<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2019:7544</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-06T00:28:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-09-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">7453563</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2019-0256</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2019/349</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:7544">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:7544</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-25T15:15:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2019:7544 Rechtbank Noord-Holland , 11-09-2019 / 7453563</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2019:7544:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geschil omtrent betaling factuur notaris terzake afwikkeling nalatenschap en gang van zaken rondom benoeming en overdracht aan opvolgend vereffenaar. Tegenvordering: tekortkoming notaris?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2019:7544:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Handel, Kanton en Insolventie</para>
    <para>locatie Haarlem</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknr./rolnr.: 7453563 \ CV EXPL  19-330</para>
      <para>Uitspraakdatum: 11 september 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] </emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats]</para>
      <para>eiseres in conventie</para>
      <para>verweerster in reconventie</para>
      <para>verder te noemen: [eiseres]</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.P. van der Kooij</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] </para>
      <para>gedaagde in conventie</para>
      <para>eiseres in reconventie  </para>
      <para>verder te noemen: [gedaagde] </para>
      <para>gemachtigde: mr. D.W. Giltay Veth</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft bij dagvaarding van 18 december 2018 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld.  [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend. [eiseres] heeft hierop schriftelijk gereageerd.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 17 juli 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [gedaagde] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [gedaagde] bij brief van  5 juli 2019 nog stukken toegezonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 2 oktober 2016 is [moeder van gedaagde] , de moeder van [gedaagde] , overleden nadat zij bij testament over haar nalatenschap had beschikt. [gedaagde] is aangewezen als enig erfgenaam. [gedaagde] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard en is uit dien hoofde wettelijk vereffenaar van de nalatenschap geworden.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft [notaris] , notaris bij [eiseres] , ingeschakeld voor losse opdrachten, zoals het inschrijven van de registergoederen in het kadaster in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van haar moeder.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De broers van [gedaagde] hebben op 30 juni 2017 bij de rechtbank Noord-Holland een verzoek ingediend om [gedaagde] te ontslaan als vereffenaar. Aan het verzoek hebben zij in eerste instantie ten grondslag gelegd dat [gedaagde] haar taken als vereffenaar niet naar behoren uitvoerde. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het verzoek is op 8 augustus 2017 ter zitting behandeld. Ter zitting heeft [gedaagde] zich laten bijstaan door [advocaat 1] , advocaat te Amsterdam . De broers van [gedaagde] hebben ter zitting de grondslag van hun verzoek gewijzigd en het verzoek gebaseerd op het bepaalde in artikel 4:203 lid 1 aanhef en sub b BW en daartoe gesteld dat uit de boedelbeschrijving volgt dat er sprake is van een negatieve nalatenschap. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij beschikking van 17 augustus 2017 heeft de rechtbank [advocaat 2] , advocaat te Hoofddorp en Haarlem tot vereffenaar benoemd.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Op 29 augustus 2017 heeft telefonisch overleg plaatsgevonden tussen [gedaagde] , <?linebreak?>[advocaat 1] en [notaris] .<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Namens [gedaagde] heeft haar echtgenoot, [echtgenoot van gedaagde] , op 30 augustus 2017 aan <?linebreak?>mrs. [advocaat 1] en [notaris] gemaild: <?linebreak?>“<emphasis role="italic">[gedaagde] en ik stellen voor, zoals [advocaat 1] vanmorgen al opperde, dat we met zijn vieren bij een van jullie op kantoor in Amsterdam afspreken voordat jullie met [advocaat 2] spreken.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">(…) [advocaat 2] is ijverig, maar wij hechten er zeer aan dat hij weet dat de boedelbeschrijving al gedeponeerd is en dat de banken op [gedaagde] ’s brieven gereageerd hebben. (…) Verder zullen we het volledige dossier naar [advocaat 2] zenden en een kopie daarvan aan jullie overhandigen. (…) P.S. Wij sturen dan van te voren onze opmerkingen en vragen in agenda vorm naar jullie</emphasis>”.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Op 6 september 2017 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [gedaagde] , [advocaat 1] en [notaris] .<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Op 20 september 2017 heeft een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van de vereffenaar met mrs. [advocaat 1] en [notaris] .