<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2026:699</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-02T11:48:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/16/591873 / HA ZA 25-213</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:699">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:699</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-02T11:48:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2026:699 Rechtbank Midden-Nederland , 18-02-2026 / C/16/591873 / HA ZA 25-213</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2026:699:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Burengeschil over onrechtmatige hinder en de vraag wat de juridische erfgrens is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2026:699:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Midden-Nederland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/16/591873 / HA ZA 25-213</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 18 februari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [eiser sub 1] , <?linebreak?>2. [eiseres sub 2] , </title>
    <parablock>
      <para>beiden wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eisers in conventie,</para>
      <para>verweerders in reconventie,</para>
      <para>hierna samen te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>advocaat: mr. T.J. Roest Crollius,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde sub 1] , <?linebreak?>2. [gedaagde sub 2] , </title>
    <parablock>
      <para>beiden wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagden in conventie,</para>
      <para>eisers in reconventie,</para>
      <para>hierna samen te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>advocaat: mr. R.H.U. Keizer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding van 8 april 2025 met 20 producties, <?linebreak?>- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, </para>
      <para>- de conclusie van antwoord in reconventie met productie 21, <?linebreak?>- de brief waarin is meegedeeld dat de rechter ter plaatse zal komen (een descente zal plaatsvinden) en aansluitend een mondelinge behandeling is bepaald,</para>
      <para>- de descente en de mondelinge behandeling van 4 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft op verzoek van partijen de zaak twee weken aangehouden om partijen de mogelijkheid te geven een schikking te bereiken. Partijen hebben vervolgens laten weten dat zij geen regeling hebben getroffen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn directe buren van elkaar. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] zijn perceel aan de achterkant opgehoogd en bij de erfgrens bielzen aangebracht en een hederahaag geplaatst. De hederahaag is volgens [eiser] wel verwijderd, maar niet volledig. [eiser] vindt dit onrechtmatig en wil dat alles ongedaan wordt gemaakt. [gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] vordert op zijn beurt een verklaring voor recht dat de kadastrale erfgrens tussen beide percelen de juridische erfgrens is. Ook wil [gedaagde] dat het door [eiser] onterecht gebruikte stuk grond van [gedaagde] wordt ontruimd op straffe van een dwangsom. [eiser] verzet zich hiertegen, omdat [gedaagde] zijn rechten zou hebben verwerkt en hij door verjaring eigenaar is geworden van het stuk grond. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. Daarnaast moet [eiser] bewijzen dat het stuk grond van [gedaagde] waarvan ontruiming wordt gevraagd, al twintig jaar wordt gebruikt. De door [gedaagde] gevraagde verklaring voor recht wordt afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">
