<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2016:5961</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-07-19T10:37:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/820324-16 en 16-003166</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2016:5961">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2016:5961</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-07-19T10:35:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2016:5961 Rechtbank Noord-Holland , 08-07-2016 / 15/820324-16 en 16-003166</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2016:5961:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Meervoudige raadkamer; bezwaarschrift tegen de afwijzing van de rechter-commissaris op het verzoek van de verdediging om een getuige te horen.</para>
      <para />
      <para>De rechter-commissaris heeft in zijn afwijzende beslissing d.d. 23 mei 2016 met toepassing van het criterium dat de rechter-commissaris het verzoek slechts dan afwijst ‘indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enig in de strafzaak te nemen beslissing’ – zakelijk weergegeven – geoordeeld, dat uit de onderbouwing van het verzoek tot het horen van de getuige niet kan worden opgemaakt dat het horen van hem van belang is voor enige in deze strafzaak uit hoofde van artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Hierbij is volgens de rechter-commissaris van belang dat:</para>
      <para />
      <para>“Een verhoor van [getuige] als getuige zal in deze feiten geen verandering kunnen brengen. Gelet hierop en nu naar het oordeel van de rechter-commissaris op grond van deze feiten en de jurisprudentie over het bestanddeel “opzettelijk” in de zin van artikel 2, onder A, juncto artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet (met name wat betreft de onderzoeksplicht van een reiziger ten aanzien van zijn of haar bagage), een voorwaardelijk opzet-constructie zeer wel voorstelbaar is – welke beslissing vanzelfsprekend aan de zittingsrechter is – is de rechter-commissaris van oordeel dat op dit moment onvoldoende is onderbouwd dat een verhoor van [getuige] kan bijdragen aan enige in deze strafzaak te nemen beslissing.”</para>
      <para />
      <para>Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de rechter-commissaris het juiste criterium heeft gehanteerd bij de beoordeling van het verzoek.</para>
      <para />
      <para>Vervolgens is de vraag aan de orde of de rechter-commissaris in redelijkheid tot de afwijzende beslissing heeft kunnen komen. De rechtbank is met de rechter-commissaris van oordeel dat het horen van de gevraagde getuige [getuige] niet van belang is voor enige in deze strafzaak uit hoofde van artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissing. De rechter-commissaris heeft dan ook in alle redelijkheid kunnen komen tot de afwijzing op het verzoek van bezwaarde. </para>
      <para />
      <para>De rechtbank is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2016:5961:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Haarlemmermeer</para>
      <para>Meervoudige raadkamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Registratienummer: 16-003166 </para>
      <para>Parketnummer: 15/820324-16</para>
      <para>Uitspraakdatum: 8 juli 2016</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking</emphasis> (ex artikel 182 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering)</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van de procedure</title>
    <para>Op 23 mei 2016 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, ingekomen een door mr. T.H. Kapinga, advocaat ingediend bezwaarschrift gedateerd 23 mei 2016, van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[bezwaarde]</emphasis>
        <emphasis role="bold smallcaps">, </emphasis>bezwaarde,</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Rwanda), </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,</para>
      <para>thans gedetineerd binnen het Detentiecentrum Schiphol (JCS),</para>
      <para>voor deze gelegenheid domicilie kiezende te (2023 AD) Haarlem, Schotersingel 153,</para>
      <para>ten kantore van mr. T.H. Kapinga, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bezwaarschrift is gericht tegen de afwijzende beslissing van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank d.d. 23 mei 2016, inhoudende dat het verzoek tot het horen van getuige <emphasis role="bold">[getuige]</emphasis> is afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 8 juli 2016 is dit bezwaarschrift in raadkamer achter gesloten deuren behandeld. </para>
      <para>Bezwaarde is in persoon verschenen en werd bijgestaan door mr. C.M. Casteleijns, advocaat te Haarlem. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. C.C.A. Bos-van Hasselt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van het verhandelde ter terechtzitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak tegen bezwaarde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Ontvankelijkheid van bezwaarde in zijn bezwaarschrift</title>
