<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2019:5864</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-10T09:21:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">7531931</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:5864">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:5864</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-09T14:33:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2019:5864 Rechtbank Noord-Holland , 26-06-2019 / 7531931</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2019:5864:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Huurrecht. Gedaagde heeft zowel voor huurder als verhuurder bemiddeld. Bemiddelingskosten zijn na dagvaarding terugbetaald. Verschuldigdheid rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2019:5864:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Handel, Kanton en Insolventie</para>
    <para>locatie Haarlem</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknr./rolnr.: 7531931 CV EXPL 19-1930	</para>
      <para>Uitspraakdatum: 26 juni 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats]</para>
      <para>eiser</para>
      <para>verder te noemen: [eiser]</para>
      <para>gemachtigde: mr. H.W. Meijer (Florijn Incasso B.V.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam] </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] </para>
      <para>gedaagde  </para>
      <para>verder te noemen: [gedaagde] , </para>
      <para>procederend in persoon</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft bij dagvaarding van 4 februari 2019 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] en [medehuurster] (hierna: [medehuurster] ) hebben per 14 februari 2014 een huurovereenkomst gesloten met [verhuurder] voor de woning gelegen aan de [a-straat] te [woonplaats] .</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] trad op als contactpersoon voor de verhuurder.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [eiser] en [medehuurster] hebben aan [gedaagde] op 12 februari 2014 een bemiddelingsvergoeding van € 799,00 betaald.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij brief van 1 februari 2017 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:3099) gesommeerd de bemiddelingskosten als onverschuldigd betaald terug te betalen omdat [gedaagde] zowel voor de verhuurder als voor de huurder heeft bemiddeld.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Bij brieven van 8, 16 en 27 februari 2017 en 27 december 2018 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld en daarbij tevens aanspraak gemaakt op de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft bij email van 27 februari 2017 verklaard dat zij in haar administratie geen betaling kon terugvinden.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>
        [medehuurster] heeft [eiser] op 19 januari 2019 gemachtigd de aan [gedaagde] betaalde bemiddelingskosten mede namens haar terug te vorderen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Op 16 maart 2019 heeft [gedaagde] een bedrag van € 799,00 aan [medehuurster] teruggestort.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 799,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2014, dan wel 8 februari 2017, dan wel vanaf datum dagvaarding, en tot betaling van € 119,85 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum verzuim, alsmede in de proceskosten inclusief nakosten. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] bij de totstandkoming van de huurovereenkomst zowel voor de huurder als voor de verhuurder heeft bemiddeld en dat de in rekening gebrachte bemiddelingskosten daarom onverschuldigd zijn betaald.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] betwist de vordering (gedeeltelijk). Zij voert aan – samengevat – dat de bemiddelingskosten destijds niet door [eiser] , maar door diens toenmalige partner [medehuurster] zijn betaald en dat zij de bemiddelingskosten inmiddels – na dagvaarding -  aan [medehuurster] heeft terugbetaald. [gedaagde] betwist dat zij [eiser] iets verschuldigd is nu [medehuurster] eerder altijd telefonisch tegen [gedaagde] heeft gezegd dat zij hierin geen partij wilde zijn.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Nu [gedaagde] de hoofdsom inmiddels aan [medehuurster] heeft teruggestort draait de zaak alleen nog om de vraag of zij aan [eiser] ook de rente over de hoofdsom, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten is verschuldigd. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat om de navolgende reden het geval.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De huurovereenkomst is gesloten op naam van [medehuurster] en [eiser] gezamenlijk als huurder. De factuur van [gedaagde] van 10 februari 2014 (factuurnr. 2014027) voor de bemiddelingskosten was gericht aan “mw. [medehuurster] &amp; dhr. [eiser] ”. Op deze factuur is door [gedaagde] op 12 februari 2014 aangetekend dat de betaling door haar via de bank was ontvangen. Daarmee is erkend en staat dus vast dat de betaling van de bemiddelingskosten door [medehuurster] en [eiser] is gedaan. Dat de betaling vanaf de bankrekening van [medehuurster] is gedaan, zoals door [gedaagde] is gesteld, is niet relevant. [eiser] kon de mede door of namens hem onverschuldigd betaalde bemiddelingskosten van [gedaagde] terugvorderen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] gedeeltelijk zal toewijzen. Nu de hoofdsom inmiddels is voldaan heeft [eiser] aanspraak op de wettelijke rente over <?linebreak?>€ 799,00 vanaf datum verzuim (8 februari 2017) tot datum voldoening (16 maart 2019), alsmede op de buitengerechtelijke incassokosten ad € 119,85 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2017 tot aan de dag der voldoening.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt. De nakosten worden toegewezen, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt. De over de nakosten gevorderde rente wordt afgewezen omdat de vordering op dat punt niet duidelijk geformuleerd is.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over € 799,00 vanaf 8 februari 2017 tot 16 maart 2019, alsmede tot betaling van € 119,85 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 februari 2017 tot aan de dag der voldoening;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:</para>
        <para>dagvaarding	€	108,60</para>
        <para>griffierecht	€	231,00</para>
        <para>salaris gemachtigde	€	240,00 </para>
        <para>te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na datum vonnis tot aan de dag der voldoening	;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 60,00 aan nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>wijst de vordering voor het overige af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		De kantonrechter</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>