<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2018:11813</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-03T09:20:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/279172 / HA ZA 18-633</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:11813">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:11813</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-03T09:19:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2018:11813 Rechtbank Noord-Holland , 21-11-2018 / C/15/279172 / HA ZA 18-633</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2018:11813:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Misbruik van recht omdat eisers geen belang hebben bij verwijdering van een de overhangende dakgoot van de nieuwe schuur van hun buren.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2018:11813:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e5cb64ea-011a-4fcc-b094-7691ab674e46" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="1c40dfd3-591c-4c4f-8c2f-6815fb38c11e" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Handel, Kanton en Insolventie</para>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/15/279172 / HA ZA 18-633</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 29 mei 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>
      [eiser/verweerder1],</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>2.	<emphasis role="bold">[eiser/verweerder2]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eisers in conventie,</para>
      <para>verweerders in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. S.L. Fronik te Haarlem,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde/eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>gedaagde in conventie,</para>
      <para>eiseres in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. N.D. Wassink te Zoetermeer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eisers/verweerders] en [gedaagde/eiser] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 21 november 2018</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van comparitie van 1 april 2019.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eisers/verweerders] zijn eigenaar van het perceel aan het adres [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [nummer].  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde/eiser] is eigenaar van het perceel [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [nummer]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De zijkant van het perceel van [eisers/verweerders] grenst aan de achterzijde van het perceel van [gedaagde/eiser]. De achterzijde van de percelen van de buren van [gedaagde/eiser] grenzen eveneens aan de zijkant van het perceel van [eisers/verweerders] De erfafscheiding tussen het perceel van [eisers/verweerders] enerzijds en de percelen van [gedaagde/eiser] en haar buren anderzijds wordt gevormd door betonnen palen met een stalen hekwerk, wat de vorige eigenaar van het perceel van [eisers/verweerders] in 1953 heeft laten plaatsen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het dak van het woonhuis van [eisers/verweerders] hangt over de percelen van [gedaagde/eiser] en haar buren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [gedaagde/eiser] heeft [eisers/verweerders] in 2017 op de hoogte gesteld van haar voornemen om de op haar perceel staande schuur te vervangen. De bouw is aangevangen in juni 2017, en deze was in augustus 2017 afgerond. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eisers/verweerders] hebben op 12 september 2017 het volgende aan [gedaagde/eiser] geschreven:</para>
        <para>"[…]</para>
        <para>Wij zijn van mening dat jullie op/boven onze grond gebouwd hebben, waardoor er voor ons een onwenselijke situatie is ontstaan. Inmiddels hebben wij met een jurist contact gezocht met de vraag om naar de ontstane situatie te kijken en juridisch te toetsen.</para>
        <para>[…]"</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [eisers/verweerders] hebben op 19 oktober 2017 een offerte aangevraagd voor het uitvoeren van schilderwerk aan hun woning. De schilder heeft hun daarop laten weten geen offerte te kunnen uitbrengen, omdat het voor hem onmogelijk is om bij de daklijst te komen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 30 oktober 2017 heeft een medewerkster van DAS Rechtsbijstand namens [eisers/verweerders] aan [gedaagde/eiser] het volgende geschreven:</para>
        <para>"[…]</para>
        <para>Onlangs heeft u een vergunningsvrije schuur geplaatst dicht bij de woning van cliënten. U heeft om dit te realiseren het hekwerk dat naast de woning van cliënten stond verwijderd. Cliënten hebben hierover met u gesproken, omdat dit voor hen een onwenselijke situatie is. […] Cliënten zijn door het in bezit hebben van de grond voor een periode van minimaal 20 jaar eigenaar geworden van het stuk grond waar het hekwerk stond. […]</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Inbreuk eigendomsrecht</emphasis>
        </para>
        <para>Cliënten kunnen door het plaatsen van de schuur hun eigendom niet meer onderhouden. Het is onmogelijk om onderhoud te plegen aan hun dakgoten en zijmuur. Hierdoor pleegt u een inbreuk op het eigendomsrecht van cliënten. </para>
        <para>Namens cliënten verzoek ik u mij binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief schriftelijk te bevestigen dat u de schuur gaat verplaatsen, dan wel gaat aanpassen, zodat cliënten onderhoud kunnen plegen aan hun eigendommen.</para>