    <para>Bij beschikking van 23 mei 2016 heeft de rechter-commissaris voornoemd verzoek tot het horen van de getuige gemotiveerd afgewezen. Namens bezwaarde heeft de raadsman op 23 mei 2016 een bezwaarschrift tegen deze beschikking ingediend. De rechtbank stelt vast dat, overeenkomstig de wettelijke voorschriften het bezwaarschrift binnen veertien (14) dagen na de beslissing van de rechter-commissaris is ingediend, mitsdien tijdig. Op 29 juni 2016 is verdachte in persoon gedagvaard in de onderliggende strafzaak. Aangezien het bezwaarschrift voorafgaand aan die datum is ingediend, is er nog geen sprake van een situatie waarin een dergelijk verzoek aan de zittingsrechter voorgelegd had dienen te worden (vgl. ECLI:NL:RBROT:2013:BZ9514). Bezwaarde kan derhalve in zoverre in haar bezwaarschrift worden ontvangen.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Standpunt van de verdediging </title>
    <para>De raadsvrouw van bezwaarde heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar gegrond dient te worden verklaard, nu het horen van getuige [getuige] van belang is voor enige in de strafzaak te nemen beslissing. Daartoe heeft de raadsvrouw allereerst aangevoerd, dat de gevraagde getuige de enige is die kan verklaren of hij, dan wel enig ander persoon de heroïne in de koffer heeft gestopt, of dat hij enig idee heeft hoe deze heroïne in de koffer van bezwaarde is beland. Mocht de getuige deze heroïne in de koffer hebben gestopt of mocht hij verklaren dat iemand anders dit heeft gedaan, dan komt hieruit naar voren dat bezwaarde geen wetenschap had van de aanwezigheid van de heroïne in de koffer hetgeen van belang is voor de vraag of sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Voorts wordt gesteld dat het verzoek onvoldoende concreet gemotiveerd is, maar bezwaarde heeft de naam van de getuige, een wijk, een stad en een land van waar de getuige woonachtig is verstrekt. Dat zij geen straatnaam weet is omdat zij er niet bekend is, maar de autoriteiten kunnen op grond van deze informatie het woonadres van de getuige onderzoeken.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Standpunt van de officier van justitie </title>
    <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard, nu het horen van de getuige niet van belang is voor enige in de strafzaak te nemen beslissing. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Oordeel van de rechtbank </title>
    <para>De rechter-commissaris heeft in zijn afwijzende beslissing d.d. 23 mei 2016 met toepassing van het criterium dat de rechter-commissaris het verzoek slechts dan afwijst ‘indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enig in de strafzaak te nemen beslissing’ – zakelijk weergegeven – geoordeeld, dat uit de onderbouwing van het verzoek tot het horen van de getuige niet kan worden opgemaakt dat het horen van hem van belang is voor enige in deze strafzaak uit hoofde van artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Hierbij is volgens de rechter-commissaris van belang dat:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Een verhoor van [getuige] als getuige zal in deze feiten geen verandering kunnen brengen. Gelet hierop en nu naar het oordeel van de rechter-commissaris op grond van deze feiten en de jurisprudentie over het bestanddeel “opzettelijk” in de zin van artikel 2, onder A, juncto artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet (met name wat betreft de onderzoeksplicht van een reiziger ten aanzien van zijn of haar bagage), een voorwaardelijk opzet-constructie zeer wel voorstelbaar is – welke beslissing vanzelfsprekend aan de zittingsrechter is – is de rechter-commissaris van oordeel dat op dit moment onvoldoende is onderbouwd dat een verhoor van [getuige] kan bijdragen aan enige in deze strafzaak te nemen beslissing.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Memorie van Toelichting bij de Wet versterking positie rechter-commissaris valt in paragraaf 5.2.2. <emphasis role="italic">(Het verrichten van onderzoekshandelingen op verzoek van de verdachte)</emphasis> te lezen dat in de voorgestelde regeling van artikel 182 Sv de rechter-commissaris het daarin bedoelde verzoek afwijst ‘<emphasis role="italic">indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing</emphasis>’.<footnote-ref linkend="_a1f15230-c0d2-4a03-b125-ec95a0444f1a" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de rechter-commissaris het juiste criterium heeft gehanteerd bij de beoordeling van het verzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens is de vraag aan de orde of de rechter-commissaris in redelijkheid tot de afwijzende beslissing heeft kunnen komen. De rechtbank is met de rechter-commissaris van oordeel dat het horen van de gevraagde getuige [getuige] niet van belang is voor enige in deze strafzaak uit hoofde van artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissing. De rechter-commissaris heeft dan ook in alle redelijkheid kunnen komen tot de afwijzing op het verzoek van bezwaarde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing </title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het bezwaarschrift ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum </emphasis>
      </para>
      <para>Deze beschikking is gegeven door:</para>
      <para>mr. W.J. van Andel, voorzitter, </para>
      <para>mr. W. Veldhuijzen van Zanten en mr. E.M. van Poecke, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare raadkamerzitting van vrijdag 8 juli 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. W. Veldhuijzen van Zanten en mr. E.M. van Poecke zijn buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_a1f15230-c0d2-4a03-b125-ec95a0444f1a" label="1">
    <para> Memorie van Toelichting bij de Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten tot versterking van de positie van de rechter-commissaris, Kamerstukken II, 2009-2010, 32177, nr. 3. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>