<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2015:10688</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-22T12:08:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-12-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-12-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">232470</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>UDH:TvCu/12799 met annotatie van prof. mr. A.W. Jongbloed</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2015:10688">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2015:10688</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-12-07T15:51:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-12-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2015:10688 Rechtbank Noord-Holland , 03-12-2015 / 232470</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2015:10688:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Appel tegen vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard doet op zich niet af aan uit dat vonnis voortvloeiend vorderingsrecht. Gelet op het feit dat de vordering niet wordt betaald heeft gerekwestreerde haar stelling dat zij niet in de toestand verkeerd te zijn opgehouden te betalen onvoldoende onderbouwd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2015:10688:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK NOORD-HOLLAND </emphasis>
      <emphasis role="bold">vonnis faillietverklaring</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Privaatrecht</para>
      <para>Sectie Handel &amp; Insolventie </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rekestnummer: C/15/232470 / FT RK 15/2200</para>
      <para>Insolventienummer : C/15/15/554  F</para>
      <para>Uitspraakdatum: 3 december 2015 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 22 september 2015 is binnen gekomen het verzoekschrift van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>RELIPLAN BELGIË N.V.</para>
      <para>advocaat mr. P.B.J. van den  Oord te Alphen aan den Rijn</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot faillietverklaring van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>J.H. BEHEER B.V.,  </para>
      <para>
        [h.o.d.n.]
      </para>
      <para>advocaat mr. G.P. Poiesz te Velsen-Noord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna “Reliplan” en “JHB” worden genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 13 oktober 2015, 10 november 2015 en 1 december 2015. De rechtbank verwijst naar de processen-verbaal, die als hier ingevoegd dienen te worden beschouwd.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie, is de rechtbank bevoegd deze hoofdprocedure te openen, aangezien het centrum van de voornaamste belangen van JH in Nederland ligt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Reliplan heeft aan het faillissementsverzoek ten grondslag gelegd dat zij uit hoofde van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 juli 2015 een vordering op JH heeft ten bedrag van € 283.562,77. Behalve deze schuld laat JHB diverse andere schulden onbetaald, zoals blijkt uit de pleitnota van mr. P.B.J. van den Oord. Gelet hierop verkeert JHB in een toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, aldus Reliplan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>JHB heeft de vordering en de steunvorderingen, voor zover deze zouden voortvloeien uit het voormelde vonnis, gemotiveerd betwist en primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Subsidiair heeft zij verzocht de surseance van betaling uit te spreken.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van art. 6 lid 3 Faillissementswet (Fw) wordt het faillissement uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Doet een schuldeiser het verzoek, dan moet ook blijken dat deze een vordering op de schuldenaar heeft. Pluraliteit van schuldeisers is daarbij een noodzakelijke (overigens niet </para>
        <para>voldoende) voorwaarde voor de vaststelling of een schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het vorderingsrecht van Reliplan blijkt (summierlijk) uit het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis waarop Reliplan zich beroept. JHB heeft ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd die het bestaan van deze vordering in twijfel trekken. Haar betoog ter zitting was gericht tegen door Reliplan opgevoerde steunvorderingen. Het enkele feit dat JHB hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van deze rechtbank van 22 juli 2015 is onvoldoende om het vorderingsrecht van Reliplan te weerspreken. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Wat ook zij van de steunvorderingen die Reliplan meent te kunnen ontlenen aan het vonnis van 22 juli 2015, JHB heeft niet weersproken dat [A.] in privé een vordering op haar heeft. Pluraliteit van schuldeisers is daarmee gegeven. Het enkele feit dat JHB de rente op deze vordering stipt aan [A.] voldoet, zoals JHB ter zitting heeft aangevoerd, maakt immers niet dat deze niet als steunvordering kan dienen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>JHB heeft evenwel betwist dat zij verkeert in de toestand dat zij is opgehouden te betalen. Zij heeft daarvoor aangevoerd dat de enige reden dat zij Reliplan niet betaalt, is gelegen in het feit dat zij het niet eens is met het vonnis van 22 juli 2005. Dit verweer wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Van JHB had in dit verband ten minste mogen worden verwacht dat zij met stukken onderbouwd zou aantonen dat zij gegoed is voor de vordering van Reliplan. Uit de overgelegde verklaring van de administrateur blijkt dit niet. Voor zover JHB heeft willen betogen dat zij niet wenst te betalen in verband met het restitutierisico in het geval de vordering van Reliplan in hoger beroep alsnog wordt afgewezen, had ten minste moeten zijn gebleken dat zij daarover het overleg met Reliplan heeft gezocht. Nu JHB dit alles heeft nagelaten moet het ervoor worden gehouden dat zij niet in staat is de vordering te betalen. De niet weersproken stelling van Reliplan dat de executie van het vonnis tot op heden geen doel heeft getroffen sterkt de rechtbank in haar conclusie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat JHB in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>JHB is niet ontvankelijk in haar subsidiaire verzoek tot surseance van betaling nu dit verzoek niet voldoet aan de daaraan in artikel 214 Fw gestelde eisen. JHB zal daarom in staat van faillissement worden verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart <emphasis role="bold">J.H. Beheer B.V.</emphasis> niet ontvankelijk in haar mondelinge verzoek tot surseance van betaling;</para>
    <para />
    <para>- verklaart <emphasis role="bold">J.H. Beheer B.V. </emphasis>voornoemd, in staat van faillissement;</para>
    <para />
    <para>- benoemt tot rechter-commissaris het lid van deze rechtbank mr. M.M. Kruithof;</para>
    <para />
    <para>- stelt aan tot curator mr. R. Mulder, advocaat te Haarlem;</para>
    <para>- geeft aan de curator last tot het openen van de aan de gefailleerde gerichte brieven en telegrammen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2015 te 12.00 uur, in tegenwoordigheid van de griffier.<footnote-ref linkend="_e4cb3e25-caca-4485-b0cb-b184ef4223b0" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_e4cb3e25-caca-4485-b0cb-b184ef4223b0" label="1">
    <para> Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>