<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2019:4217</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-15T19:35:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 19 _ 1732</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:4217">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:4217</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-20T16:07:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2019:4217 Rechtbank Noord-Holland , 10-05-2019 / AWB - 19 _ 1732</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2019:4217:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Als voorlopige voorziening is de termijn bekort om aan de last te voldoen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2019:4217:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Alkmaar</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: HAA 19/1732 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 10 mei 2019 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vereniging van Erfpachters en Eigenaren “ [naam 1] ”</emphasis>, te [plaats] , verzoekster</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R. Oosterbroek),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Schagen, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: M.J.A. Ruigrok).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: <emphasis role="bold">[naam bedrijf] Beheer V BV</emphasis>, te Warmenhuizen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij ( [naam bedrijf] ) een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot het perceel [het perceel] (het perceel) in Warmenhuizen. De last houdt in dat [naam bedrijf] binnen tien weken na 29 maart 2019:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>de activiteiten van de materieeldienst op het perceel dient te staken en gestaakt te houden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de beschoeiing aan de westzijde van het perceel dient te verwijderen en verwijderd te houden.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verzoekster en [naam bedrijf] hebben nog stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2019. Verzoekster is vertegenwoordigd door [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Derde-partij is vertegenwoordigd door [naam 5] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>schorst het primaire besluit voor zover daarbij de termijn om aan punt 1 van de last te voldoen is bepaald op tien weken na 29 maart 2019, treft als voorlopige voorziening dat deze termijn afloopt op 24 mei 2019 en bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt op de verzenddatum van de te nemen beslissing op het bezwaar van verzoekster;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan verzoekster te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.024,-.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Het gaat in deze procedure alleen om de bij het primaire besluit gestelde termijn om aan de last te voldoen. Volgens de rechtspraak mag deze termijn niet wezenlijk langer worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Bij het bepalen van de termijn heeft verweerder dus enige beslissingsruimte. Daarbij is alleen van belang of [naam bedrijf] binnen de termijn aan de last kan voldoen en niet of dat vanuit het perspectief van [naam bedrijf] op een zo gunstig mogelijke manier kan.</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder moet aannemelijk maken dat een termijn van tien weken redelijk is. Dat heeft hij niet gedaan. De toelichting van verweerder dat de beëindiging van de activiteiten binnen een kortere termijn voor meer overlast zou zorgen, is op geen enkele manier onderbouwd en is dus ook geen adequate onderbouwing van de termijn van tien weken. Daarnaast heeft [naam bedrijf] niet gezegd dat het beëindigen van de activiteiten niet sneller had gekund, maar alleen ter zitting verklaard op dit moment uit te gaan van een termijn van tien weken. Daarmee is ook niet gezegd dat de activiteiten niet alsnog eerder kunnen worden beëindigd. Verder heeft verzoekster geloofwaardig toegelicht dat forse overlast wordt ondervonden van de activiteiten, vooral bestaand uit geluidsoverlast.</para>
    <para />
    <para>3. Dit alles afwegend is het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat een termijn van tien weken een redelijke termijn is. De voorzieningenrechter zal de nu nog resterende termijn van vier weken daarom bekorten tot twee weken; deze loopt dan af op 24 mei 2019. Deze bekorting heeft alleen betrekking op punt 1 van de last, het staken en gestaakt houden van de activiteiten van de materieeldienst op het perceel, en niet op punt 2, omdat het verzoek en bezwaar daarop geen betrekking hebben.</para>
    <para />
    <para>4. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, draagt hij verweerder op het betaalde griffierecht aan verzoekster te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van €512,- en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier, op 10 mei 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>