<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2018:10845</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T20:33:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-12-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/279789 FT RK 18.1391</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Prg. 2019/33</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:10845">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:10845</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-12T13:33:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2018:10845 Rechtbank Noord-Holland , 11-12-2018 / C/15/279789 FT RK 18.1391</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2018:10845:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WSNP Dat de weigering door de gemeente om schuldhulp te verlenen gelijk gesteld dient te worden met het mislukken van het minnelijk traject, volgt de rechtbank niet. Gelet op het bepaalde in artikel 285 lid 1 onder f jo artikel 288 lid 2 onder b Fw kan een verzoek op grond van artikel 284 lid 1 Fw slechts worden toegewezen als bij dat verzoek een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, is overgelegd. In hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier van af te wijken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2018:10845:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND		      afwijzing schuldsaneringsregeling</bridgehead>
    <para>Handel, Kanton en Insolventie</para>
    <para>Zittingsplaats Alkmaar</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: C/15/279789 FT RK 18.1391</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van 11 december 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [schuldenaar],</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>schuldenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Op 05 oktober 2018 is ter griffie van deze rechtbank binnengekomen het verzoekschrift met bijlagen van schuldenaar strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Ter zitting van 29 november 2018 is schuldenaar, bijgestaan door mr. [A.], op het verzoek gehoord. Het proces-verbaal van de zitting wordt hier als ingelast beschouwd.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening (EG) 2015/848 betreffende insolventieprocedures van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van schuldenaar in Nederland ligt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op grond van het bepaalde in artikel 285 lid 1 onder f van de Faillissementswet (Fw) dient in het verzoekschrift of in een daarbij te voegen bijlage te worden opgenomen een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker beschikt. Deze verklaring is niet overgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Ter zitting heeft schuldenaar verklaard dat hij, in verband met een uitzichtloze financiële situatie, zich bij de gemeente heeft gemeld maar dat zijn verzoek om te worden geholpen door de schuldhulpverlener niet in behandeling is genomen. Vervolgens heeft schuldenaar zich tot mr. [A.] gewend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Uit artikel 285 lid 1 onder f Fw jo artikel 48 lid 1 WCK volgt dat mr. [A.] ook de verklaring ex artikel 285 Fw kan afgeven, hetgeen door hem ter zitting is bevestigd. Ook door mr. [A.] is echter geen verklaring overgelegd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De rechtbank stelt dan ook vast dat het minnelijk traject – zoals bedoeld in genoemd wetsartikel – niet is doorlopen, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Het standpunt van mr. [A.], dat de weigering door de gemeente om schuldhulp te verlenen gelijk gesteld dient te worden met het mislukken van het minnelijk traject, volgt de rechtbank niet. Gelet op het bepaalde in artikel 285 lid 1 onder f jo artikel 288 lid 2 onder b Fw kan een verzoek op grond van artikel 284 lid 1 Fw slechts worden toegewezen als bij dat verzoek een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, is overgelegd. In hetgeen door mr. [A.] is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier van af te wijken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr K.  van Dijk en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 11 december 2018.<footnote-ref linkend="_9afbbd63-4acf-47fd-940e-43117e379199" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_9afbbd63-4acf-47fd-940e-43117e379199" label="1">
    <para> Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>