<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2018:10493</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-06T11:21:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/148123-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:10493">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:10493</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-06T11:21:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2018:10493 Rechtbank Noord-Holland , 26-11-2018 / 15/148123-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2018:10493:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>beschikking artikel 552a Sv.</para>
        <para>beslag.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2018:10493:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Haarlem</para>
      <para>Enkelvoudige raadkamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Registratienummer: 18-007490</para>
      <para>Parketnummer: 15.148123.18</para>
      <para>Uitspraakdatum: 26 november 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking</emphasis> (art. 552a Sv.)</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van de procedure</title>
    <para>Op 14 september 2018 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, ingekomen een klaagschrift, gedateerd 14 september 2018 van mr. L.M.E. Kleczewski, gemachtigde van </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold smallcaps">
          [naam klaagster] </emphasis>
        <emphasis role="bold smallcaps">, </emphasis>klaagster,</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Frans-Guyana),</para>
      <para>thans gedetineerd in [adres huis van bewaring] ,</para>
      <para>domicilie kiezende te [adres] , </para>
      <para>ten kantore van mr. L.M.E. Kleczewski, advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het klaagschrift strekt tot opheffing van het daarop gelegde beslag, met last tot teruggave aan klaagster van:</para>
      <para>-  € 1.000,00</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 19 november 2018 is dit klaagschrift op een openbare zitting in raadkamer behandeld. </para>
      <para>Voor klaagster is verschenen mr. Kleczewski,voornoemd.</para>
      <para>Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. J.M. Lengers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van het verhandelde ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de stukken en het verhandelde in raadkamer stelt de rechtbank het volgende vast. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 25 juli 2018 is het onder klaagster aangetroffen geldbedrag van in totaal € 1.425,- op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in beslag genomen. Op 8 augustus 2018 is ten laste van klaagster, na daartoe verkregen machtiging (die de rechtbank overigens niet bij de stukken heeft aangetroffen) conservatoir beslag gelegd op genoemd geldbedrag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw van klaagster heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat er tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op 5 november 2018 geen verbeurdverklaring van dit geldbedrag is gevorderd. Wel heeft de officier van justitie naast een gevangenisstraf een geldboete geëist ter hoogte van het in beslag genomen geldbedrag. Dit lijkt een verkapte verbeurdverklaring en is volgens de raadsvrouw niet geëigend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klaagster niet ontvankelijk is in haar klaagschrift nu de meervoudige kamer van deze rechtbank in de strafzaak vandaag uitspraak zal doen. Er is daarmee al een beslissing over het beslag genomen. Subsidiair heeft de officier van justitie verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan klaagster. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete zal opleggen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan de officier van justitie is klaagster ontvankelijk in haar klaagschrift. Dat de behandeling van dit klaagschrift en de uitspraak in de strafzaak tegen klaagster op dezelfde dag plaatsvinden, staat aan de ontvankelijkheid niet in de weg. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv, dient de rechter marginaal te onderzoeken:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van een verdenking of een veroordeling van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete zal opleggen. </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat klaagster bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 19 november 2018 wegens opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 37 maanden met aftrek van de tijd de zij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aldus is aan de hiervoor onder a genoemde voorwaarde voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de vraag of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, klaagster de verplichting tot betaling van een geldboete zal opleggen, stelt de rechtbank het volgende voorop. In zaken tegen drugskoeriers op Schiphol  ten aanzien van wie bewezen is verklaard dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan de opzettelijke in- of uitvoer van harddrugs (artikel 2 onder A van de Opiumwet) worden door deze rechtbank vrijwel altijd in overeenstemming met de zogenoemde oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (al dan niet deels voorwaardelijke) gevangenisstraffen opgelegd die passen bij de hoeveelheid aangetroffen drugs. Het opleggen van een geldboete wordt, mede gelet op de veelal weinig rooskleurige financiële situatie van de betrokken personen die tot het plegen van een dergelijk feit overgaan, niet als een passende sanctie beschouwd. Dit betekent dat de rechtbank het naar de huidige praktijk en gelet op (de hoogte van) de door de meervoudige kamer van deze rechtbank aan klaagster opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, hoogst onwaarschijnlijk acht dat klaagster in het kader van de strafzaak de verplichting tot betaling van een geldboete zal worden opgelegd.    </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht verder voldoende aannemelijk geworden dat het deel van het inbeslaggenomen geld waarvan klaagster teruggave verzoekt aan haar toebehoort. </para>
      <para>De rechtbank zal dan ook gelasten dat dit geld aan klaagster dient te worden teruggegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing </title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het klaagschrift gegrond, heft op het daarop gelegde beslag en gelast de teruggave aan klaagster van een geldbedrag, groot € 1.000,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum </emphasis>
      </para>
      <para>Deze beschikking is gegeven door</para>
      <para>mr. M. Hoendervoogt, rechter, </para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. E. Boes, griffier, </para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beschikking.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>