worden met aanzienlijke straffen bedreigd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt niet alleen bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar ook door de aard van de misdrijven die worden beoogd. De invoer van cocaïne en de voorbereidingshandelingen daartoe over een langere periode worden als ernstige misdrijven gezien. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft zich ten aanzien van deze feiten beroepen op zijn zwijgrecht. Hij heeft dus geen verantwoording afgelegd of blijk gegeven van enig besef van de strafwaardigheid van zijn gedrag. De rechtbank rekent verdachte dit aan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van 45 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Redelijke termijn</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank ziet echter in het tijdsverloop in deze zaak aanleiding om ten voordele van verdachte hiervan af te wijken. Verdachte is op 21 november 2017 in verzekering gesteld. </para>
        <para>In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578). De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen op 21 november 2017, omdat verdachte op die datum in verzekering is gesteld in de onderhavige zaak en daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat jegens hem strafvervolging zou worden ingesteld. Nu het eindvonnis thans op 9 december 2020 wordt gewezen en de rechtbank van oordeel is dat de overschrijding niet aan verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze overschrijding vast op één jaar. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578). De overschrijding van de redelijke termijn resulteert in deze zaak erin dat de rechtbank de voornoemde gevangenisstraf zal verminderen met 5 maanden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht het niet opportuun om naast het opleggen van de voornoemde gevangenisstraf een geldboete op te leggen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman heeft verzocht het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat gelet op de bewezenverklaringen, de op te leggen straf en het voortbestaan van de ernstige bezwaren en gronden die hebben geleid tot de voorlopige hechtenis, het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis dient te worden afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:</para>
      <para>artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
      <para>artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat de onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van <emphasis role="bold">40 [veertig] maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Wijst af</emphasis> het verzoek tot opheffing van het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum</emphasis>
      </para>
      <para>Dit vonnis is gewezen door</para>
      <para>mr. N.O.P. Roché, voorzitter,</para>
      <para>mr. I.A.M. Tel en mr. J.C. van den Bos, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van de griffiers mr. L.L. de Vries en mr. A.D. Renshof,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 december 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. N.O.P. Roché is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>