<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2018:8306</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-10T18:44:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-09-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">279107</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PS-Updates.nl 2018-0823</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:8306">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:8306</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-12T11:36:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2018:8306 Rechtbank Noord-Holland , 24-09-2018 / 279107</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2018:8306:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Klacht tegen dwangbehandeling. Reglement van instelling verplicht niet tot schorsing dwangbehandeling na indienen klacht. Overigens voldoet de beslissing tot dwanghandeling aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Klacht ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2018:8306:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Familie en Jeugd</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak-/rekestnr.: 	279107  </para>
      <para>datum beschikking: 	24 september 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Klachtprocedure ex art. 41a lid 5 van de Wet Bopz</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BESCHIKKING</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,</para>
      <para>wonende te [woonadres] ,</para>
      <para>thans verblijvende in [verblijfadres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>die ingevolge een voorlopige machtiging van de rechtbank Noord-Holland –locatie Alkmaar- met ingang van 26 juni 2018 verblijft in bovengenoemd psychiatrisch ziekenhuis, strekkende tot gegrondverklaring van zijn klacht met betrekking tot dwangbehandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verzoeker] zal hierna worden aangeduid als “verzoeker” en GGZ Noord-Holland Noord als “de instelling”.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 25 juli 2018 is verzoeker door [verweerster] als behandelverantwoordelijke (hierna ook: verweerster) geïnformeerd over het besluit dat wordt overgegaan tot dwangbehandeling in de vorm van medicatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft op 30 juli 2018 een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de instelling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster heeft een verweerschrift ingediend bij de klachtencommissie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker en verweerster hebben hun standpunt tijdens de mondelinge behandeling van de  klacht op 8 augustus 2018 nader toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De klachtencommissie heeft de klacht behandeld op 8 augustus 2018 ongegrond verklaard. De daarvan opgemaakte schriftelijke beslissing is op 17 augustus 2018 aan verzoeker verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 september 2018 is ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift van verzoeker  ingekomen, voorzien van een aantal van dein artikel 41a lid 5 jo. van de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) bedoelde bijlagen.</para>
      <para>Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank de klacht van verzoeker over de toepassing van de dwangbehandeling gegrond zal verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 24 september 2018 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierbij waren aanwezig:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verzoeker </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          [verweerster] , psychiater in opleiding,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          [psychiater 1] , psychiater.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten waarvan de rechtbank uitgaat</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beoordeling van het verzoekschrift gaat de rechtbank uit van de volgende -niet of onvoldoende- betwiste feiten, blijkend uit de gedingstukken en uit de tijdens de mondelinge behandeling verkregen informatie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker is de afgelopen jaren vanuit een ambulant zorgkader enkele malen kortdurend behandeld in verband met een psychotische stoornis in combinatie met een autismespectrumstoornis. Gedurende deze ambulante behandeling heeft verzoeker een periode met goed effect een antipsychoticum gebruikt, maar daarmee is hij later op eigen initiatief gestopt. De antipsychotica die hem daarna door behandelaars zijn voorgeschreven, heeft klager nooit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 26 juni 2018 is klager op grond van een voorlopige machtiging opgenomen in de instelling. Hierbij is overwogen dat verzoeker lijdt aan een psychotische stoornis en dat deze stoornis verzoeker gevaar doet veroorzaken, te weten dat hij maatschappelijk te gronde gaat, dat hij zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen en het gevaar voor de psychische gezondheid van een ander.</para>
      <para>Gedurende de opname weigert klager nog steeds (medicamenteuze) behandeling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 17 juli 2018 is door [arts in opleiding tot psychiater] , arts in opleiding tot psychiater (onder supervisie van psychiater [psychiater 2] ) in het kader van een second opinion ten behoeve van dwangbehandeling geconcludeerd dat er geen alternatief is voor het starten met dwangbehandeling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 25 juli 2018 is klager schriftelijk dwangbehandeling aangezegd, voor de duur van maximaal drie maanden, omdat zonder behandeling ontslag binnen een redelijke termijn niet mogelijk is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 1 augustus 2018 is vervolgens met het toedienen van dwangmedicatie gestart.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker verzoekt de rechtbank de klacht tegen de dwangbehandeling alsnog gegrond te verklaren. Aan de oorspronkelijke klachtonderdelen heeft verzoeker toegevoegd dat de instelling de uitvoering van de dwangbehandeling had moeten schorsen na indiening van zijn klacht. Tevens heeft verzoeker in dat kader de toekenning van een schadevergoeding verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De instelling handhaaft de beslissing tot dwangbehandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van de klacht</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Uitgangspunt in het (gezondheids)recht vormt het zelfbeschikkingsrecht, zoals dit ook is verankerd in artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 11 van de Grondwet.</para>
