<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ2255</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-01T12:48:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ2253</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ2255</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-02-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB-13_98</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2013:1211" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/sprongcassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2013:1211, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2013/478</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2013/24.3.5</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2013-0575</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2013022603</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2013112201</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ2255">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ2255</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:50:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ2255 Rechtbank Noord-Holland , 14-02-2013 / AWB-13_98</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ2255:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gelet op het doel dat de wetgever met de bedrijfsopvolgingsregeling voor ogen heeft gestaan, zijn ondernemingsvermogen en niet-ondernemingsvermogen niet als gelijke gevallen te beschouwen. Geen schending van het gelijkheidsbeginsel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ2255:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK NOORD-HOLLAND </para>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bestuursrecht,  enkelvoudige belastingkamer</para>
    <para />
    <para>Zaaknummer: AWB 13/98</para>
    <para />
    <para>Uitspraakdatum: 14 februari 2013</para>
    <para />
    <para>Uitspraak in het geding tussen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[X], wonende te [Z], eiser,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.J. Pelinck </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en </para>
    <para />
    <para>de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.</para>
    <para />
    <para />
    <para>1.	Ontstaan en loop van het geding</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Verweerder heeft met dagtekening 28 augustus 2012 aan eiser een aanslag</para>
      <para>schenkbelasting opgelegd ten bedrage van € [bedrag #1].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft eiser, met instemming van verweerder, op de voet</para>
      <para>van artikel 7:1 a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rechtstreeks beroep</para>
      <para>ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 7 januari 2012.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3. Verweerder heeft vervolgens op de zaak betrekking hebbende stukken en een</para>
      <para>verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.4. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting</para>
      <para>achterwege blijft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>2. Tussen partijen vaststaande feiten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1. Eiser heeft in 2005 grond aangeschaft en daarop een huis doen bouwen voor eigen</para>
      <para>bewoning. De prijs heeft hij betaald uit twee met recht van hypotheek verzekerde leningen</para>
      <para>van zijn moeder [A] (hierna: schenkster). Door aflossingen was de</para>
      <para>hoofdsom van de eerste lening per medio 2011 verminderd tot € [bedrag #2].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2. Op 1 september 2011 heeft schenkster bij akte van die datum de vordering op eiser voor</para>
      <para>een bedrag van € [bedrag #2] kwijtgescholden. Daarnaast is in 2011 een bedrag van € [bedrag #3]</para>
      <para>aan contanten door schenkster aan eiser geschonken. In de aangifte schenkbelasting 2011 van</para>
      <para>24 februari 2012 staat vermeld dat schenkster de schenkbelasting zal voldoen. De totale</para>
      <para>verkrijging van eiser bedraagt derhalve € [bedrag #4] (€ [bedrag #2] + € [bedrag #3] +</para>
      <para>schenkbelasting € [bedrag #1])</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3. Verweerder heeft met dagtekening 28 augustus2012 aan eiser een aanslag</para>
      <para>schenkbelasting opgelegd ten bedrage van € [bedrag #1].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>3. Geschil</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1. Tussen partijen is in geschil of de aanslag schenkbelasting tot het juiste bedrag is</para>
      <para>opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in strijd is met</para>
      <para>het discriminatieverbod van artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en</para>
      <para>politieke rechten (hierna: IVBPR) en artikel 14 van het Europese Verdrag tot bescherming</para>
      <para>van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en of ook andere</para>
      <para>verkrjgers recht hebben op toepassing van de faciliteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. Eisers stellen zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank te Breda van 13</para>
      <para>juli 2012, UN: BX3386 op het standpunt dat verkrijger recht heeft op toepassing van de</para>
      <para>bedrijfsopvolgingsfaciliteiten en dat een vrijstelling geldt van 100% over de eerste</para>
      <para>€ [bedrag #5]. Eiser verkrijgt Vrij van recht € [bedrag #6]. Daarmee verblijft de verkrijging binnen</para>
      <para>de vrijstelling van artikel 35b, eerste lid, letter a, van de Successiewet (hierna: Sw).</para>
      <para>Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op</para>
      <para>bezwaar en vernietiging van de aanslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten niet van</para>
      <para>toepassing zijn op het verkrijgen van privévermogen. Verweerder concludeert tot</para>
