<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2019:4529</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-17T14:49:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/153727-17 rekest 19.002394</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:4529">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:4529</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-17T14:49:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2019:4529 Rechtbank Noord-Holland , 03-06-2019 / 15/153727-17 rekest 19.002394</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2019:4529:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Klaagschrift 552a Sv. Wat is de bevoegde instantie na instellen hoger beroep in hoofdzaak en terugwijzing beklagzaak naar de rechtbank door de Hoge Raad? HR DD 96.082 en DD 96.332.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2019:4529:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Alkmaar</para>
      <para>Enkelvoudige raadkamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Registratienummer: 19.002394 (terugverwijzing van 17.004761)</para>
      <para>Parketnummer: 15/153727-17</para>
      <para>Uitspraakdatum: 3 juni 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking</emphasis> (art. 552a Sv.)</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 19 februari 2019 heeft de Hoge Raad een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 24 juli 2017 (registratienummer 17.004761) vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank Noord-Holland zittingsplaats Alkmaar opdat het klaagschrift met registratienummer 17.004761 van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold smallcaps">
          [klager] </emphasis> ,</para>
      <para>
        [geboortedatum] , </para>
      <para>
        [woonplaats] ,</para>
      <para>domicilie kiezende de Roelof Hartstraat 31 te (1071 VG) Amsterdam, ten kantore van mr. S. Konya, advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>opnieuw wordt behandeld en afgedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 mei 2019 is dit klaagschrift op een openbare zitting in raadkamer behandeld. </para>
      <para>Voor klager is verschenen mr. S. Konya, voornoemd.</para>
      <para>Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. D. Sarian.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Beschikking rechtbank Noord-Holland d.d. 24 juli 2017 (nr. 17.004761) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij klaagschrift van 3 juli 2017 heeft klager tijdig verzocht om teruggave van de onder hem in beslag genomen honden.</para>
      <para>Bij beschikking van 24 juli 2017 heeft de rechtbank Noord-Holland het klaagschrift van klager, strekkende tot opheffing van het daarop gelegde beslag en met last tot teruggave aan klager van twee honden, type mix Stafford, ongegrond verklaard. De rechtbank achtte klager verantwoordelijk voor de verwaarlozing van de honden.</para>
      <para>Klager heeft bij akte d.d. 4 augustus 2017 cassatieberoep ingesteld.</para>
      <para>De rechtbank heeft alle stukken (inclusief het proces-verbaal van de zitting) op 24 augustus 2017 aan de Hoge Raad toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing in de hoofdzaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 14 december 2017 heeft de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, vonnis gewezen in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer. Klager is veroordeeld wegens het zich gedragen in strijd met een voorschrift gesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd. De twee in beslag genomen honden zijn door de politierechter bij die uitspraak verbeurd verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klager heeft bij akte van 15 december 2017 tegen het vonnis van de politierechter hoger beroep aangetekend. Uit het ter zitting besproken uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 mei 2019 van klager blijkt dat deze zaak bij het ressortsparket Amsterdam onder nummer 23/004427-17 vanaf 25 maart 2019 de status “dagvaarden” heeft. De officier van justitie en de raadsman konden ter zitting niet aangeven of er inmiddels nadien enige actie was ondernomen in deze zaak. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Beschikking Hoge Raad d.d. 19 februari 2019 (nr. S 17/03663 B) </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking van 19 februari 2019 heeft de Hoge Raad de beschikking d.d. 24 juli 2017 van de rechtbank Noord-Holland met registratienummer 17.004761 vernietigd omdat niet is gebleken dat de rechtbank bij haar beslissing de juiste maatstaf heeft toegepast. De rechtbank heeft niet overwogen dat en waarom het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. De bestreden beschikking is ontoereikend gemotiveerd. </para>
      <para>De zaak werd ter verdere afhandeling teruggewezen naar deze rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Bevoegdheid rechtbank </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Artikel 552a, derde lid, Wetboek van Strafvordering regelt de bevoegdheid van het gerecht in feitelijke aanleg om het klaagschrift in behandeling te nemen. Bevoegd is het gerecht waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Zodra het hoger beroep is ingesteld, wordt het gerechtshof de bevoegde instantie om over het ingevolge art. 552a Sv ingediende klaagschrift te oordelen (HR 24 oktober 1995, DD 96.082 en HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:148). De rechtbank is daarom op dit moment in beginsel niet langer bevoegd om op het klaagschrift te beslissen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Daar staat tegenover dat de Hoge Raad in zijn beslissing van 28 mei 1996 (slechts te kennen uit DD 96.336) heeft overwogen dat als een klaagschrift als bedoeld in art. 552a lid 1 Sv is ingediend bij de rechtbank waar de zaak wordt vervolgd, en die rechtbank met behandeling van het klaagschrift is aangevangen, de omstandigheid dat in de strafzaak waarin beslag is gelegd hoger beroep is ingesteld niet afdoet aan de bevoegdheid van de rechtbank op het klaagschrift te beslissen. Volgens die uitspraak zou de rechtbank in dit geval dus wel bevoegd zijn om op het klaagschrift te beslissen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De terugwijzing door de Hoge Raad moet – in het kader van de bevoegdheidsvraag – gelijk worden gesteld aan het indienen van een nieuw klaagschrift. Evenals bij het indienen van een nieuw klaagschrift moest door de rechtbank na terugwijzing immers nog een datum voor de behandeling worden bepaald en die mondelinge behandeling nog plaatsvinden.</para>
        <para>Met inachtneming van de omstandigheden van dit geval is de rechtbank van oordeel dat deze situatie het meest overeenkomt met die in de hiervoor onder 5.2 aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad. Die uitkomst zal daarom worden gevolgd. Dat betekent dat de rechtbank dus niet bevoegd is om op het klaagschrift te beslissen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Een andersluidende beslissing zou ertoe leiden dat de rechtbank zou dienen te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Verbeurdverklaring is een belang van strafvordering. Volgens de maatstaf die moet worden aangelegd dient de beklagrechter te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring zal overgaan. Dat is in deze zaak niet “niet hoogst onwaarschijnlijk”, maar zeker. De strafrechter <emphasis role="italic">heeft</emphasis> in de hoofdzaak de honden immers verbeurdverklaard. De rechtbank zou in dat geval dus slechts het klaagschrift ongegrond verklaren (waartegen klager dan weer cassatieberoep zou kunnen instellen). </para>
        <para>Het komt de rechtbank daarom geraden voor dat het gerechtshof zowel in de hoofdzaak als op het klaagschrift beslist.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Redelijke wetstoepassing brengt mee dat, indien het gerecht waarbij een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv is ingediend constateert dat het niet bevoegd is tot afdoening daarvan, dit gerecht bepaalt dat de griffier de stukken zal zenden naar het bevoegde gerecht <?linebreak?>(HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3499). De rechtbank zal de stukken daarom doorzenden naar het Gerechtshof Amsterdam.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart zich onbevoegd;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening van het klaagschrift zullen worden gezonden naar het Gerechtshof Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door</para>
      <para>mr. L.J. Saarloos, rechter, </para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.M.A. van der Meij, griffier, </para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>