<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2017:5798</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-24T16:24:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-07-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBNHO:2017:4651</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-05-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/247523/HA ZA 16-539</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2017:5798">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2017:5798</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-07-12T08:47:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-07-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2017:5798 Rechtbank Noord-Holland , 24-05-2017 / C/15/247523/HA ZA 16-539</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2017:5798:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bruikleenovereenkomst. Mogelijkheid opzegging bruikleenovereenkomst voor onbepaalde tijd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2017:5798:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ce021a55-4da9-426b-8d56-e09944debef3" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="5259096a-8562-4f8d-ad3b-b87d8d74c2f9" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
      <para>Zittingsplaats Alkmaar</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/15/247523 / HA ZA 16-539</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 24 mei 2017</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. J.J. de Boer te Hoorn (NH),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde] ,</title>
    <parablock>
      <para>2.	<emphasis role="bold">[gedaagde]</emphasis>,</para>
      <para>beiden wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>advocaat mr. W.J.M. Loomans te Hoorn (NH).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 19 oktober 2016</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van [eiser] van 28 maart 2017 met producties 24-26</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van [gedaagde] van 30 maart 2017 met producties C1 en C2</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van comparitie en descente van 12 april 2017 en de daarin genoemde stukken.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Tussen de Gebroeders [gedaagde] Beheer B.V. (hierna: Beheer B.V.) en [gedaagde] is op 15 januari 1997 een huurovereenkomst gesloten voor het woongedeelte op de eerste en hoger gelegen verdiepingen (hierna: het gehuurde) van het pand aan de [adres ] te [woonplaats] (hierna: het pand). [gedaagde] woont al vele jaren in het gehuurde.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Beheer B.V. was een vennootschap van [gedaagde] en zijn broer [broer] . De broers hebben een handel in verlichting gedreven, maar hebben ruzie gekregen en hun onderneming gestaakt. Zij spreken al jaren niet meer met elkaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De ruimte gelegen op de begane grond van het pand was tot omstreeks 2008 in gebruik als bedrijfsruimte. Na staking van de onderneming heeft [gedaagde] de begane grond privé in gebruik genomen voor de opslag van spullen en het stallen van fietsen etc. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op de begane grond bevinden zich de put van de watermeter (vlak achter de voorgevel) en de CV-ketel (die ook de verwarming van de bovengelegen verdiepingen regelt). In de entreehal (achter de voordeur naar de trap van de bovenwoning) zit de meterkast met daarin de gasmeter en de groepenkast van de elektra.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [eiser] is de schoonzoon van [broer] . [broer] heeft het pand in het najaar van 2011 aan [eiser] verkocht, zonder [gedaagde] daarin te kennen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Bij brief van 5 januari 2012 heeft [eiser] aan [gedaagde] verzocht het pand op 25 januari 2012 leeg op te leveren. [gedaagde] heeft daaraan geen gehoor gegeven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Tussen de broers (en [eiser] ) is vanaf januari 2012 bij deze rechtbank geprocedeerd. Daarbij heeft [gedaagde] mede namens Beheer B.V. onder meer gevorderd dat de rechtbank de koopovereenkomst met [eiser] ongedaan zal maken. De rechtbank heeft deze vordering afwezen bij eindvonnis van 16 september 2015. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft in een afzonderlijke procedure bij deze rechtbank (sector kanton) onder meer gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van de begane grond van het pand. Bij vonnis van 3 maart 2014 heeft de kantonrechter deze vordering afgewezen. De kantonrechter heeft ten aanzien van de begane grond geoordeeld dat sprake is van een bruikleenovereenkomst, aangegaan tussen [gedaagde] en Beheer B.V. die geacht moet worden te zijn overgenomen en voortgezet door [eiser] als rechtsopvolger van Beheer B.V., dat de grondslag van de vordering van [eiser] hierdoor is komen weg te vallen en de gevorderde ontruiming dus niet kan worden toegewezen. Partijen zijn niet in hoger beroep gekomen van dit