          [gedaagde] hoeft niets te verwijderen of ongedaan te maken</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De hederahaag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] is ruim 44 jaar eigenaar van het perceel [adres 1] in [woonplaats] (kadastraal bekend als nr. [nummer] ). [gedaagde] is in 2010 eigenaar geworden van het perceel [adres 2] in [woonplaats] (kadastraal bekend als nr. [nummer] ). [gedaagde] had aan de achterkant van zijn perceel binnen een halve meter van de erfgrens met [eiser] een hederahaag geplaatst. Op grond van artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is dat niet toegestaan. Nadat [eiser] [gedaagde] daarop had gewezen, heeft [gedaagde] de hederahaag verwijderd door de stammetjes van de hederahaag af te zagen. Volgens [eiser] is dit niet voldoende. Hij stelt dat [gedaagde] onrechtmatig handelt door de wortels/restanten van de hederahaag niet te verwijderen. [eiser] krijgt hierin geen gelijk. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Weliswaar is het niet toegestaan om een hederahaag binnen een halve meter van de erfgrens te plaatsen, maar artikel 5:42 BW brengt niet met zich mee dat de hederahaag met wortels en al moet worden verwijderd.<footnote-ref linkend="_756aa918-e0cb-4376-b618-d5845a98fc5f" /> Gelet op de parlementaire geschiedenis, is de gedachte achter artikel 5:42 BW vooral het voorkomen dat de nabuur licht, lucht of uitzicht wordt ontnomen. Daarvan is nu geen sprake meer omdat de hederahaag al is afgezaagd. [eiser] heeft verder niet gesteld dat en hoe hij schade lijdt doordat de wortels van de hederahaag nog aanwezig zijn. Daarnaast heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij ervoor zorgt dat de wortels niet gaan woekeren en over de erfgrens heen gaan groeien. Dus levert de aanwezigheid van de wortels van de hederahaag geen onrechtmatige hinder op en is dit niet in strijd met artikel 5:42 BW. [gedaagde] hoeft de wortels/restanten van de hederahaag die binnen een halve meter van de erfgrens staan, daarom niet te verwijderen.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De ophoging van het perceel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Daarnaast stelt [eiser] dat [gedaagde] zijn perceel heeft opgehoogd met zo’n 20 tot 30 centimeter grond. Dit zou volgens [eiser] onrechtmatig zijn. [gedaagde] heeft weersproken dat zijn perceel is opgehoogd en heeft uitgelegd dat zijn perceel is geëgaliseerd, omdat het perceel niet vlak is. Dit egaliseren gebeurt volgens [gedaagde] bij meer percelen in de omgeving. Tijdens de descente was te zien dat het perceel van [gedaagde] inderdaad is geëgaliseerd en dat het perceel nu afloopt richting het water en niet richting het perceel van [eiser] . Hieruit volgt dus juist niet dat het water van het perceel van [gedaagde] naar het perceel van [eiser] stroomt, zoals is aangevoerd. Ook bleek tijdens de descente dat de houten planken die tegen de erfafscheiding zijn gemaakt, boven de grond uitkomen. Dat betekent dat overtollig grond niet op het perceel van [eiser] terecht komt, zoals [eiser] wel stelt. [eiser] heeft tegen deze achtergrond niet goed uitgelegd waarom hij door het egaliseren van het perceel hinder ondervindt in die mate dat het onrechtmatig is te noemen. [gedaagde] hoeft dit dus ook niet ongedaan te maken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De bielzen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Tijdens de descente is verder waargenomen dat er bielzen liggen tegen het hek tussen de percelen van [eiser] en [gedaagde] . Dit hek is de erfafscheiding tussen de percelen en het midden daarvan wordt vermoed de erfgrens te zijn.<footnote-ref linkend="_d0ee3350-2a81-4d91-b136-e154101d5e08" /> Waargenomen is dat de bielzen op het perceel van [gedaagde] <emphasis role="italic">tegen </emphasis>het hek aan liggen. Het is dus niet zo dat de bielzen over de erfgrens heen liggen, zoals [eiser] stelt. Dit betekent dat met de bielzen geen inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser] . [eiser] heeft nog aangevoerd dat de bielzen tegen (de palen van) het hek aandrukken waardoor palen scheef gaan staan, maar ook dit is tijdens de descente niet gezien. Ook is niet gezien dat de grond of het hek is gaan zakken doordat de bielzen er tegenaan drukken, zoals [eiser] tot slot stelt. Omdat niet is gebleken van onrechtmatige hinder door het plaatsen van de bielzen, hoeft [gedaagde] deze niet te verwijderen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Het is niet gebleken dat de erfgrens niet wordt gerespecteerd </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De laatste vordering van [eiser] ziet op het respecteren van de erfgrens. