<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2026:75</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-02T12:37:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 25/4392</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:75">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:75</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-02T12:36:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2026:75 Rechtbank Midden-Nederland , 16-01-2026 / UTR 25/4392</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2026:75:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep tegen niet tijdig beslissen Wht. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat geen tweede aanvraag ingediend kan worden over andere jaren dan die al zijn beoordeeld nav de “eerste” aanvraag. Verweerder heeft toegezegd dat de ‘aanvraag’ zal worden meegenomen als grond van bezwaar, ongeacht de stand van de procedure van de eerste aanvraag. Dit betekent dat er een (aanvullend) besluit op bezwaar zal worden genomen. De rechtbank merkt het beroep tegen niet tijdig beslissen daarom aan als een beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaar. Als de rechtbank dat niet zou doen, dan zou eiseres namelijk rechtsbescherming worden onthouden als het gaat om het afdwingen van een aanvullende beslissing op bezwaar, omdat op het bezwaar nav de "eerste" aanvraag al is beslist. Het beroep is gegrond en verweerder wordt opgedragen alsnog binnen twee weken een aanvullend besluit op bezwaar bekend te maken. De bestuurlijke dwangsom is al eerder vastgesteld, daarom laat de rechtbank zich daar verder niet over uit.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2026:75:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 25/4392</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de meervoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [plaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. W. Kort),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Dienst Toeslagen, verweerder</title>
    <para>(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 22 september 2023 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2005 tot en met 2019, met uitzondering van 2012 en 2013.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft een reactie gegeven op het verweerschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_3b90bf91-c813-4358-bf44-507c129ccbae" /> Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_23fbf1f6-62e7-415e-8592-e07e6f7f294d" /><?linebreak?></para>
    <para>2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is van niet-tijdig beslissen op een aanvraag. Dat heeft te maken met het volgende. Eiseres heeft op 17 december 2020 een verzoek ingediend om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Daarop heeft verweerder met de (vier) besluiten van 8 juli 2022 beslist. In deze besluiten heeft verweerder het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 en 2013 beoordeeld. Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt, waarop is beslist bij besluit van 13 februari 2024. Eiseres heeft verweerder op 22 september 2023 weliswaar verzocht om ook het recht op kinderopvangtoeslag over andere jaren te beoordelen, maar dat moet (nu) gezien worden als een bezwaargrond gericht tegen de besluiten van 8 juli 2022 en kan niet worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag om integrale herbeoordeling. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2024<footnote-ref linkend="_8a340e38-35be-4b4e-9a8f-06269b02ac67" />.<?linebreak?></para>
    <para>3. Tijdens de zitting heeft verweerder toegelicht dat hij zich aanvankelijk op het standpunt stelde en de werkwijze hanteerde dat een ouder een tweede verzoek om herbeoordeling kon indienen voor toeslagjaren die niet waren meegenomen in de besluitvorming naar aanleiding van de (eerste) aanvraag. Een dergelijk verzoek werd als nieuwe aanvraag in behandeling genomen. Zo is dat destijds ook gebeurd in de zaak van eiseres. Na de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2024 heeft verweerder zijn standpunt en werkwijze gewijzigd. Verweerder meent sindsdien dat geen sprake kan zijn van een tweede aanvraag om herbeoordeling. Als op een aanvraag is beslist en een ouder verzoekt daarna om herbeoordeling van toeslagjaren die in de besluitvorming niet zijn meegenomen, dan wordt dit verzoek aangemerkt als een bezwaargrond, ongeacht de stand van de procedure op dat moment. In het nog te nemen besluit op bezwaar wordt dan alsnog een beoordeling gemaakt van de jaren die eerder buiten beschouwing zijn gebleven. In de situatie dat al is beslist op het bezwaar, zoals hier aan de orde, zal verweerder een aanvullend besluit op bezwaar nemen voor die jaren. Het aanvullende verzoek van eiseres kan volgens verweerder daarom niet leiden tot het opnieuw verbeuren van dwangsommen.<?linebreak?></para>
    <para>4. De rechtbank stelt vast dat op de (eerste) aanvraag om herbeoordeling van eiseres met de besluiten van 8 juli 2022 is beslist. Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt en daarop is door verweerder beslist bij besluit van 13 februari 2024. Tegen dit besluit heeft eiseres geen beroep ingesteld. De rechtbank concludeert dan ook dat er geen procedure meer loopt over de aanvraag van eiseres. Tijdens de zitting heeft verweerder toegezegd dat een inhoudelijk aanvullend besluit op bezwaar zal worden genomen voor de jaren 2005 tot en met 2019, met uitzondering van 2012 en 2013. De rechtbank kan zich onder deze omstandigheden vinden in het standpunt van verweerder dat de ‘aanvraag’ van 22 september 2023 moet worden gezien als een grond van bezwaar, omdat als uitgangspunt moet worden genomen dat een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, betrekking heeft op alle jaren vóór 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin verweerder een beschikking daarover heeft gegeven en het niet voor de hand ligt dat een ouder de aanvraag beperkt, tenzij dit uitdrukkelijk wel het geval is. Dit betekent dat er geen nieuwe <emphasis role="italic">aanvraag </emphasis>is gedaan waarop verweerder nog niet heeft beslist. Een beroep tegen het niet tijdig beslissen op aanvraag, zoals eiseres dat heeft ingediend, kan dus niet inhoudelijk worden beoordeeld. <?linebreak?></para>