<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft mrs. [advocaat 1] en [notaris] op 25 september 2017 bericht:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…) Het was voor mij praktisch gezien niet mogelijk om kennis te maken met [advocaat 2] en ik dank jullie voor de bespreking met [advocaat 2] namens mij.</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Echter, ik geef er in dit stadium de voorkeur aan om vanaf vandaag rechtstreeks contact te onderhouden met [advocaat 2] en ik zou het op prijs stellen om jullie als adviseurs op de achtergrond te houden (…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik weet precies wat ik wil en [advocaat 2] zal zich ook aan het testament van mijn moeder moeten houden (…)”.</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft op 17 oktober 2017 een factuur ad € 3.846,59 gestuurd aan [gedaagde] voor de verrichte werkzaamheden door [notaris] in de periode van <?linebreak?>2 augustus 2017 tot en met 25 september 2017.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft [notaris] op 23 maart 2018 geïnformeerd:<?linebreak?><emphasis role="italic">“(…) Wij zullen jouw declaratie niet voldoen. Jij en [advocaat 1] hebben ons niet goed begeleid. (…)”.</emphasis></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft de vordering op 1 november 2018 uit handen gegeven aan Van der Kooij | Besters advocaten en [gedaagde] een ingebrekestelling en aanzegging van de buitengerechtelijke incassokosten gestuurd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Op 4 december 2018 is [gedaagde] (vergeefs) gesommeerd om  de factuur vermeerderd met rente en incassokosten te betalen..</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van <?linebreak?>€ 3.846,59, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 november 2017. Ook maakt [eiseres] aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassoskosten ad € 509,66 en proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij in opdracht van [gedaagde] juridische werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde] en daarvoor op 17 oktober 2017 een factuur aan haar heeft verzonden. Ingevolge de door [eiseres] gehanteerde algemene voorwaarden moeten facturen binnen 14 dagen  worden betaald. Ondanks aanmaning heeft [gedaagde] niet binnen die termijn betaald. Verder is [gedaagde] conform het bepaalde in artikel 6:96 lid 2c BW buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het verweer en de tegenvordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat de opdracht aan [eiseres] betrof het zorgdragen voor het continueren van het vereffenaarschap van [gedaagde] in de nalatenschap van haar moeder. De gefactureerde kosten voor het gesprek in Hoofddorp vallen buiten die opdracht. Ook de overige posten betreffen kosten in strijd met de opdracht. Verder is [notaris] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. [advocaat 1] had ter zitting niet moeten adviseren in te stemmen met de benoeming van een professionele vereffenaar. De verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten betwist [gedaagde] omdat [eiseres] enkel standaardbrieven heeft verstuurd en de werkzaamheden niet gericht zijn geweest op een minnelijke regeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter [eiseres] veroordeelt tot vergoeding van de schade van [gedaagde] als gevolg van toerekenbare tekortkomingen van [eiseres] en op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Zij legt aan de tegenvordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [advocaat 1] op een cruciaal moment het verweer tegen de benoeming van een professioneel vereffenaar heeft gestaakt. Hiervoor is [eiseres] direct aansprakelijk. [eiseres] is alle kosten van [gedaagde] inzake het hoger beroep en de verzoeken bij de kantonrechter om aanwijzingen voor de vereffenaar en de actuele procedures die daaruit voort vloeien  aan [gedaagde] verschuldigd.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Ter zitting heeft [gedaagde] met een beroep op het bepaalde in artikel 22 Rv verzocht om overlegging van alle stukken door [eiseres] ter onderbouwing van haar standpunt dat er sprake is van een tekortkoming in de uitvoering van de opdracht. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Het verweer tegen de tegenvordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] betwist de tegenvordering en stelt dat de kantonrechter onbevoegd is om van de eis in reconventie kennis te nemen. Het betreft een vordering van € 50.000,00 en er is geen sprake van samenhang die zich verzet tegen afzonderlijke behandeling. Ook voert [eiseres] aan dat de rechtsgronden van de tegeneis ontbreken. Het is gissen voor [eiseres] waarop [gedaagde] zich baseert; een en ander lijkt te zijn gebaseerd op wanprestatie. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>
