<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2016:5634</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:59:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-06-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">4733482</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR 2016/2111</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2016-0808</rdf:li>
          <rdf:li>VAAN-AR-Updates.nl 2016-0808</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2016:5634">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2016:5634</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-07-19T11:50:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2016:5634 Rechtbank Noord-Holland , 01-06-2016 / 4733482</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2016:5634:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Betalingsverplichting werkgever in het kader van BBL-leerweg. CAO voor het Kappersbedrijf.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2016:5634:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Afdeling Privaatrecht</para>
    <para>Sectie Kanton – locatie Haarlem</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknr./rolnr.: 4733482 \ CV EXPL 16-292</para>
      <para>Uitspraakdatum: 1 juni 2016</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>, </para>
      <para>eiseres</para>
      <para>verder te noemen: [eiseres]</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.A. Hupkes</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>de vennootschap onder firma [de vof] , </title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Beverwijk </para>
      <para>gedaagde  </para>
      <para>verder te noemen: [de vof] </para>
      <para>gemachtigde: [naam]</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr> [gedaagde sub 2] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te Hoofddorp</para>
      <para>gedaagde</para>
      <para>gemachtigde: [naam]</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr> [gedaagde sub 3] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te Almere</para>
      <para>gedaagde</para>
      <para>gemachtigde: [naam]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna tezamen te noemen: gedaagden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft bij dagvaarding van 4 januari 2016 een vordering tegen gedaagden ingesteld. Gedaagden hebben schriftelijk geantwoord.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 3 mei 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1997, heeft in 2013 gedurende zes maanden onbetaald stage gelopen in de kapsalon van gedaagden. Zij nam toen niet deel aan een kappersopleiding.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In september 2014 heeft [eiseres] zich ingeschreven voor de deeltijdopleiding Kapper (junior kapper) in de beroepsbegeleidende leerweg (hierna: BBL) aan het Horizon College te Alkmaar.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 23 september 2014 hebben [eiseres] , haar wettelijk vertegenwoordiger en gedaagden, als praktijkbiedende organisatie, een praktijkovereenkomst ondertekend. In deze overeenkomst is vermeld dat sprake is van de BBL-leerweg. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In de kappersbranche is sprake van de algemeen verbindend verklaarde CAO voor het Kappersbedrijf (hierna: CAO).  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>In deze CAO is onder 6.2 (Vakopleiding) onder meer opgenomen:<?linebreak?>“<emphasis role="italic">a. Praktijkovereenkomst leerling verplicht: De werkgever sluit een praktijkovereenkomst leerling met al zijn werknemers die kapperswerkzaamheden verrichten en een leer-werktraject in het kader van Crebo erkende opleidingen in het kappersvak volgen. </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">b. Arbeidsovereenkomst: De werkgever sluit een arbeidsovereenkomst met de leerling met wie hij een praktijkovereenkomst leerling aangaat. Deze arbeidsovereenkomst bepaalt dat:</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">- alle uren die de werknemer in de salon doorbrengt, gelden als werktijd;</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">- de werknemer drie dagen en in totaal circa 23 uur per week werkt. […]</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Alle bepalingen in individuele arbeidsovereenkomsten die van deze twee punten afwijken, zijn nietig.</emphasis>”</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft van september 2014 tot en met juni 2015 op drie vaste dagen per week (kappers)werkzaamheden verricht in de kapsalon van gedaagden. [eiseres] heeft hiervoor geen loon uitbetaald gekregen. Wel heeft zij van gedaagden wekelijks de verzamelde fooien ontvangen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Op 21 juli 2015 heeft de vakbond FNV MOOI een brief aan gedaagden gestuurd, waarin is vermeld dat het op grond de CAO niet geoorloofd was om [eiseres] geen vergoeding voor haar werkzaamheden toe te kennen en dat op grond van de CAO gedaagden een bedrag van € 4.475,12 aan [eiseres] verschuldigd zijn. In zijn brieven van 4 en 10 augustus 2015 aan gedaagden heeft de vakbond dit bedrag gecorrigeerd naar € 3.896,62 bruto <?linebreak?