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat deze vordering in het verlengde ligt van de vorderingen tot verwijdering van de bielzen door [gedaagde] omdat die bielzen over de erfgrens heen zouden zijn gelegd. Hiervoor is al overwogen dat de bielzen niet over, maar tegen de erfgrens zijn geplaatst. Hieruit volgt dat de erfgrens in acht is genomen en dus juist niet dat de erfgrens níet wordt gerespecteerd, zoals [eiser] stelt. Omdat [eiser] geen andere feiten en omstandigheden heeft genoemd die tot de conclusie leiden dat de erfgrens niet in acht wordt genomen, wordt ook deze vordering van [eiser] afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Zoals hiervoor is overwogen, is er op geen van de door [eiser] aangevoerde onderdelen sprake van onrechtmatige hinder of inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] . De rechtbank wijst daarom alle vorderingen van [eiser] af. Dit betekent ook dat geen dwangsom wordt opgelegd aan [gedaagde] en dat [gedaagde] geen buitengerechtelijke incassokosten hoeft te betalen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">De juridische erfgrens tussen partijen staat nog niet vast </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De feitelijke situatie tussen de twee percelen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>In 2023 heeft [gedaagde] door het Kadaster een grensreconstructie uit laten voeren. Daaruit volgt dat [eiser] delen van het kadastrale perceel van [gedaagde] in gebruik heeft en dat een deel van de schuur van [eiser] over de kadastrale grens is gebouwd. Tijdens de descente en de mondelinge behandeling is gebleken dat dit gebruik door [eiser] van het kadastrale perceel van [gedaagde] ziet op de voorkant van het perceel vanaf de weg tot aan de zijkant van het perceel aan de achterkant van de door [eiser] geplaatste schuur. Tijdens de descente is ook gezien dat [eiser] – bezien vanaf de voorzijde van het perceel – voor de schuur twee heggen heeft geplaatst. Deze twee heggen staan deels op het kadastrale perceel van [gedaagde] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter op de kadastrale kaart met pen een cirkel geplaatst waar de tweede heg begint (de bovenste cirkel) en schuine strepen waar de schuur over de kadastrale grens is gebouwd. Zie de afbeelding hieronder. </para>
      <para>Afbeelding verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(Foto productie 14)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Om de feitelijke situatie te verduidelijken zijn de onderstaande foto’s toegevoegd. De rechtbank geeft met de blauwe lijn de kadastrale grens aan. Tussen beide rode cirkels staat de eerste heg. Tussen de onderste rode cirkel en de groene cirkel staat de tweede heg. Met de oranje lijn is de rand van de schuur weergegeven. Uit de beschikbare stukken en de waarnemingen tijdens de descente volgt dat de eerste heg, de tweede heg en de schuur van [eiser] (deels) over de kadastrale grens van [gedaagde] liggen.</para>
      <mediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="b4f9b1a6-c127-4418-b11e-801587f85a83" depth="363" width="538" format="image/png" />
        </imageobject>
      </mediaobject>
      <parablock>
        <para>(Foto productie 9 dagvaarding)			(Foto met aanduiding van de rechtbank)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Volgens [gedaagde] is de kadastrale erfgrens die in de eerste afbeelding (productie 14) als stippellijn is getrokken, ook de juridische erfgrens. Hij vordert dat dit voor recht wordt verklaard. Daarnaast wil [gedaagde] dat het onrechtmatig gebruik van het deel van zijn perceel door [eiser] wordt gestaakt en het stuk grond wordt ontruimd. De schuur hoeft van [gedaagde] niet te worden afgebroken, als [eiser] bereid is afspraken te maken in de vorm van een bruikleenovereenkomst. [eiser] stelt hier tegenover dat de grensreconstructie niet klopt. Ook heeft [gedaagde] volgens [eiser] zijn rechten verwerkt om deze vorderingen te kunnen instellen. Daarnaast vindt [eiser] dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de grond, waardoor de kadastrale erfgrens niet de juridische erfgrens is. Hierover wordt als volgt beslist. