<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4187</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-24T14:30:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBNHO:2013:1746</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ4187</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-02-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/424</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4187">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4187</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:56:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-03-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4187 Rechtbank Noord-Holland , 22-02-2013 / 13/424</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4187:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Intrekking WWB-uitkering omdat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert.</para>
        <para>Voorzieningenrechter: Dat verzoeker en [naam] zich als partners hebben gepresenteerd kan niet zonder nader onderzoek leiden tot de conclusie dat in het geval van verzoeker en [naam] sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het gaat er immers niet om of verzoeker en [naam] zich als samenwonend of elkaars partner beschouwen, maar of hun relatie de kenmerken heeft van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in art. 3, derde lid, van de WWB. De enkele aanduiding van hun relatie door verzoeker en [naam] op het wijzigingsformulier als samenwonend of partners zegt daarover onvoldoende, omdat niet duidelijk is wat zij onder deze begrippen verstaan. Er is te meer reden om uit deze enkele aanduiding door verzoeker en [naam] niet te snel conclusies te trekken, nu de Nederlandse taal niet hun moedertaal is. Dat zij zich als partners hebben gepresenteerd en verzoeker [naam] aanduidt als zijn vriendin is eveneens niet voldoende om een gezamenlijke huishouding tussen hen aannemelijk te achten. Hieruit kunnen immers niet zonder meer feiten en omstandigheden worden afgeleid over eventuele wederzijdse verzorging of financiële verstrengeling. </para>
        <para>De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek kan concluderen dat in het geval van verzoeker en [naam] sprake is van wederzijdse zorg of financiële verstrengeling. In het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat verzoeker en [naam] de kosten van de boodschappen delen en dat [naam] maandelijks aan verzoeker € 50,-- betaalt voor de energiekosten. Verweerder heeft uit bankafschriften opgemaakt dat [naam] een aantal keren boodschappen heeft gedaan. Hieruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat sprake is van financiële verstrengeling. Zo kan uit de enkele omstandigheid dat [naam] boodschappen heeft gedaan niet worden afgeleid dat verzoeker hiervan heeft geprofiteerd. Het enkele betalen voor energiekosten duidt niet op een financiële verstrengeling die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten. </para>
        <para>De ter zitting afgelegde verklaring van verzoeker bevat wel enige aanwijzingen die erop duiden dat sprake zou kunnen zijn van een gezamenlijke huishouding. Dit laat echter onverlet dat het aan verweerder is om te onderzoeken of hiervan in het geval van verzoeker en [naam] daadwerkelijk sinds 15 augustus 2012 sprake is.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4187:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK NOORD-HOLLAND</para>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <para>zaaknummer: AWB 13/424 </para>
    <para />
    <para>uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 februari 2013 in de zaak tussen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J. Kluivers),</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: C.I. Heemskerk).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Procesverloop</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 21 december 2012, verzonden op 24 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de uitkering die verzoeker ontving in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) per 22 december 2012 te beëindigen en per 15 augustus 2012 in te trekken, omdat verzoeker vanaf laatstgenoemde datum een gezamenlijke huishouding voert met [naam] (hierna: [naam]), terwijl is gebleken dat [naam] op die datum beschikte over een vermogen van € 31.852,69. Ook heeft verweerder bij dit besluit de ten onrechte uitbetaalde bijstand van verzoeker teruggevorderd.</para>
    <para> </para>
    <para>Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. </para>
    <para> </para>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voorts was ter zitting een tolk Farsi aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook [naam] was ter zitting aanwezig.</para>
    <para />
    <para>Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Verzoeker ontving vanaf 4 augustus 2010 een Wwb-uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Hij heeft de zorg voor een zoon van 10 jaar. In de zomer van 2012 heeft verzoeker bij verweerder kenbaar gemaakt dat hij van plan was te gaan samenwonen met zijn vriendin [naam]. Zij heeft de Iraanse nationaliteit en beschikt over een verblijfstitel regulier, voor bepaalde tijd. [naam] studeert aan de universiteit in Leiden.</para>