      <para>ongegrondverklaring van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het geschil</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1. De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten zijn per 1 januari 1998 ingevoerd bij de Wet van 18</para>
      <para>december 1997, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. 1998 (fiscale</para>
      <para>structuurversterking). De parlementaire geschiedenis van deze wet houdt onder meer in:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>“Faciliteiten successie- en schenkingsrecht bij bedrijfsopvolging</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wanneer een onderneming door vererving overgaat op de erfgenamen en door één of meer van hen wordt voortgezet, kan het verschuldigde successierecht tot financiële problemen leiden die de</para>
      <para>continuïteit van de onderneming zouden kunnen aantasten, (...) Vanuit het algemeen sociaaleconomisch belang is het onwenselijk dat een onderneming die overgaat door vererving moet worden gestaakt of geforceerd moet worden verkocht zonder dat de bedrijfsresultaten daar aanleiding toegeven, met als gevolg een verlies aan werkgelegenheid en economische diversiteit. (...) Het voorstel is door een tweetal maatregelen een bijdrage te leveren aan de continuïteit van familie-ondernemingen door de druk van het successierecht en het schenkingsrecht ten gevolge van de overgang van de onderneming te verminderen.</para>
      <para>(,..) De tweede maatregel behelst een gedeeltelijke kwijtschelding van successie- of schenkingsrecht</para>
      <para>dat kan worden toegerekend aan het verkregen ondernemingsvermogen. (…)”</para>
      <para>(Tweede Kamer. vergaderjaar 1997-1998,25688. nr. 3, p. 7)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2. Bij de Wet van 16 december 2004, houdende wijziging van enkele belastingwetten</para>
      <para>(Belastingplan 2005) is de bedrijfsopvolgingsregeling gewijzigd. De parlementaire</para>
      <para>geschiedenis van deze wet houdt onder meer in:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Verruiming bedrijfsopvolgingsregeling schenking- en successierecht</para>
      <para>De leden van de CDA-fractie vragen om in te gaan op de vraag of de voorgestelde verruiming van de vrijstelling bij bedrijfsopvolging in de Successiewet 1956 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.</para>
      <para>Hierover kunnen wij het volgende opmerken.</para>
      <para>Het bestaan van een faciliteit voor bedrijfsopvolging, met de daaraan inherente ongelijke behandeling van vermogensbestanddelen, vindt zijn rechtvaardiging in het algemeen belang dat gemoeid is met de continuïteit van ondernemingen. (...)“</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat hetgeen door schenking is verkregen ten tijde van</para>
      <para>deze verkrijging geen ondernemingsvermogen vormde als bedoeld in artikel 35b van de Sw</para>
      <para>(tekst 2010). Eiser stelt echter dat het in strijd is met het gelijkheidsbeginsel indien de</para>
      <para>faciliteit alleen van toepassing is bij de verkrijging van ondememingsvermogen en niet op</para>
      <para>het privévermogen dat hij heeft verkregen. Eiser verwijst hiervoor naar artikel 26 van het</para>
      <para>IVBPR en artikel 14 van het EVRM.</para>
      <para>4.4. Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat artikel 26 IVBPR en</para>
      <para>artikel 14 EVRM niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch</para>
      <para>alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke</para>
      <para>rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op</para>
      <para>fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden</para>
      <para>van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk</para>
      <para>moeten worden beschouwd, en in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke</para>
      <para>rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Daarbij</para>
      <para>dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond</para>
      <para>ontbloot is (Hoge Raad 21 november 2008, nr. 07/13301, UN BG4821).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het doel van de bedrijfsopvolgingsregeling is te</para>
      <para>voorkomen dat het voortbestaan van een onderneming in gevaar komt doordat te gelde moet worden gemaakt teneinde het over het verkregen ondernemingsvermogen verschuldigde successie- of schenkingsrecht te voldoen. Vanuit een oogpunt van werkgelegenheid en economische diversiteit achtte de wetgever een zodanig risico niet aanvaardbaar. Bij niet-ondernemingsvermogen (privévermogen of beleggingsvermogen) is dit risico niet aan de orde. Gelet op voornoemd doel dat de wetgever met de bedrijfsopvolgingsregeling voor ogen staat, zijn ondernemingsvermogen en niet ondernemingsvermogen niet als gelijke gevallen te beschouwen. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is derhalve geen sprake. De grief faalt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.5. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.</para>
    <para />
    <para />
    <para>5.   Proceskosten</para>
    <para />
    <para>De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>6.   Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. A.E. Keulemans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2013.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    <para />
    <para>De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.</para>
    <para />
    <para>Rechtsmiddel</para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
      <para>1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;</para>
      <para>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      <para> 	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>	b. een dagtekening;</para>
      <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
      <para>d. de gronden van het hoger beroep.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>