>(€ 3.607,98 brutoloon, vermeerderd met € 288,64 bruto vakantiegeld).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>In een verklaring van 12 oktober 2015 heeft de opleidingsmanager [opleidingsmanager] onder meer vermeld dat na aanvang van de opleiding zowel [eiseres] als gedaagden bij de praktijkconsulent van het Horizon College, mevrouw [praktijkconsulent] , hebben aangegeven dat er geen betaling plaatsvond door het leerbedrijf. In de verklaring is verder onder meer vermeld: “<emphasis role="italic">Bij haar salonbezoeken heeft [praktijkconsulent] gewezen op de betalingsverplichting door het leerbedrijf en de mogelijke consequenties.” </emphasis></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert dat de kantonrechter gedaagden hoofdelijk veroordeelt:<?linebreak?>-  tot betaling van € 4.870,77 bruto, zijnde het achterstallig loon ad € 3.896,62 en de wettelijke verhoging ad 25% daarover, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;<?linebreak?>- tot betaling van de proceskosten, inclusief nakosten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat gedaagden haar op grond van de overeenkomst en de CAO loon zijn verschuldigd over de periode september 2014 – juni 2015. Daarbij maakt [eiseres] op grond van de wet tevens aanspraak op 25% verhoging wegens vertraging.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Gedaagden betwisten de vordering. Zij voeren aan – samengevat – dat [eiseres] wist dat gedaagden niet aan de voorwaarden van de BBL-opleiding als werkgever konden voldoen. Gedaagden hebben [eiseres] tegemoet willen komen door haar een onbetaalde stage aan te bieden tot het moment dat zij een betaalde stageplek had gevonden, zodat zij in de tussentijd wel aan de opleiding zou kunnen deelnemen. [eiseres] is daarmee akkoord gegaan. Gedurende de stageperiode hebben gedaagden geprobeerd [eiseres] zoveel mogelijk tegemoet te komen door onder meer de fooien aan haar te geven.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Gedaagden wisten dat [eiseres] in het kader van een BBL-traject bij hen werkzaam was. [eiseres] had voorafgaand immers al een onbetaalde stage bij gedaagden gelopen. In het kader van het BBL-traject is een praktijkovereenkomst afgesloten die door gedaagden en [eiseres] is ondertekend. Door [eiseres] zijn drie dagen in de week werkzaamheden verricht bij gedaagden. Blijkens de verklaring van het Horizon College zijn gedaagden gewezen op hun betalingsverplichtingen als werkgever. Voor zover gedaagden in de veronderstelling verkeerden dat zij met [eiseres] zouden hebben afgesproken dat zij haar geen loon verschuldigd zouden zijn, welke stelling zij overigens niet nader hebben onderbouwd, kunnen zij [eiseres] hier niet aan houden. In (artikel 1.1 onder f van) de CAO is immers bepaald dat het niet is toegestaan om af te wijken van de bepalingen hieromtrent. Gedaagden zijn aan [eiseres] dan ook het loon verschuldigd overeenkomstig de CAO.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Gedaagden hebben de omvang van de vordering niet betwist, zodat deze voor toewijzing vatbaar is. De conclusie is dat de kantonrechter de vordering voor zover deze betrekking heeft op het achterstallige loon met inbegrip van het vakantiegeld zal toewijzen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>
        [eiseres] maakt tevens aanspraak op 25% wettelijke verhoging wegens vertraging. De kantonrechter overweegt dat [eiseres] aanspraak kan maken op de verhoging, maar ziet aanleiding om deze verhoging te beperken tot nihil. De kantonrechter overweegt hiertoe dat erkend is dat [eiseres] wekelijks wel betaling heeft ontvangen in de vorm van de fooienpot. Op geen enkele wijze is aangegeven wat de omvang daarvan is geweest, welk bedrag mogelijkerwijs in mindering kon worden gebracht op de loonvordering. <?linebreak?>De kantonrechter acht het in de gegeven omstandigheden niet billijk om naast de ontvangen fooienpot ook nog een bedrag wegens de wettelijke verhoging toe te kennen, reden waarom deze verhoging op nihil wordt gesteld. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente zal als onweersproken worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van gedaagden, omdat zij ongelijk krijgen. Daarbij worden gedaagden ook veroordeeld tot betaling van € 100,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres] worden gemaakt.</para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van € 3.896,62 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 januari 2016 tot aan de dag van de gehele betaling;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag vaststelt op:</para>
        <para>dagvaarding	€	94,08</para>
        <para>griffierecht	€	223,00</para>
        <para>salaris gemachtigde	€	400,00	;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van € 100,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres] worden gemaakt;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>wijst de vordering voor het overige af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. de Vries, kantonrechter, en op 1 juni 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		De kantonrechter</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>