      <para>Verweerder heeft op 21 augustus 2012 geconstateerd dat [naam] zich had ingeschreven op het adres van verzoeker. Verzoekers bijstandsconsulent heeft hem vervolgens verzocht een wijzigingsformulier in te vullen en op te sturen. Dat hebben verzoeker en [naam] op 29 augustus 2012 gedaan. Bij brief van 30 augustus 2012 heeft verweerder verzoeker gevraagd om toezending van een kopie van het verblijfsdocument van [naam] en van een bewijsstuk dat zij daadwerkelijk een opleiding volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.	Op 6 november 2012 heeft verweerder verzoeker uitgenodigd voor een gesprek op 9 november 2012. Bij dat gesprek heeft verzoeker het vreemdelingendocument van [naam] getoond. Op 27 november 2012 heeft verweerder verzoeker en [naam] uitgenodigd voor een gesprek op 29 november 2012. Zij zijn beiden verschenen. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 29 november 2012 aan verzoeker bericht dat [naam] moet worden aangemerkt als niet-rechthebbende partner. Voorts heeft verweerder bij dit besluit nog financiële gegevens van [naam] opgevraagd. [naam] heeft op 5 december 2012 een bankafschrift ingeleverd waaruit blijkt dat zij op 4 december 2012 beschikte over een saldo van € 23.852,69. Uit onderzoek is verder gebleken dat [naam] op 15 augustus 2012 beschikte over een saldo van € 31.852,69. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen.</para>
    <para />
    <para>3.	Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker en [naam] een gezamenlijke huishouding voeren zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, Wwb. Volgens verweerder heeft verzoeker steeds de indruk gewekt dat [naam] en hij partners zijn. Zo hebben zij zich steeds gepresenteerd. De relatie tussen verzoeker en [naam] is steeds onderwerp van gesprek geweest. Er is volgens verweerder geen commerciële relatie aangetoond. Nu is gebleken dat [naam] en verzoeker per 15 augustus 2012 ingeschreven staan op hetzelfde adres, terwijl [naam] op die datum beschikte over een bedrag dat uitgaat boven het voor verzoeker vrij te laten vermogen, heeft verweerder zijns inziens terecht de Wwb-uitkering van verzoeker beëindigd en ingetrokken. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij zijn standpunt baseert op het wijzigingsformulier en op de wijze waarop verzoeker en [naam] zich steeds hebben gepresenteerd, namelijk als partners.</para>
    <para />
    <para>4.	Verzoeker kan zich niet met het primaire besluit verenigen. Verzoeker en [naam] zijn vrienden en hebben geen partnerrelatie. Hij ontkent dat sprake is van een gezamenlijke huishouding met [naam], omdat er geen sprake is van financiële verstrengeling noch van wederzijdse zorg. Het feit dat verzoeker en [naam] staan ingeschreven op hetzelfde adres, is onvoldoende voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. [naam] heeft een eigen kamer in de woning. Zij betaalt maandelijks (contant) € 50,-- als vergoeding voor gas, water en elektra. Voorts wijst verzoeker erop dat [naam] buitenlands student is. Zij moet jaarlijks aantoonbaar beschikken over € 10.000,-- om haar studie te kunnen betalen. Zij ontvangt voor haar studie geld van haar ouders die in Iran wonen. In dit verband wijst verzoeker op de verklaring van de vader van [naam] van 31 december 2012. Verzoeker stelt voorts dat hij door verweerder op het verkeerde been is gezet. Hij heeft van een medewerker van verweerder vernomen dat het inschrijven van [naam] op zijn adres geen probleem vormde. Dat blijkt later anders te liggen. In dit verband beroept verzoeker zich op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Ter zitting heeft verzoeker de woon- en leefsituatie van hemzelf en van [naam] nader toegelicht. Ook heeft verzoeker ter zitting benadrukt dat het te wijten is aan zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal, dat er bij hem verwarring is ontstaan over het begrip ‘samenwonen’.</para>
    <para />
    <para>5.	De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>6.	De voorzieningenrechter stelt voorop dat de intrekking en beëindiging van de uitkering een voor verzoeker belastend besluit is. Dit betekent dat de bewijslast voor de aanwezigheid van een gezamenlijke huishouding bij verweerder ligt.  </para>
    <para />
    <para>7.	Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker en [naam] een gezamenlijke huishouding voeren. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wwb is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Vaststaat dat verzoeker en [naam] hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan van wederzijdse verzorging worden gesproken als sprake is van een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Als van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten of omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.	Verweerder baseert zijn standpunt dat in het geval van verzoeker sprake is van een gezamenlijke huishouding op de volgende feiten en omstandigheden:</para>
      <para>- Verzoeker heeft op het wijzigingsformulier aangekruist dat hij gaat samenwonen met (naam partner) [naam]. Het formulier is mede ondertekend door [naam] waar staat: ‘Handtekening echtgenoot / partner’.</para>