vonnis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Bij e-mail van 6 januari 2016 heeft [eiser] [gedaagde] bericht voornemens te zijn [gedaagde] de benedenverdieping te laten ontruimen. Bij brief van 28 januari 2016 heeft [eiser] de bruikleenovereenkomst per 1 maart 2016 opgezegd en [gedaagde] verzocht om de ruimte op de begane grond te ontruimen. Aan dit verzoek heeft [gedaagde] geen gehoor gegeven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft vervolgens in kort geding veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van de ruimte op de begane grond gevorderd. Bij vonnis van 18 juli 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [gedaagde] veroordeeld om binnen één maand na schriftelijke sommatie van [eiser] de ruimte op de begane grond van het pand te ontruimen, doch uitsluitend indien en nadat [eiser] van de gemeente [woonplaats] in enigerlei vorm toestemming heeft verkregen voor het gebruik van het pand voor de door hem beoogde doeleinden (bestemming als te exploiteren atelier/workshopruimte/galerie ten behoeve van zijn echtgenote) en [eiser] vóór de ontruiming van de begane grond ervoor zorg heeft gedragen dat de zelfstandige toegang van [gedaagde] tot de CV-ketel en nutsvoorzieningen ten behoeve van het gehuurde verzekerd is en het energieverbruik van [gedaagde] afzonderlijk kan worden berekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Het vonnis in kort geding heeft [eiser] aanleiding gegeven een bodemzaak te starten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om de benedenverdieping van het pand binnen 48 uur na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, de kosten van ontruiming en de nakosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] legt aan zijn vordering, samengevat, ten grondslag dat hij de bruikleenovereenkomst met inachtneming van een redelijke termijn en derhalve rechtsgeldig heeft opgezegd. [gedaagde] diende de benedenruimte voor 1 maart 2016 te ontruimen, maar heeft dat nagelaten. Volgens [eiser] maakt [gedaagde] zonder recht of titel gebruik van de benedenruimte en daarmee inbreuk op zijn eigendomsrecht. Deze inbreuk hoeft hij niet te dulden. Hij is eigenaar van het pand en wil zelf over de benedenruimte beschikken. [eiser] heeft belang bij een spoedige ontruiming, nu hij de ruimte ter beschikking wil stellen aan zijn echtgenote, die hobbykunstenares is en de begane grond van het pand wil gebruiken als plek om te schilderen en als atelier/expositieruimte. Het pand is daarvoor uitermate geschikt, nu de [adres ] bekend staat als de kunst en curiosa (antiek)straat van [woonplaats] . [eiser] stelt verder dat hij inmiddels voor het gebruik van de begane grond tot atelier en expositieruimte de benodigde omgevingsvergunning van de gemeente heeft ontvangen, maar dat zijn echtgenote door de weigerachtige houding van [gedaagde] noodgedwongen elders een ruimte voor haar activiteiten heeft moeten huren. Dit terwijl [gedaagde] de ruimte slechts als rommelhok gebruikt en er voor de opslag van zijn spullen voldoende passende alternatieven voorhanden zijn. </para>
        <para>Volgens [eiser] staan de nutsvoorzieningen op de begane grond, die voor de toevoer van water, elektra en gas naar de bovenverdieping zorgen, niet aan de gevorderde ontruiming in de weg. [eiser] stelt dat hij naar de mogelijkheid van splitsing van de nutsvoorzieningen onderzoek heeft laten verrichten door een bouwkundig onderlegd makelaar en dat hieruit naar voren is gekomen dat met relatief eenvoudige technische maatregelen het mogelijk is om de nutsvoorzieningen te scheiden. In dit verband wijst [eiser] op een als productie 7 overgelegd bericht van M. van der Meulen, register makelaar/taxateur, die op 9 juni 2016 een opname van het pand heeft gedaan. Daarmee stelt [gedaagde] gevolg te hebben gegeven aan de door de voorzieningenrechter gestelde voorwaarden voor de ontruiming.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. [gedaagde] stelt, samengevat, primair dat de opzegging van de bruikleenovereenkomst door [eiser] niet het gewenste effect heeft gesorteerd, zodat de bruikleenovereenkomst nog steeds voortduurt. Volgens [gedaagde] brengen de omstandigheden van het geval met zich dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Van een dergelijke zwaarwegende grond is hier geen sprake. [gedaagde] wijst in dit verband onder meer op het feit dat hij de ruimte al heel lang gebruikt, dat hij na ontruiming geen plaats meer heeft voor zijn fietsen, dat de nutsvoorzieningen van de beneden- en bovenverdieping zijn verknoopt, dat er geen noodzaak is voor [eiser] om de ruimte als hobbyruimte voor zijn echtgenote in gebruik te laten nemen, dat deze ruimte ongeschikt is voor het beoogde gebruik en dat dit gebruik bovendien in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. [gedaagde] is er niet van overtuigd dat, gelet op de hiervoor benodigde investeringen, [eiser] de ruimte zelf in gebruik gaat nemen. </para>
        <para>Subsidiair stelt [gedaagde] dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat zijn belang bij behoud van de berging en toegang tot de nutsvoorzieningen dient te prevaleren. </para>
