<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4047</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-24T14:30:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBNHO:2013:1747</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ4047</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-02-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12/5852</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4047">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4047</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:56:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-03-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4047 Rechtbank Noord-Holland , 19-02-2013 / 12/5852</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4047:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De voorziengenrechter is van oordeel dat van verzoekster redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij haar ex-partner B uitschrijft van haar adres. Voorts heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt waar zij van heeft geleefd in het tweede halfjaar van 2012. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4047:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK NOORD-HOLLAND</para>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <para>Zaaknummer: AWB 12/5852 </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van </para>
      <para>19 februari 2013</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[verzoekster] </para>
      <para>wonende te [woonplaats], </para>
      <para>verzoekster,</para>
      <para>gemachtigde mr. M.J. van der Veen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,</para>
      <para>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Bij besluit van 13 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeksters aan-vraag om toekenning van een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen, omdat verweerder verzoeksters recht op bijstand niet kan vaststellen.</para>
    <para />
    <para>Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft voorts de voorzie-ningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2013. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, A. van het Ende.</para>
    <para />
    <para>De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting vervolgens geschorst en de behandeling van het verzoek aangehouden. Het onderzoek is voortgezet te zitting van 19 februari 2013.</para>
    <para />
    <para>Ter zitting van 19 februari 2013 is verzoekster verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. M.E. van Dijk.</para>
    <para />
    <para>Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    <para />
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft:</para>
      <para>-	het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Gronden van de beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Verweerder gaat ervan uit dat [naam], de ex-partner van verzoekster, nog steeds zijn hoofdverblijf heeft op het adres waar verzoekster woont. Dit standpunt grondt verweerder onder meer op de rapportage van de sociaal rechercheur Kamphuis van 28 november 2012. In deze rapportage wordt onder meer melding gemaakt van een grote negroïde man van ongeveer twee meter lang, die de woning van verzoekster binnengaat. Dat deze man verzoeksters ex-partner [naam] is, is echter niet komen vast te staan. Verzoekster heeft dit ook steeds ontkend. Voormeld standpunt van verweerder is dus onvoldoende onderbouwd. Voorts wijst de voorzieningenrechter in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 oktober 2012. In deze uitspraak overweegt de Raad onder meer als volgt, waarbij verzoekster wordt aangeduid met ‘appellante’, verweerder met ‘het college’ en [naam] met B : </para>
      <para>‘Dat B ingeschreven stond op het adres van appellante was al bij het college bekend. Weliswaar heeft B eind maart 2010 kenbaar gemaakt bij appellante in te wonen, maar bij gebreke van gegevens die de juistheid van deze, door appellante weersproken, mededeling ondersteunen, is dat op zichzelf noch in samenhang met zijn inschrijving op het adres van appellante voldoende om die conclusie te kunnen trekken’. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Vaststaat wel dat het huurcontact van de woning waar verzoekster in woont op naam van [naam] staat. Verzoekster betaalt de huur van de woning niet. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat de huur van de woning over de periode tot en met december 2012 door [naam] onlangs is betaald. Verweerder heeft verzoekster onder meer gevraagd [naam] van verzoeksters woonadres uit te (laten) schrijven. Verzoekster stelt dat zij daartoe niet bij machte is. </para>
      <para>Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat, als verzoekster zich wendt tot verweerders afdeling Burgerzaken en daar verklaart dat [naam] niet in de woning woont, deze afdeling hiernaar onderzoek gaat doen. Als blijkt dat [naam] er, zoals verzoekster herhaaldelijk heeft aangegeven, inderdaad niet (meer) woont, is het niet denkbeeldig dat de verhuurder (Ymere) aan [naam] de huur opzegt. Hierdoor zal verzoekster de woning onmiddellijk moeten verlaten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in dit geval dan ook in redelijkheid niet van verzoekster kan worden verlangd, dat zij pogingen onderneemt om [naam] uitgeschreven te krijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.	Vervolgens heeft verweerder, op basis van de door verzoekster overgelegde bankafschriften over de periode juni 2012 tot en met december 2012, het standpunt ingenomen, neergelegd in een rapport van 14 februari 2013 dat is opgesteld door de sociale recherche, dat uit die bankafschriften niet blijkt hoe verzoekster gedurende deze tijd in de directe kosten van haar levensonderhoud heeft voorzien. Uit deze bankafschriften blijkt niet of en wanneer verzoekster inkopen heeft gedaan voor haar directe levensonderhoud. Ter zitting heeft verzoekster hiervoor een verklaring gegeven. Deze verklaring heeft verweerder in ieder geval niet overtuigd. Ook naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is deze verklaring in te algemene bewoordingen gesteld en onvoldoende concreet. </para>
    <para />
    <para>4.	Bij deze stand van zaken ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft ter zitting aangeboden bereid te zijn verzoekster nog eens uitgebreid te laten horen door de sociale recherche, zodat zij het een en ander kan verduidelijken. Verzoekster heeft kenbaar gemaakt hieraan te willen meewerken. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard vooralsnog niet te zullen overgaan tot invordering van de aan verzoekster verleende voorschotten.</para>
    <para />
    <para>5.	Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afwijst. Als daartoe aanleiding bestaat, kan verzoekster, als zij dat wenst, opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening indienen.</para>
    <para />
    <para>6.	Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>7.	De voorzieningenrechter deelt mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2013 te Haarlem door </para>
      <para>mr. A.C. Terwiel - Kuneman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>P.M. van der Pol, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>griffier	voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Afschrift verzonden:</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>