<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2018:9683</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-12T13:16:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-10-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 18 _ 474</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:9683">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:9683</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-12T13:15:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2018:9683 Rechtbank Noord-Holland , 30-10-2018 / AWB - 18 _ 474</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2018:9683:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Minstverdienende partner heeft inkomen uit persoonsgebonden budget van kind. Extra bedrag aan kinderbijslag terecht afgewezen, omdat het inkomen van de minstverdienende partner te hoog was.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2018:9683:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 18/474</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">30 oktober 2018 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S.C.M. Rooijers).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 december 2017 heeft verweerder eiser bepaald dat hij over 2016 geen recht heeft op extra bedrag aan kinderbijslag. Bij besluit van 20 december 2017 heeft verweerder de te veel betaalde kinderbijslag, een bedrag van € 2.005,99, van eiser teruggevorderd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 1 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn echtgenote, [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser ontvangt dubbele kinderbijslag voor zijn dochter [dochter] , in verband met haar intensieve zorgbehoefte. Hij heeft een extra bedrag aan kinderbijslag aangevraagd. Bij de aanvraag heeft hij vermeld dat er een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen wordt.</para>
    <para />
    <para>3. Bij besluit van 2 februari 2017 heeft verweerder over 2016 de extra kinderbijslag bij wijze van voorschot aan eiser toegekend. In het besluit is opgenomen dat de definitieve beslissing genomen zal worden als de inkomensgegevens van de belastingdienst zijn ontvangen. </para>
    <para />
    <para>4. Op grond van de gegevens van de belastingdienst heeft verweerder geconcludeerd dat het inkomen van de partner van eiser in 2016 meer bedraagt dan € 4.881,-, waardoor geen aanspraak bestaat op de extra tegemoetkoming.  </para>
    <para />
    <para>5. Eiser voert aan dat hij niet heeft kunnen weten dat het pgb ook inkomen was. Eiser meent dat het pgb is bedoeld voor de zorgkosten voor zijn dochter. De SVB had meer informatie moeten verstrekken. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat de SVB voldoende informatie heeft verstrekt. Zo staat in de brief van 19 januari 2017 dat het pgb inkomen is en dat het inkomen van de minstverdienende partner minder dan € 4.881,- moet bedragen om aanspraak op het extra bedrag aan kinderbijslag te hebben. Ook het besluit waarbij het voorschot is toegekend, bevat daarover informatie. Verder is over dit onderwerp informatie te vinden op de website van de SVB. </para>
    <para />
    <para>7. Eiser voert verder aan dat de SVB ook de persoonlijke omstandigheden had moeten betrekken in de besluitvorming. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat niet voldaan is aan de voorwaarde dat het inkomen van de minstverdienende partner minder dan € 4.881,- bedraagt. Dan bestaat geen recht op de extra tegemoetkoming. De SVB heeft niet de ruimte om naar persoonlijke omstandigheden te kijken en een belangenafweging te maken, omdat de wet die ruimte niet biedt. </para>
    <para />
    <para>9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzitter, mr. M.E. Fortuin en  mr. E.G. van Roest, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							voorzitter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>