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De kadastrale grensreconstructie uit 2023 is het uitgangspunt</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Wanneer er onduidelijkheid is over waar de erfgrens loopt en er een haag of muur is geplaatst, is de algemene regel dat wordt vermoed dat het midden van deze haag of muur de erfgrens is tussen twee percelen.<footnote-ref linkend="_f159bede-b33b-4505-a53a-7e0d1b5844ea" /> Dit zou betekenen dat het midden van de twee heggen en de muur van de schuur de erfgrens is, maar dit rechtsvermoeden kan worden weerlegd. Dit heeft [gedaagde] namelijk gedaan door in 2023 de grensreconstructie uit te laten voeren. Dat is voldoende om het vermoeden ontzenuwen.<footnote-ref linkend="_2016de1d-7ce2-4440-94fe-e5193547f210" /> Volgens [eiser] klopt de grensreconstructie uit 2023 niet, maar [eiser] heeft onvoldoende uitgelegd waarom dit zo zou zijn. Hij heeft niks gedaan om de grensreconstructie uit 2023 te weerspreken, behalve te verwijzen naar de eerdere grensreconstructie uit het jaar 2000 dat [eiser] toen heeft laten uitvoeren. Wanneer de grensreconstructie uit 2000 wordt vergeleken met die uit 2023 is daartussen overigens geen wezenlijk verschil te zien. Daarom houdt de rechtbank vast aan de (kadastrale) grens die blijkt uit de grensreconstructie van 2023. Dit hoeft niet te betekenen dat dit ook de juridische erfgrens is. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van verjaring of van rechtsverwerking, waardoor de juridische grens niet (meer) samenvalt met de kadastrale grens. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [eiser] is door verjaring eigenaar geworden van een deel van het perceel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Uit de wet volgt dat iemand die een goed bezit, het goed verkrijgt op het moment dat de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit verjaart.<footnote-ref linkend="_c087b29f-c10b-418e-bd1b-cff1938bd414" /> De bedoelde verjaringstermijn is in dit geval twintig jaar en begint te lopen op de dag volgend waarop die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden.<footnote-ref linkend="_da47b94c-0fa9-40d5-8415-b52da67442dc" /> Dit wordt ook wel bevrijdende verjaring genoemd en een vereiste daarvan is dat sprake is van ondubbelzinnig bezit. De vraag of sprake is van dit bezit moet worden beantwoord volgens artikel 3:107 BW en verder. Voor bevrijdende verjaring hoeft de bezitter niet ‘te goeder trouw’ te zijn. Wanneer de bezitter wél te goeder trouw is (níet wist of hoorde te weten dat het goed van een ander was), geldt een kortere verjaringstermijn van tien jaren en is sprake van verkrijgende verjaring.<footnote-ref linkend="_9a7fa942-bed2-4b80-88ca-ebd86f2e0ff1" /> De stelplicht en bewijslast wat betreft de verjaring rusten op [eiser] omdat hij zich beroept op de rechtgevolgen daarvan.<footnote-ref linkend="_bc2368c0-24bd-45ef-839a-e0f79a7ce245" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat [eiser] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de grond waar de eerste heg op het kadastrale perceel van [gedaagde] staat. Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen verklaard dat deze eerste heg er al langer dan twintig jaar staat. Door het plaatsen van de heg heeft [eiser] het stuk grond in bezit genomen omdat [eiser] op deze manier de feitelijke macht over de grond uitoefent en dit voor zichzelf doet. [eiser] heeft de grond vervolgens verkregen door dit langer dan twintig jaar te bezitten. [gedaagde] heeft de verjaring met betrekking tot dit deel van het perceel ook erkend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>Daarnaast is [eiser] door bevrijdende verjaring eigenaar geworden van de grond vanaf het begin van de schuur tot het einde van de schuur dat over de kadastrale grens is gebouwd. Zowel op foto 1 (de schuine strepen) als op foto 2 in randnummer 3.8 is te zien dat een deel van de schuur op het kadastrale perceel van [gedaagde] is gebouwd. Volgens [eiser] staat de huidige schuur er al sinds 2000 of 2001. Voorafgaand aan de bouw van de schuur heeft hij de kadastrale grensreconstructie van 24 januari 2000 laten uitvoeren. Volgens [eiser] heeft hij kort daarna de huidige schuur gebouwd. Dat de huidige schuur er al staat sinds 2000/2001 wordt in algemene zin betwist door [gedaagde] , maar het is niet onderbouwd waarom