<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2017:6399</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-27T09:30:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-07-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-05-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/256809 / KG ZA 17-227</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2017:6399">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2017:6399</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-27T09:29:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2017:6399 Rechtbank Noord-Holland , 22-05-2017 / C/15/256809 / KG ZA 17-227</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2017:6399:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vonnis in kort geding over wijziging zorgregeling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2017:6399:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="a10821d9-64de-4acb-8380-e5d03916c055" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="1d836813-65b2-454f-ab10-356a7495904f" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
      <para>Sectie Handel &amp; Insolventie </para>
      <para>Zittingsplaats Alkmaar</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/15/256809 / KG ZA 17-227</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 22 mei 2017</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vrouw]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [plaats] ,</para>
      <para>eiseres in conventie,</para>
      <para>verweerster in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. M.P.G. Roobeek te Mijdrecht,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de man]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [plaats] ,</para>
      <para>gedaagde in conventie,</para>
      <para>eiser in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. M.L. Molenaar te Noord-Scharwoude.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding met producties; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van de man van 2 mei 2017 houdende een eis in reconventie en producties; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van de vrouw van 4 mei 2017 houdende producties 8 tot en met 10; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 8 mei 2017 en alwaar zijn verschenen: de vrouw in persoon bijgestaan door mr. Roobeek en de man in persoon bijgestaan door mr. Molenaar;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitnota van mr. Molenaar. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is het vonnis bepaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De uitgangspunten </title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Partijen zijn op [datum] een geregistreerd partnerschap aangegaan, welk partnerschap op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2014. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De minderjarige: [de minderjarige] geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] (hierna: de minderjarige) is tijdens het geregistreerd partnerschap van partijen geboren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De man heeft de minderjarige erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarige. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Partijen zijn in een ouderschapsplan dat aan de beschikking van de 19 maart 2014 van deze rechtbank is gehecht, het volgende overeengekomen: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“ [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats is bij de moeder en gaat 1 keer in de 2 weken voor een weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot en met zondagavond 18.30 uur naar de vader. Verdere omgang gaat in overleg tussen de ouders.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Vervolgens hebben partijen nadere afspraken gemaakt over de vakantieregeling die zijn opgenomen in de beschikking van 6 juli 2016 van deze rechtbank. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil in conventie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para>- de man veroordeelt tot nakoming van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals bij beschikking van 19 maart 2014 is opgenomen, met dien verstande dat ook het halen en brengen van de minderjarige voor rekening van de man komt, met veroordeling van de man tot betaling van een dwangsom van € 500,- voor ieder keer dat hij, na betekening van het vonnis, in gebreke blijft aan het vorenstaande te voldoen, dit met een maximum van </para>
      <para>€ 30.000,-;</para>
      <para>- een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) te gelasten, waarbij de Raad onderzoek dient te doen naar de meest passende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;</para>
      <para>- de man te veroordelen in de kosten van het geding;</para>
      <para>- althans een beslissing te nemen die de voorzieningenrechter juist acht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De vrouw legt – samengevat – aan haar vordering ten grondslag dat de man zich niet aan de zorgregeling houdt. De vrouw stelt dat de man de omgangsmomenten naar eigen inzicht wijzigt. Dit heeft recent tot een incident geleid, waarbij de vrouw zich genoodzaakt zag om de politie in te schakelen om de minderjarige weer thuis te krijgen. Daarbij heeft de man eenzijdig besloten om geen zorg meer te dragen voor het halen en brengen, terwijl partijen mondeling hebben afgesproken dat de man de minderjarige voorafgaand aan de omgang ophaalt en haar na de omgang weer terugbrengt zoals de man ook drieënhalf jaar lang heeft gedaan. Voorts stelt de vrouw dat de minderjarige last heeft van de conflicten tussen partijen. Om deze reden is een Raadsonderzoek volgens de vrouw noodzakelijk, zodat de Raad kan adviseren wat het meest in het belang van de minderjarige is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De man voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil in reconventie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De man vordert dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para>- de vorderingen van de vrouw afwijst;</para>
      <para>- te bepalen dat de zorgregeling zoals neergelegd in het ouderschapsplan, totdat in een bodemprocedure anders wordt beslist dan wel tussen partijen in onderling overleg wordt gewijzigd, met onmiddellijke ingang wordt gewijzigd in die zin dat de minderjarige bij de man zal verblijven eenmaal in de twee weken van vrijdag 17.00 uur waarbij de vrouw de minderjarige naar de man brengt tot maandag naar school waarbij de man en/of zijn partner de minderjarige naar school brengt, althans subsidiair tot zondag 19.00 waarbij de man de minderjarige naar de vrouw brengt;</para>
      <para>- te bepalen dat de vrouw de vastgestelde zorgregeling dient na te komen, op straffe van een dwangsom van € 250,- per keer dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, </para>