        [eiseres] doet een beroep op de vervaltermijn in haar algemene voorwaarden. Verder betwist zij dat de inhoud van de opdracht betrof “continuering van vereffenaarschap door [gedaagde] ”. [gedaagde] heeft [notaris] telkens losse adviesopdrachten met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap verstrekt. [advocaat 1] was in 2017 werkzaam bij [naam advocatenkantoor] en is ingeschakeld separaat van [notaris] of [eiseres] . Ook voldoet [gedaagde] niet aan stelplicht met betrekking tot de vermeende tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. [eiseres] betwist en weerlegt de vermeende tekortkomingen en verwijten. Voorts voert [eiseres] aan dat [gedaagde] de toerekenbaarheid, de schade en het causaal verband niet heeft uitgewerkt en onderbouwd. Ook ontbreekt een ingebrekestelling zodat er geen sprake kan zijn van verzuim. Tot slot is het bewijsaanbod van [gedaagde] niet concreet.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">de vordering</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Gedurende de periode dat [gedaagde] de afwikkeling van de nalatenschap van haar moeder verzorgde heeft zij meerdere malen opdrachten verstrekt aan [notaris] . De onderhavige factuur ziet op werkzaamheden in de periode augustus – september 2017. Anders dan [gedaagde] stelt betrof de opdracht aan de notaris in die periode niet “continuering vereffenaarschap [gedaagde] ’’. Immers, het is aan de rechtbank om te beslissen of een vereffenaar al dan niet wordt ontslagen en vervangen en niet aan een notaris. Daarbij komt dat niet [notaris] , maar [advocaat 1] [gedaagde] heeft bijgestaan in de procedure bij de rechtbank. Het standpunt dat [notaris] te kort is geschoten in de uitvoering van de opdracht omdat het vereffenaarschap niet door [gedaagde] is voortgezet kan daarom niet worden gevolgd.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>De onderhavige factuur ziet voornamelijk op de werkzaamheden van  [notaris] die zijn uitgevoerd na de benoeming van [advocaat 2] tot vereffenaar. Gelet op de in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie heeft [gedaagde] de hulp van [notaris] ingeschakeld bij de overdracht van de afwikkeling van de nalatenschap aan de opvolgend vereffenaar. Daartoe is de overdrachtsbespreking van 6 september 2017 voorbesproken, gehouden en nabesproken. [notaris] heeft daarbij naar het oordeel van de kantonrechter als goed opdrachtgever gehandeld. Daarbij merkt de kantonrechter op dat, anders dan uit [gedaagde] betoog lijkt te volgen, de vereffenaar een eigen, zelfstandige rol heeft zoals die volgt uit de wet en dat de invulling van die rol niet door [gedaagde] dan wel haar adviseurs wordt bepaald. [notaris] was als partij-notaris niet in de positie om de uitkomst van de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank naar zijn hand te zetten; het is immers de rechtbank die een dergelijke beslissing neemt.  Verder was [advocaat 1] als advocaat aanwezig bij de behandeling door de rechtbank en niet [notaris] , zodat de kantonrechter niet ziet wat [notaris] in dit verband kan worden verweten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Het verweer van [gedaagde] dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de opdracht faalt derhalve. De door [eiseres] gefactureerde werkzaamheden zijn door <?linebreak?>[notaris] uitgevoerd en dient [gedaagde] te betalen. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Doordat [gedaagde] de factuur niet tijdig heeft betaald maakt [eiseres] terecht aanspraak op de gevorderde rente.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen omdat door [eiseres] is voldaan aan de daartoe gestelde wettelijke vereisten. Het verweer van [gedaagde] dat incassowerkzaamheden onvoldoende hebben gezien op het bereiken van een minnelijke regeling faalt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] zal toewijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7.</nr>
      <parablock>
        <para>De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt. <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">de tegenvordering</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.8.</nr>
      <para>Gelet op de samenhang tussen de vordering en de tegenvordering is de kantonrechter bevoegd om kennis te nemen van het geschil in de tegenvordering.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.9.</nr>
      <para>Uit het oordeel in conventie volgt dat [notaris] niet tekort is geschoten in de uitvoering van de opdracht. De kantonrechter zal daarom de tegenvordering van [gedaagde] afwijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.10.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt. <?linebreak?><emphasis role="underline">beroep op artikel 22 Rv</emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.11.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft de kantonrechter ter zitting verzocht om [eiseres] te bevelen om alle bescheiden te overleggen. Hiertoe ziet de kantonrechter geen aanleiding.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">de vordering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 4.356,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.846,59 vanaf 1 november 2018 tot aan de dag van de gehele betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag vaststelt op:  </para>
        <para>dagvaarding	€	84,21</para>
        <para>griffierecht	€	486,00</para>
        <para>salaris gemachtigde	€	480,00;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4.</nr>
      <para>wijst de vordering voor het overige af;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">de tegenvordering</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.5.</nr>
      <para>wijst de vordering af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.6.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [eiseres] worden vastgesteld op een bedrag van € 721,00 aan salaris van de gemachtigde van [eiseres] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.7.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, mr. A.H.I. Hoogendam. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		De kantonrechter</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>