        <para>Indien de rechtbank wél beslist tot ontruiming, verzoekt [gedaagde] hem meer tijd, het liefst tot 1 januari 2018, te geven voor het zoeken van een alternatief, alsook om aan de ontruimingsbeslissing de voorwaarde te verbinden, inhoudende dat indien [eiser] binnen een jaar na ontruiming zijn plan om van de begane grond een verblijfsruimte te maken niet heeft waargemaakt [gedaagde] weer gebruik mag maken van de begane grond.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 3 maart 2014 geoordeeld dat ten aanzien van het gebruik van de begane grond van het pand sprake is van een bruikleenovereenkomst als bedoeld in artikel 7A:1777 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. Daarmee staat vast (en is ook onomstreden) dat tussen partijen een bruikleenovereenkomst sui generis, zonder specifieke bedingen, geldt. Deze bruikleen-overeenkomst is aan te merken als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Vaststaat dat [eiser] bij brief van 28 januari 2016 de bruikleenovereenkomst tegen 1 maart 2016 heeft opgezegd. Partijen zijn verdeeld over de vraag of [eiser] de bruikleenovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Vaste rechtspraak is dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst in beginsel opzegbaar is, ook indien, zoals hier, de wet en die overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, NJ 2012/685 en HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163, NJ 2013/341).</para>
        <para>Aan dit uitgangspunt heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 15 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:660) toegevoegd dat dit niet wegneemt dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar kan zijn, met dien verstande dat de wederpartij van degene die zich op de niet-opzegbaarheid beroept, onder omstandigheden daartegen een beroep kan doen op, kort gezegd, de artikelen 6:248 lid 2 BW en 6:258 BW. De stelplicht en bewijslast van de niet-opzegbaarheid rusten bij de opgezegde partij.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde] stelt zich primair op het standpunt dat de redelijkheid en billijkheid in dit geval verplichten tot het bestaan van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging van de bruikleenovereenkomst. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De rechtbank neemt daarbij in aanmerking, net als de voorzieningenrechter, dat het hier alleen het gebruik van een bergruimte voor de stalling van fietsen en wat andere spullen van [gedaagde] betreft waar geen geldelijke tegenprestatie tegenover staat. Tijdens de descente is dat ook vastgesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank neemt verder de navolgende omstandigheden in aanmerking. Vaststaat dat [eiser] inmiddels beschikt over een onherroepelijke omgevingsvergunning voor het gebruik van de begane grond als atelier en expositieruimte. Dat [eiser] voor de noodzakelijke verbouwing geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd (en deze dus ook niet is verleend) en de ruimte op de begane grond niet voldoet aan de relevante eisen van het Bouwbesluit, zoals [gedaagde] stelt, maakt niet dat [eiser] geen concrete plannen voor ingebruikname heeft, nog daargelaten dat [gedaagde] deze door [eiser] betwiste stellingen op geen enkele wijze heeft onderbouwd. [eiser] heeft een huurcontract in het geding gebracht, gesloten tussen de gemeente [woonplaats] en zijn echtgenote, met als ingangsdatum 1 maart 2017, waaruit blijkt dat zijn echtgenote op dit moment een ruimte huurt, die zij nodig heeft voor gebruik als atelier. Verder heeft [eiser] ter zitting en tijdens de descente gemotiveerd naar voren gebracht waarom en op welke wijze hij op korte termijn de benedenverdieping wil verbouwen en gebruiken. </para>
        <para>Hoewel de rechtbank begrijpt dat [gedaagde] gezien de recente geschiedenis twijfel heeft over de bedoelingen van [eiser] , heeft [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [eiser] de benodigde investeringen niet gaat doen en zijn vermeende plannen niet ten uitvoer zal brengen. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] een concreet, actueel belang heeft bij opzegging van de bruikleenovereenkomst. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Voor zover [gedaagde] wijst op de ‘verknoopte’ nutsvoorzieningen overweegt de rechtbank dat daarbij wordt gedoeld op de water- en gasmeter, de groepenkast van de elektra en de CV-ketel op de begane grond. Evident is dat [gedaagde] over gas, water en stroom moet kunnen blijven beschikken net zoals op dit moment het geval is; dat is zijn recht als huurder. Het door [gedaagde] gestelde belang bij behoud van de <emphasis role="underline">toegang</emphasis> tot de nutsvoorzieningen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te oordelen dat [eiser] niet bevoegd was tot opzegging.</para>