      <para>- de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De man legt - samengevat - aan zijn vordering ten grondslag dat de vrouw de zorgregeling meermalen niet is nagekomen. Het is onder meer voorgekomen dat de vouw de minderjarige voorafgaand aan een omgangsmoment ziek heeft gemeld bij de man, terwijl de minderjarige niet ziek was. De man vordert om deze reden om een dwangsom te koppelen aan de zorgregeling die zal gelden. Voorts vordert de man een regeling voor het halen en brengen te bepalen. Volgens de man is het halen en brengen van de minderjarige een belangrijke bron van conflicten. De man stelt dat partijen hier geen afspraken over hebben gemaakt. Volgens de man eist de vrouw van hem dat hij haalt en brengt. Dit is voor de man in de praktijk vaak lastig te combineren met zijn werk. Daarbij is man van mening dat het verdelen van het halen en brengen ook in pedagogisch opzicht beter zou zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De vrouw voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling in conventie en reconventie </title>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter zal de vorderingen in conventie en reconventie gelet op hun onderlinge samenhang gevoegd behandelen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De reguliere zorgregeling </emphasis>
        </para>
        <para>De voorzieningenrechter stelt voorop dat uitgangspunt is dat de minderjarige contact heeft met beide ouders en dat dit contact in beginsel in het belang van de minderjarige is. De voorzieningenrechter constateert dat partijen elkaar over en weer verwijten de geldende  zorgregeling niet naar behoren na te komen. Ter onderbouwing van hun stellingen verwijzen partijen naar een aantal incidenten, waar zij een verschillende lezing over hebben. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de communicatie tussen partijen te wensen overlaat, hetgeen partijen zelf ook erkennen. Partijen zijn niet in staat om ad hoc met elkaar te overleggen over een eventuele afwijking van de zorgregeling en daarnaast wantrouwen zij elkaar over en weer. Hoewel de voorzieningenrechter de wijze waarop partijen zich ten opzichte elkaar opstellen schadelijk acht voor de minderjarige, is uit hetgeen door partijen is gesteld en aangevoerd niet gebleken dat er contra-indicaties zijn voor de omgang op zich. Evenmin is gesteld of gebleken dat de duur dan wel de frequentie van de zorgregeling niet in het belang van de minderjarige zou zijn. Gelet hierop en op de omstandigheid dat partijen hulpverlening in het vrijwillig kader ontvangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat een onderzoek door de Raad geen meerwaarde heeft en de vrouw geen belang heeft bij haar vordering dienaangaande. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat er geen bodemprocedure is gestart waarin de Raad zou kunnen rapporteren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de door de man in reconventie gevorderde uitbreiding van de zorgregeling overweegt de voorzieningenrechter dat begrijpelijk is dat de man de minderjarige voor een langere periode bij zich wil hebben, maar dat de man niet heeft gesteld waarom een uitbreiding bij wijze van voorlopige voorziening thans noodzakelijk is. </para>
        <para>De voorzieningenrechter is van oordeel dat een uitbreiding met een overnachting, een substantiële uitbreiding betreft waarvoor op dit moment gelet op de verstoorde verstandhouding tussen partijen geen basis is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een uitbreiding tot zondag 19.00 uur, zoals subsidiair door de man is gevorderd, wel in het belang van de minderjarige. Het betreft slechts een uitbreiding van een half uur waardoor dit geen grote verandering voor de minderjarige betreft, maar waardoor de minderjarige wel rustig haar avondeten kan opeten bij de man en de minderjarige en de man het omgangsweekend rustig kunnen afronden. Aangezien de vrouw desgevraagd heeft meegedeeld dat de minderjarige om 19.30 uur naar bed gaat, staat voornoemde uitbreiding van de zorgregeling daar niet aan in de weg. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Halen en brengen </emphasis>
        </para>
        <para>Vast staat dat partijen in het ouderschapsplan geen afspraken over het halen en brengen hebben gemaakt. De stelling van de vrouw dat de man verantwoordelijk is voor het halen en brengen omdat dit mondeling door partijen is afgesproken en de man dit feitelijk de afgelopen drieënhalf jaar heeft gedaan, is door de man betwist. De man heeft aangevoerd dat dit door de vrouw van hem werd verwacht en dat de man dit om conflicten te voorkomen heeft gedaan. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vrouw ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld dat er aan haar zijde geen praktische bezwaren zijn om het halen dan wel brengen voor haar rekening te nemen. De voorzieningenrechter overweegt dat niet alleen gebruikelijk is dat het halen en brengen gelijk tussen de ouders wordt verdeeld, maar ook dat het zoals door de man terecht is aangevoerd door pedagogen wordt aanbevolen om de minderjarige naar de andere ouder te brengen, omdat de minderjarige op deze wijze emotionele toestemming krijgt om naar de andere ouder te gaan. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat de vrouw de minderjarige eenmaal per twee weken op vrijdagmiddag om 17.00 uur naar de man toebrengt en de man de minderjarige op zondag om 19.00 uur naar de vrouw terugbrengt. Om te voorkomen dat er nieuwe spanningen tussen partijen ontstaan, dienen zij zich tot het uiterste in te spannen om deze regeling stipt na te komen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dwangsom </emphasis>
        </para>
        <para>De voorzieningenrechter acht het in belang van de minderjarige dat partijen de zorgregeling nakomen, zodat de minderjarige weet waar zij aan toe is en incidenten in de toekomst worden voorkomen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een dwangsom te verbinden aan de zorgregeling en zal de voorzieningenrechter bepalen dat partijen een dwangsom van € 50,- verbeuren voor elke overtreding van de zorgregeling. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
        <para>De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd in zaken waarbij het geschil voortkomt uit de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie hebben gehad en zal de proceskosten in de onderhavige zaak dan ook compenseren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing </title>
    <bridgehead role="bold">in conventie en reconventie: </bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter bepaalt dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de reguliere omgang voorlopig zal worden gewijzigd, in die zin dat de man met ingang vanaf heden de minderjarige: [de minderjarige] geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] eenmaal per twee weken voor een weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot en met zondagavond 19.00 uur bij zich heeft, waarbij de vrouw de minderjarige naar de man brengt en de man de minderjarige bij de vrouw terugbrengt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>bepaalt dat partijen een dwangsom verbeuren van € 50,- voor elke overtreding van de onder 6.1. genoemde regeling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten van dit geding, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>weigert de meer of anders gevorderde voorziening. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.A. Lengyel op 22 mei 2017.<footnote-ref linkend="_fb5c51ab-47b8-445a-a3b7-cda0df0c92c9" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_fb5c51ab-47b8-445a-a3b7-cda0df0c92c9" label="1">
    <para>DL/JG</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>