      <para>- Verzoeker en [naam] hebben zich steeds gepresenteerd als partners. Verzoeker noemt [naam] regelmatig: ‘mijn vriendin’. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9.	Dat verzoeker het wijzigingsformulier heeft ingevuld zoals hiervoor vermeld onder 8 en dat verzoeker en [naam] zich als partners hebben gepresenteerd kan niet zonder nader onderzoek leiden tot de conclusie dat in het geval van verzoeker en [naam] sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het gaat er immers niet om of verzoeker en [naam] zich als samenwonend of elkaars partner beschouwen, maar of hun relatie de kenmerken heeft van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wwb. De enkele aanduiding van hun relatie door verzoeker en [naam] op het wijzigingsformulier als samenwonend of partners zegt daarover onvoldoende, omdat niet duidelijk is wat zij onder deze begrippen verstaan. Er is te meer reden om uit deze enkele aanduiding door verzoeker en [naam] niet te snel conclusies te trekken, nu de Nederlandse taal niet hun moedertaal is. Dat zij zich als partners hebben gepresenteerd en verzoeker [naam] aanduidt als zijn vriendin is eveneens niet voldoende om een gezamenlijke huishouding tussen hen aannemelijk te achten. Hieruit kunnen immers niet zonder meer feiten en omstandigheden worden afgeleid over eventuele wederzijdse verzorging of financiële verstrengeling.  </para>
    <para />
    <para>10.	De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek kan concluderen dat in het geval van verzoeker en [naam] sprake is van wederzijdse zorg of financiële verstrengeling. In het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat verzoeker en [naam] de kosten van de boodschappen delen en dat [naam] maandelijks aan verzoeker € 50,-- betaalt voor de energiekosten. Verweerder heeft uit bankafschriften opgemaakt dat [naam] een aantal keren boodschappen heeft gedaan. Hieruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat sprake is van financiële verstrengeling. Zo kan uit de enkele omstandigheid dat [naam] boodschappen heeft gedaan niet worden afgeleid dat verzoeker hiervan heeft geprofiteerd. Het enkele betalen voor energiekosten duidt niet op een financiële verstrengeling die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten.</para>
    <para />
    <para>11.	Verzoeker heeft ter zitting een nadere toelichting gegeven op de woon- en leefsituatie van hemzelf en van [naam]. Zo heeft verzoeker verklaard dat [naam] in zijn woning een eigen kamer heeft, dat zij zo nu en dan gezamenlijk eten en dat zij af en toe gemeenschappelijke kennissen en vrienden ontvangen. Ook doen [naam] en verzoeker een enkele keer gezamenlijk boodschappen. De kosten hiervan verrekenen zij. Zij doen ieder apart hun eigen was. [naam] heeft in het huis van verzoeker een eigen kamer. Zij maakt mede gebruik van de woonkamer, de keuken en de badkamer. [naam] betaalt verzoeker maandelijks € 50,-- of € 60,-- als bijdrage in de energiekosten. Verzoeker en [naam] hebben niets op papier vastgelegd, aldus verzoeker.</para>
    <para />
    <para>12.	De ter zitting afgelegde verklaring van verzoeker bevat wel enige aanwijzingen die erop duiden dat sprake zou kunnen zijn van een gezamenlijke huishouding. Dit laat echter onverlet dat het aan verweerder is om te onderzoeken of hiervan in het geval van verzoeker en [naam] daadwerkelijk sinds 15 augustus 2012 sprake is.</para>
    <para />
    <para>13.	Verzoeker heeft inmiddels een nieuwe Wwb-aanvraag gedaan. In het kader hiervan heeft een huisbezoek plaatsgevonden. De resultaten hiervan zijn nog niet bekend.</para>
    <para />
    <para>14.	De voorzieningenrechter is van oordeel dat er, bij de stand van zaken zoals deze op dit moment is, onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat in het geval van verzoeker en [naam] sprake is van een gezamenlijke huishouding. </para>
    <para />
    <para>15.	Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. De voorzieningenrechter zal het primaire besluit van 21 december 2012 schorsen met ingang van 18 januari 2013 voor wat betreft de beëindiging van de uitkering van verzoeker, tot zes weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar.</para>
    <para />
    <para>16.	De voorzieningenrechter zal voorts verweerder veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1). Omdat ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het bedrag van de proceskosten betalen aan de gemachtigde van verzoeker. </para>
    <para />
    <para>17.	Tot slot zal de voorzieningenrechter verweerder gelasten het door verzoeker betaalde griffierecht van € 42,-- aan hem te vergoeden. </para>
    <para>  </para>
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <para>De voorzieningenrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;</para>
      <para>-	schorst het primaire besluit van 21 december 2012 voor wat betreft de beëindiging van de uitkering van verzoeker, met ingang van 18 januari 2013 tot zes weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;</para>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 944,-- , te betalen aan verzoekers gemachtigde;</para>
      <para>-	gelast verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 42,-- aan hem te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2013.</para>
    <para />
    <para>griffier	voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <para>afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rechtsmiddel</para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>