de schuur er niet al zo lang kan staan. Gelet hierop gaat de rechtbank uit van wat [eiser] hierover heeft gesteld. Daarom is komen vast te staan dat de huidige schuur in ieder geval al vanaf 2001 op de huidige plaats staat en dat [eiser] de grond onder de schuur vanaf dat moment in bezit heeft genomen. [eiser] heeft met de bouw van de schuur namelijk de feitelijke macht over het stuk grond uitgeoefend. Dit betekent dat [eiser] de grond langer dan twintig jaar bezit en het door verjaring heeft verkregen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geen verklaring voor recht dat de kadastrale grens ook de juridische grens is </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>Hiervoor is overwogen dat [eiser] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van bepaalde stukken grond van het kadastrale perceel van [gedaagde] . Dit betekent de kadastrale grens niet (ook) kan worden gezien als de juridische grens tussen de beide percelen. De in dit kader door [gedaagde] gevraagde verklaring voor recht kan daarom niet worden toewezen in de vorm zoals deze is gevorderd. Deze vordering van [gedaagde] wordt dus afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [eiser] moet bewijzen dat de erfgrens bij de tweede heg al twintig jaar zo loopt </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>Met betrekking tot de tweede heg die (deels) op het kadastrale perceel van [gedaagde] staat, staat op dit moment niet vast of [eiser] hiervan ook eigenaar is geworden door verjaring. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagde] en zijn advocaat gezegd dat [eiser] rond 2012 of 2013 (hierna: 2012/2013) de tweede heg heeft geplaatst. Dit is niet weersproken door [eiser] waardoor daarvan wordt uitgegaan. Gerekend vanaf het moment dat de tweede heg is geplaatst (in 2012/2013) is de verjaringstermijn van twintig jaar nog niet verlopen, maar wel de verjaringstermijn van tien jaar. Het is daarom de vraag of er met betrekking tot de tweede heg sprake is van verkrijgende verjaring. [eiser] hebben zich daar namelijk op beroepen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>Zoals hiervoor als is overwogen, moet voor een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring sprake zijn van goede trouw. Goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn en het ontbreken hiervan moet worden bewezen.<footnote-ref linkend="_2677c2d2-6833-4a7c-96d7-3a5c3ede26bc" /> Dit heeft [gedaagde] gedaan door te verwijzen naar de grensreconstructie uit 2000 die [eiser] heeft laten uitvoeren. Op basis van deze grensreconstructie was [eiser] bekend met de kadastrale erfgrens en wist hij (of moest hij weten) hoe de grens liep. Door te weten waar de kadastrale erfgrens liep had hij er in 2012/2013 bekend mee moeten zijn dat de tweede heg deels op het perceel van [gedaagde] was geplaatst. Hierdoor kan [eiser] in 2012/2013 niet te goeder trouw zijn toen hij de heg plaatste, zodat op dat moment geen verjaringstermijn van tien jaar is gaan lopen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <para>Gelet hierop zou de conclusie kunnen zijn dat geen sprake is van verjaring wat betreft de tweede heg. Maar [eiser] stelt dat de situatie met de erfgrens zoals deze nu is, al meer dan 60 jaar hetzelfde is. Voordat deze tweede heg (in 2012/2013) is geplaatst, zou de erfgrens volgens [eiser] ook al zo hebben gelopen en zou het stuk grond door het perceel van [eiser] in gebruik zijn. Dit betoog vindt steun in de door [eiser] overgelegde recente verklaring van de vorige eigenaar van het perceel [adres 2] in Harmelen, rechtsvoorganger van [gedaagde] . Zij schrijft daarin het volgende: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Toen wij er in 1990 kwamen wonen was de erfgrens al jaren hetzelfde, daar is nooit iets aan veranderd. (vanaf ca. 1965).”