        <para>Als uitgangspunt heeft te gelden, mede gelet op hetgeen de rechtbank tijdens de descente heeft waargenomen, dat deze nutsvoorzieningen (inclusief de CV-ketel) in beginsel na ontruiming in ongewijzigde vorm kunnen blijven zitten. Het huurgenot van [gedaagde] wordt hierdoor niet aangetast; [gedaagde] beschikt ook na ontruiming nog steeds over water, gas, elektra en verwarming in zijn woning. Verder heeft [eiser] in de dagvaarding het aanbod gedaan om de CV-ketel beneden te laten hangen en om [gedaagde] toegang te verschaffen indien dat nodig is. Als [eiser] om hem moverende redenen de nutsvoorzieningen wil aanpassen (met o.a. tussenmeters) en/of wil uitbreiden (de groepenkast) in verband met de verbouwing van de ruimte tot atelier/expositieruimte staat het hem dat als eigenaar van het pand vrij. Deze kosten komen wel voor zijn rekening.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft nog een alternatief gepresenteerd waarbij de benedenverdieping zodanig wordt ingericht dat hij een (kleine) opslagruimte met een zelfstandige toegang behoudt. Daartoe heeft [gedaagde] een tekening overgelegd (productie 22). </para>
        <para>De rechtbank constateert dat deze tekening niet op schaal is. Tijdens de descente is het de rechtbank duidelijk geworden dat van een reëel alternatief geen sprake is, nu de voorgestelde aanpassing van [gedaagde] nauwelijks een ingang voor een atelier/expositieruimte overlaat. </para>
        <para>Verder kan [gedaagde] de omstandigheid dat hij niet over vervangende ruimte voor zijn fietsen beschikt, niet aan [eiser] tegenwerpen. [gedaagde] dient er al sinds januari 2016 rekening mee te houden dat hij het gebruik van de ruimte moet beëindigen. [gedaagde] heeft dus ruimschoots gelegenheid gehad zich daarop voor te bereiden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Voor zover [gedaagde] zich subsidiair op grond van artikel 6:248 lid 2 BW op de niet-opzegbaarheid van de bruikleenovereenkomst beroept, kan dit beroep niet slagen. De omstandigheden die [gedaagde] in dit verband heeft aangevoerd zijn dezelfde als die hij aan zijn primaire verweer ten grondslag heeft gelegd en zijn, gelet op wat hiervoor is overwogen, onvoldoende om te oordelen dat [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet tot opzegging van de bruikleenovereenkomst had kunnen overgaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [eiser] de bruikleenovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. Hoewel het begrijpelijk is dat een ontruiming voor [gedaagde] , gezien zijn langdurige gebruik van de ruimte, zuur is, blijft overeind dat een eigenaar van de zaak ingevolge artikel 5:2 BW bevoegd is om haar van een ieder die haar zonder recht of titel houdt, hetgeen hier het geval is, op te eisen. </para>
        <para>De gevorderde ontruiming is daarom toewijsbaar. Wat [gedaagde] hierover verder nog heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>De rechtbank acht de gevorderde ontruimingstermijn van 48 uur na betekening van dit vonnis echter te kort, maar de door [gedaagde] verzochte termijn komt de rechtbank weer te ruim voor. De rechtbank zal bepalen dat ontruimd dient te worden binnen drie maanden na betekening van dit vonnis. Hierbij wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat [gedaagde] enige tijd nodig zal hebben om zijn spullen te verhuizen en in vervangende opslagruimte te voorzien. Een dringende reden aan de zijde van [eiser] om de ontruiming op kortere termijn te laten plaatsvinden is niet aannemelijk geworden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Voor het verbinden van de door [gedaagde] voorgestelde voorwaarde aan de ontruimingsbeslissing ziet de rechtbank geen grond, nu daartoe voldoende feitelijke grondslag ontbreekt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:</para>
      <para>- dagvaarding	€ 	97,94</para>
      <para>- griffierecht		288,00</para>
      <para>- salaris advocaat	<emphasis role="underline">	1.356,00</emphasis> (3,0 punten × tarief € 452,00)</para>
      <para>Totaal	€ 	1.741,94</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De gevorderde vergoeding van de kosten van ontruiming wordt als onweersproken eveneens toegewezen, zij het dat [eiser] uiteraard pas tot ontruiming mag overgaan, als [gedaagde] dat niet tijdig zelf heeft gedaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagden om de benedenverdieping van het pand aan de [adres ] te [woonplaats] binnen drie maanden na betekening van dit vonnis met al de hunnen en de hunne te ontruimen en ontruimd te houden,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.741,94, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagden in de kosten van ontruiming, indien gedaagden daartoe niet zelf binnen drie maanden na betekening van dit vonnis zijn overgegaan,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagden niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2017.<footnote-ref linkend="_baf0001e-db4d-4017-9dd2-72342900aed5" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_baf0001e-db4d-4017-9dd2-72342900aed5" label="1">
    <para>type: ST</para>
    <para>coll: LS</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>