        <para>Hierin is echter eveneens bepaald dat door de wetgever uitzonderingen op dit grondrecht kunnen worden gemaakt. De wetgever heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt in de Wet Bopz. Op grond van de Wet Bopz mag - onder meer- inbreuk worden gemaakt op dat zelfbeschikkingsrecht, en mag derhalve dwang worden toegepast, wanneer aan de in die wet genoemde voorwaarden is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het onderhavige geval is door de psychiater gebruik gemaakt van de aan haar in artikel 38c van de Wet Bopz toegekende bevoegdheid om dwangbehandeling toe te passen op de grond dat zonder behandeling ontslag binnen een redelijke termijn niet mogelijk is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bevoegdheid behandelaar</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De klachtencommissie heeft vastgesteld dat het in de instelling gebruikelijk is dat de behandeling van een patiënt wordt uitgevoerd door een psychiater, die als regiebehandelaar optreedt, in samenwerking met een arts (in opleiding tot psychiater), die als coördinerend behandelaar verantwoordelijk is voor de dagelijkse behandeling van de patiënt. </para>
        <para>In dit geval van verzoeker is [verweerster] , die werkervaring heeft in de psychiatrie en in opleiding is tot psychiater, als dagelijks coördinerend behandelaar bij de behandeling van verzoeker betrokken. Daarbij handelt zij onder supervisie van de regiebehandelaar, psychiater [psychiater 1] .</para>
        <para>Mevrouw [verweerster] heeft bij alle stappen die hebben geleid tot de beslissing om dwangbehandeling te starten, alsmede het indienen van de aanvraag daartoe en het opstellen van de aanzegginsbrief, overleg gevoerd met de regiebehandelaar en in overeenstemming met hem gehandeld. Onder deze omstandigheden is de rechtbank – evenals de commissie – van oordeel dat de beslissing om tot dwangbehandeling over te gaan, is genomen door een bevoegd behandelaar in de zin van de Wet Bopz.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Schorsende werking klacht</emphasis>.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Verzoeker heeft aangevoerd dat de beslissing van de klachtencommissie onjuist is, omdat het protocol van de instelling niet is gevolgd. Dat protocol schrijft volgens verzoeker voor dat het indienen van een klacht leidt tot schorsing van de dwangbehandeling en dat de dwangbehandeling dus niet mag wordt ingezet of voortgezet totdat de klachtencommissie heeft beslist.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het geldende Reglement van de klachtencommissie van de Stichting GGZ Noord-Holland-Noord luidt – voor zover relevant – als volgt:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Artikel 5.2 </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Klager kan een verzoek tot schorsing van de maatregel waarop de klacht betrekking heeft indienen. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…) </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- Bij Bopz-klachten dient een schorsingsverzoek aan de klachtencommissie gericht te worden. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 8.13 </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De commissie kan beslissingen, waartegen o.g.v. art. 41 Bopz een klacht is ingediend, schorsen. Het besluit tot schorsing kan door de voorzitter in overleg met een lid psychiater worden genomen. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 10.3 </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De zorgaanbieder kan een besluit waartegen een klacht is gericht, onafhankelijk van een eventuele uitspraak van de klachtencommissie daarover, schorsen.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit deze bepalingen volgt dat zowel de klachtencommissie na verzoek van de klager, als de zorgaanbieder (lees: behandelaar) een dwangbehandeling <emphasis role="italic">kan</emphasis> schorsen, maar een  verplichting daartoe is er niet. Dat houdt in dat de behandelaar een ingezette dwangbehandeling mag voortzetten, totdat de klachtencommissie anders heeft beslist.</para>
        <para>Het standpunt van verzoeker is daarom onjuist en de klacht is op dit onderdeel ongegrond.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De dwangbehandeling zelf</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De klachtencommissie heeft op dit klachtonderdeel het volgende overwogen:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Verweerster heeft gemotiveerd uiteengezet dat aannemelijk is dat de symptomen van klager uitsluitend met behulp van antipsychotica kunnen worden behandeld. Zonder adequate medicamenteuze behandeling zullen de stoornis en de daarmee samenhangende symptomen zich onverminderd voortzetten en kan het gevaar niet worden weggenomen. Daardoor is ontslag uit de instelling binnen redelijke termijn niet mogelijk. Klager weigert echter de aangeboden antipsychotica te gebruiken. In het licht van het vorenstaande is de commissie van oordeel dat geen andere mogelijkheid resteert dan over te gaan tot dwangbehandeling in de vorm van dwangmedicatie met risperidon. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De commissie is verder van oordeel dat de dwangbehandeling proportioneel en doelmatig is. Op verschillende wijzen en door het aanbieden van verschillende soorten antipsychotica is geprobeerd om klager te motiveren voor behandeling en het gebruik van medicatie. Dat is echter niet gelukt. In het verleden zijn antipsychotica effectief gebleken om de symptomen van klager te verminderen en het uit de stoornis voortvloeiende gevaar af te wenden. Gelet hierop is het gebruik van een antipsychoticum dan ook de meest aangewezen therapie.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dat oordeel wordt door de rechtbank onderschreven. Daar komt nog het volgende bij.</para>
        <para>Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoekschrift is voor de rechtbank duidelijk geworden dat de op 1 augustus 2018 ingezette dwangbehandeling ook effect sorteert. Als voorbeelden werden genoemd dat het tempo van denken van verzoeker is verbeterd, dat er een betere sociale omgang is, dat verzoeker weer meer geïnteresseerd is in zijn omgeving en dat zijn zelfzorg is verbeterd. De rechtbank heeft dat gedeeltelijk ook zelf kunnen constateren.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de beslissing om de dwangbehandeling te starten op goede gronden berust en zorgvuldig is genomen met inachtneming van de beginselen van doelmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voorts is de rechtbank van oordeel dat de voortzetting van de dwangbehandeling in het licht van de op dit moment geldende omstandigheden ook thans nog voldoet aan wat in artikel 38c eerste lid van de Wet Bopz is bepaald.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Schadevergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Gezien de hiervoor vermelde overwegingen, bestaat voor het toekennen van schadevergoeding geen aanleiding.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De klacht van verzoeker dient ongegrond te worden verklaard.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de klacht ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Aldus gegeven te Alkmaar op 24 september 2018 door mr. L.J. Saarloos, rechter, voor de behandeling van burgerlijke zaken in bovengenoemde rechtbank, in tegenwoordigheid van C.K.C. Diederich-Paternotte, als griffier.</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para />
              <para />
              <para />
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>