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>Als het inderdaad zo is dat de erfgrens al sinds de vorige eeuw ongewijzigd is, kan daaruit worden afgeleid dat [eiser] , of een eventuele rechtsvoorganger, voorafgaand aan het plaatsen van de tweede heg de grond al (ondubbelzinnig) in bezit had genomen. Dit is bijvoorbeeld zo als [eiser] (of een rechtsvoorganger) daar al eerder een heg of schutting had geplaatst, die later is vervangen door de heg uit 2012/2013. Op dit moment is dat onveranderde bezit (nog) niet komen vast te staan omdat [gedaagde] de stelling van [eiser] betwist. Volgens [gedaagde] is de erfafscheiding met de komst van de tweede heg in 2012/2013 een stukje opgeschoven op het perceel van [gedaagde] . Omdat [eiser] een beroep doet op verjaring is het aan hem om voldoende onderbouwd te stellen en bij betwisting feiten en omstandigheden te bewijzen voor zijn stelling dat hij de grond onder de tweede heg langer dan twintig jaar in bezit heeft. De rechtbank zal [eiser] daarom opdragen te bewijzen dat:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>de erfgrens bij de tweede heg al langer dan twintig jaar voor 6 augustus 2025 (de datum van de eis in reconventie) feitelijk zo loopt; en</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het stuk grond onder de tweede heg langer dan twintig jaar voor 6 augustus 2025 onafgebroken door [eiser] is gebruikt op een manier dat duidelijk is dat hij zich als eigenaar van die grond beschouwt;</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para>Het staat [eiser] vrij te bepalen hoe hij dit bewijs wil leveren. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De eindbeslissing hangt af van het slagen van de bewijsopdracht </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19.</nr>
      <para>Als [eiser] slaagt in zijn bewijsopdracht zal de rechtbank oordelen dat [eiser] door bevrijdende verjaring ook eigenaar is geworden van de grond onder de tweede heg. In dat geval kan [gedaagde] zich niet beroepen op zijn eigendomsrecht en worden alle vorderingen van [gedaagde] in reconventie afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20.</nr>
      <para>Als [eiser] niet slaagt in zijn bewijsopdracht, zal de vordering van [gedaagde] wat betreft het stuk grond onder de tweede heg worden toegewezen op de manier die in het eindvonnis zal worden omschreven. Het beroep dat [eiser] op rechtsverwerking heeft gedaan, slaagt namelijk niet. De rechtbank legt hierna uit waarom. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Er is geen sprake van rechtsverwerking </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21.</nr>
      <para>Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een manier die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid.<footnote-ref linkend="_75b8d725-39fb-4152-90f6-d366297e4ce0" /> Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop onvoldoende voor een succesvol beroep op rechtsverwerking. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden als het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22.</nr>
      <para>Het beroep op rechtsverwerking slaagt hier niet. Het is niet zo dat [gedaagde] een lange tijd stil heeft gezeten tot aan het instellen van zijn vorderingen. Het is [gedaagde] bij de grensreconstructie in 2023 pas duidelijk geworden dat delen van zijn perceel worden gebruikt door [eiser] . Sindsdien zijn partijen met elkaar in gesprek over de erfgrens tussen de beide percelen. Op 6 augustus 2025 heeft [gedaagde] de vordering in reconventie ingesteld. Daarbij komt dat stilzitten op zichzelf niet voldoende is voor het aannemen van rechtsverwerking. Uit de hiervoor genoemde gang van zaken volgt niet dat [gedaagde] daarnaast het vertrouwen heeft gewekt dat hij geen aanspraak zou maken op het eigendomsrecht van zijn perceel. [eiser] heeft geen andere (bijzondere) omstandigheden gesteld, waaruit volgt dat bij [eiser] een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [gedaagde] zijn rechten niet meer zou inroepen. Van rechtsverwerking is dus geen sprake. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">In conventie en in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Het vervolg van de procedure </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23.</nr>