        <para>[…]"</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>In de correspondentie die nadien is gevoerd, heeft [gedaagde/eiser] het standpunt ingenomen dat bij de bouw van de schuur de erfgrens tussen het perceel van [eisers/verweerders] en het perceel van [gedaagde/eiser] niet is overschreden. [gedaagde/eiser] heeft daarbij aangeboden beugels op het dak van haar nieuwe schuur aan te brengen, zodat de toegankelijkheid tot de dakgoot en daklijst van [eisers/verweerders] voor hen wordt vergroot. [eisers/verweerders] zijn niet op dit aanbod ingegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <bridgehead role="bold">in conventie</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eisers/verweerders] vordert – samengevat, na vermindering van eis – veroordeling van [gedaagde/eiser] om binnen 14 dagen na vonniswijzing het dak van de nieuwe schuur af te breken, voor zover dit boven het erf van [eisers/verweerders] en onder het dak van de woning van [eisers/verweerders] is gebouwd, op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [eisers/verweerders] daar niet aan voldoen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde/eiser] voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in voorwaardelijke reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde/eiser] vordert – samengevat, voor zover de vordering in conventie wordt toegewezen – een erfdienstbaarheid te vestigen waarbij de bestaande situatie wordt gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        [eisers/verweerders] voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <bridgehead role="bold">in conventie en voorwaardelijke reconventie</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Na vermindering van de eis van [eisers/verweerders] met de aanvankelijk primair gevorderde veroordeling van [gedaagde/eiser] om de schuur af te breken, resteert in conventie de vordering tot afbraak van de dakgoot, voor zover deze op het perceel van [eisers/verweerders] overhangt. [gedaagde/eiser] heeft dit laatste ook erkend. Ongeacht het aantal centimeters waarmee de dakgoot overhangt maakt [gedaagde/eiser] met de overhang een inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers/verweerders], zodat sprake is van een onrechtmatige situatie. De vordering van [eisers/verweerders] tot verwijdering van de dakgoot is daarom in beginsel toewijsbaar, tenzij [eisers/verweerders] met hun vordering tot afbraak misbruik maken van hun bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [eisers/verweerders] stellen dat van misbruik van bevoegdheid geen sprake is, omdat zij door de overhang niet meer in staat zijn onderhoudswerkzaamheden aan het dak en de zijmuur van hun woning te (laten) uitvoeren. Gezien de erkenning van [eisers/verweerders] ter comparitie staat echter vast dat [eisers/verweerders] in het verleden nimmer onderhoudswerkzaamheden aan het dak hebben laten verrichten. Verder is gebleken dat voor [eisers/verweerders] met de bouw van de nieuwe schuur van [gedaagde/eiser] de mogelijkheid tot het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden niet zijn beperkt. Voordien was het voor [eisers/verweerders] al niet mogelijk vanaf hun eigen perceel via de buitenkant van hun woning het dak te bereiken, aangezien de steeg tussen de percelen van [eisers/verweerders] enerzijds en [gedaagde/eiser] en haar buren anderzijds dusdanig smal is dat het onmogelijk is om vanaf het perceel van [eisers/verweerders] een ladder in een veilige hoek tegen hun woning  te plaatsen. Slechts met plaatsing van de ladder op het perceel van de buren kon [eisers/verweerders] in het verleden mogelijk via een ladder de dakgoot van hun woning te bereiken. Het perceel van [gedaagde/eiser] leende zich daar evenwel niet voor, omdat daarop de oude schuur stond, die niet geschikt was om erop te staan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        [eisers/verweerders] hebben geen andere feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen blijken dat de overhangende dakgoot enige beperking voor hen oplevert in het onderhoud van de zijmuur van hun woning. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Waar [eisers/verweerders] niet hebben betwist dat bij toewijzing van de vordering in conventie [gedaagde/eiser] met een ingrijpende en kostbare verbouwing zullen worden geconfronteerd, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een onevenredigheid tussen het belang van [eisers/verweerders] bij de uitoefening van hun bevoegdheid en het belang van [gedaagde/eiser] dat daardoor wordt geschaad, die maakt dat [eisers/verweerders] niet in redelijkheid tot uitoefening van haar bevoegdheid kan komen. De conclusie is dat [eisers/verweerders] met hun vordering misbruik maken van hun bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW. De vordering tot afbraak zal daarom worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De vordering in voorwaardelijke reconventie hoeft geen bespreking of beslissing omdat niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder deze is ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>
        [eisers/verweerders] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde/eiser] worden begroot op:</para>
      <para>- griffierecht		291,00</para>
      <para>- salaris advocaat	<emphasis role="underline">	1.086,00</emphasis> (2,0 punten × tarief € 543,00)</para>
      <para>Totaal	€ 	1.377,00</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eisers/verweerders] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde/eiser] tot op heden begroot op € 1.377,00,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2019.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>