    <para>5. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het beroep tegen niet tijdig beslissen van eiseres op te vatten als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar ‘bezwaar’ van 22 september 2023. Als de rechtbank dit niet zou doen, dan zou eiseres namelijk rechtsbescherming worden onthouden als het gaat om het afdwingen van een aanvullende beslissing op bezwaar over haar aanspraak op compensatie over andere jaren dan die al zijn beoordeeld door verweerder.<?linebreak?></para>
    <para>6. Eiseres heeft de bezwaargrond over de andere jaren op 22 september 2023 naar voren gebracht. Uitgaande van deze datum als de datum waarop verweerder het bezwaar over deze jaren heeft ontvangen, stelt de rechtbank vast dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van 7 juli 2025, ontvangen door verweerder op diezelfde datum, is verweerder in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 22 juli 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.<?linebreak?></para>
    <para>7. Het beroep is gegrond.<?linebreak?><emphasis role="italic">Verweerder moet alsnog een besluit nemen</emphasis><?linebreak?></para>
    <para>8. Omdat verweerder nog geen (aanvullend) besluit op bezwaar heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.<footnote-ref linkend="_9b654e25-c0c9-426f-9176-088505628c59" /> In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.<footnote-ref linkend="_6c8a30cd-bea5-4b75-88f8-aec94ebdb50d" /> Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.<?linebreak?></para>
    <para>9. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wettelijke beslistermijn te kort is om een besluit te nemen. Over de vraag welke beslistermijn wel realistisch is, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 26 maart 2025<footnote-ref linkend="_df0d2734-2fec-4afd-845a-5c06a468abef" /> uitspraak gedaan. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. In geval ten tijde van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. De rechtbank ziet aanleiding om hierbij ook in gevallen zoals dat van eiseres, aan te sluiten. <?linebreak?></para>
    <parablock>
      <para>10. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Verweerder heeft op 8 juli 2022 de definitieve beschikkingen genomen. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit over de andere jaren is door verweerder ontvangen op 22 september 2023. De beslistermijn om op dit bezwaar te beslissen is dus aangevangen op 23 september 2023 en verliep op 26 januari 2024. Sindsdien zijn meer dan 60 weken verstreken. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een (aanvullend) besluit op bezwaar bekend moet maken.<?linebreak?></para>
      <para>11. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn volgens het beleid van de rechtspraak het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken. De rechtbank volgt op dit punt dus niet het bedrag van € 250,- met een maximum van € 37.500,-, zoals in de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 is voorgesteld, omdat de rechtbank van oordeel is dat het hiervoor genoemde beleid daar niet toe noopt. Bij verweerder is geen sprake van weigerachtigheid, maar – onder meer – een ernstig tekort aan menskracht. Ook het belang van eiseres rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hogere dwangsom niet. Een sterkere prikkel is daarom niet nodig.<?linebreak?><emphasis role="italic">Bestuurlijke dwangsom</emphasis><?linebreak?></para>
      <para>12. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. De rechtbank stelt echter vast dat de verbeurde bestuurlijke dwangsom voor de bezwaarfase door de rechtbank al is vastgesteld in de uitspraak van 27 december 2023<footnote-ref linkend="_eb85a2ed-cfd5-400c-b70b-759fdccc0df2" />.  De rechtbank zal zich hierover dan ook verder niet uitlaten.  <?linebreak?><emphasis role="italic">Proceskosten en griffierecht</emphasis><?linebreak?></para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 934,-. <?linebreak?></para>
      <para>14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">- </emphasis>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
    <para>- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een aanvullend besluit op bezwaar bekend te maken<?linebreak?>- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzitter, mr. G. Schnitzler en mr. I. Helmich, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzitter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_3b90bf91-c813-4358-bf44-507c129ccbae" label="1">
    <para> Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_23fbf1f6-62e7-415e-8592-e07e6f7f294d" label="2">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a340e38-35be-4b4e-9a8f-06269b02ac67" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBROT:2024:13134.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9b654e25-c0c9-426f-9176-088505628c59" label="4">
    <para> Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c8a30cd-bea5-4b75-88f8-aec94ebdb50d" label="5">
    <para> Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df0d2734-2fec-4afd-845a-5c06a468abef" label="6">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:1301.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eb85a2ed-cfd5-400c-b70b-759fdccc0df2" label="7">
    <para> ECLI:NL:RBMNE:2023:6969.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>