      <para>Op grond van artikel 138 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden zaken in conventie en in reconventie bij een en hetzelfde eindvonnis beslist, tenzij de rechter van oordeel is dat de zaak in conventie of die in reconventie vroeger kan worden afgedaan. In deze zaken oordeelt de rechtbank dat in het belang van partijen en de goede procesorde de zaak in conventie niet vroeger kan worden afgedaan dan de zaak in reconventie. Dit betekent dat in afwachting van de bewijsopdracht in reconventie, iedere formele beslissing in conventie en in reconventie zal worden aangehouden. Het eindvonnis zal worden gewezen in lijn met wat in dit vonnis is overwogen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24.</nr>
      <para>De zaak in reconventie zal weer op de rol komen voor schriftelijke uitlating door [eiser] of hij bewijs als bedoeld in randnummer 3.18 wil leveren en op welke manier, namelijk door het overleggen van bewijsstukken, het horen van getuigen en/of een ander bewijsmiddel. [gedaagde] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren. De rechtbank benadrukt dat partijen zich in het vervolg alleen nog kunnen uitlaten over de bewijsopdracht als omschreven in randnummer 3.18 en dat het uitdrukkelijk <emphasis role="underline">niet</emphasis> de bedoeling is dat partijen zich uitlaten over andere overwegingen uit dit vonnis.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan; </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>draagt [eiser] op te bewijzen wat is geformuleerd in randnummer 3.18 onder a en b; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag <emphasis role="bold">1 april 2026</emphasis> voor uitlating door [eiser] of hij bewijs willen leveren en of hij dit wil doen door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>bepaalt dat, als [eiser] geen bewijs door het horen van getuigen willen leveren maar wel <emphasis role="bold">bewijsstukken</emphasis> willen overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moeten brengen, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>bepaalt dat, als [eiser] <emphasis role="bold">getuigen</emphasis> willen laten horen, hij de getuigen en de verhinderdata van de partijen en hun advocaten in de maanden <emphasis role="bold">april </emphasis>tot en met <emphasis role="bold">juli</emphasis> dan direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. C.A.J. van Yperen, in het gerechtsgebouw te Utrecht, Vrouwe Justitiaplein 1, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>bepaalt dat <emphasis role="bold">alle partijen </emphasis>uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor <emphasis role="bold">alle beschikbare bewijsstukken </emphasis>aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.J. van Yperen en in het openbaar uitgesproken door mr. N.A.J. Purcell op 18 februari 2026. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>5718 (MM)</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_756aa918-e0cb-4376-b618-d5845a98fc5f" label="1">
    <para> Zie: Hof 's-Gravenhage 04-03-2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AQ5915.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d0ee3350-2a81-4d91-b136-e154101d5e08" label="2">
    <para> Artikel 5:36 BW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f159bede-b33b-4505-a53a-7e0d1b5844ea" label="3">
    <para> Artikel 5:36 BW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2016de1d-7ce2-4440-94fe-e5193547f210" label="4">
    <para> Zie o.a. Rb Midden-Nederland 1 februari 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:495, r.o. 5.7. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c087b29f-c10b-418e-bd1b-cff1938bd414" label="5">
    <para> Artikel 3:105 lid 1 BW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_da47b94c-0fa9-40d5-8415-b52da67442dc" label="6">
    <para> Artikel 306 BW en artikel 314 lid 2 BW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9a7fa942-bed2-4b80-88ca-ebd86f2e0ff1" label="7">
    <para> Artikel 3:99 lid 1 BW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bc2368c0-24bd-45ef-839a-e0f79a7ce245" label="8">
    <para> Artikel 150 Rv. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2677c2d2-6833-4a7c-96d7-3a5c3ede26bc" label="9">
    <para> Artikel 3:118 lid 3 BW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_75b8d725-39fb-4152-90f6-d366297e4ce0" label="10">
    <para> zie o.a. HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574, r.o. 4.2.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>