<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2026:3233</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-12T12:20:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96.076267.24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3233">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3233</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-12T12:02:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2026:3233 Rechtbank Midden-Nederland , 29-01-2026 / 96.076267.24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2026:3233:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Samenwerkingsovereenkomst, Convenant ”optreden op elkaars grondgebied voor BOA’s domein II, provincie Utrecht”. Bevoegdheid buitengewoon opsporingsambtenaar Vereniging Natuurmonumenten op landgoed. Eindvonnis. De officier van justitie laat na om aan de opdracht in het tussenvonnis te voldoen. Daardoor kan de kantonrechter de opsporingsbevoegdheid van de verbalisanten en de toepasselijkheid van de Samenwerkingsovereenkomst niet beoordelen. Vrijspraak voor de verdachte.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2026:3233:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="be9bd9d0-d78d-44d8-89b8-7b597cf20a1f" depth="2" width="13" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="7e0f9975-c9e7-4c55-a6f4-9b40626467e5" depth="2" width="523" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>vonnis</para>
  <section>
    <title>RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Utrecht</para>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 96.076267.24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 29 januari 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de kantonrechter, in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,</para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 september 2025 en 20 januari 2026. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is aanhangig gemaakt bij oproeping van 23 januari 2025, naar aanleiding van het verzet van verdachte tegen de aan hem opgelegde strafbeschikking van 19 december 2023 met nummer [CJIB-nummer] ten bedrage van € 100. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van 2 april 2025 is het onderzoek ter zitting door een andere kantonrechter voor onbepaalde tijd aangehouden. Op 15 september 2025 is het onderzoek door de vandaag oordelende kantonrechter opnieuw aangevangen. Bij tussenvonnis van 26 september 2025 heeft hij het onderzoek heropend. Op 20 januari 2026 is het onderzoek ter zitting voortgezet. De kantonrechter heeft vastgesteld vandaag uitspraak te zullen doen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">hij op of omstreeks 3 december 2023 te Bilthoven, gemeente De Bilt, niet (op eerste vordering) heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht / het Wetboek van Strafvordering / het Wetboek van Strafrecht;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">( art 2 Wet op de identificatieplicht, art 447e Wetboek van Strafrecht )</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De formele voorvragen.</title>
    <para>De kantonrechter stelt vast dat de oproeping geldig is. De kantonrechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. Wat de ontvankelijkheid van de officier van justitie betreft, overweegt de kantonrechter dat, anders dan de verdediging stelt, niet is komen vast te staan dat door een onbevoegde verbalisant een identiteitsbewijs van de verdachte werd gevorderd. Waarom de kantonrechter tot dit oordeel komt, zal de kantonrechter hieronder nader motiveren. Eens te meer is daardoor niet gebleken dat daardoor de officier van justitie nu niet ontvankelijk zou zijn in zijn vervolging. Ook is de officier van justitie niet niet-ontvankelijk door het niet overleggen van aktes met betrekking tot de bevoegdheid van de betrokken verbalisanten, waardoor de verdediging in het uitvoeren van haar taak is belemmerd. De daarover door de verdediging naar voren gebrachte stellingen komen naar het oordeel van de kantonrechter wel in aanmerking om te worden beschouwd als een subsidiair gevoerd bewijsverweer, strekkend tot vrijspraak. De verweren moeten worden verworpen voor zover deze zich richten op de ontvankelijkheid. De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vervolging. Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Ten aanzien van het bewijs</title>
    <para>De kantonrechter stelt het volgende vast. Een verbalisant van de Vereniging Natuurmonumenten trad handhavend op toen hij en zijn collega van Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (hierna: RUD Utrecht) naar hun zeggen in hun proces-verbaal op het [landgoed] constateerden dat de verdachte zijn hond onaangelijnd uit liet in strijd met de toegangsregels tot dit landgoed. De verbalisant van Vereniging Natuurmonumenten vorderde vervolgens van de verdachte dat deze een identiteitsbewijs ter inzage aanbood. De verdachte voldeed daar niet op eerste vordering aan, omdat hij volgens zijn verklaring in het proces-verbaal en ter zitting in de veronderstelling verkeerde dat hij geen identiteitsbewijs op zak had (maar wel in de auto). Even later bleek, zo heeft de verdachte in zijn verzetschrift en ter zitting verklaard, dat hij bij toeval toch zijn paspoort wel degelijk bij zich droeg.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft zich reeds in het verzetschrift, dat door de officier van justitie werd ontvangen op 29 december 2023, op het standpunt gesteld dat de verbaliserende buitengewoon opsporingsambtenaar die in dienst was van de Vereniging Natuurmonumenten maar tezamen met een buitengewoon opsporingsambtenaar van de RUD Utrecht buiten een terrein van natuurmonumenten optrad, namelijk op [landgoed] , niet bevoegd was. De verdediging heeft toen ook gesteld dat als de officier van justitie meent dat de verbalisant wel bevoegd was, de officier van justitie een aanstellingsakte en andere bescheiden moet overleggen waaruit die bevoegdheid blijkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorafgaand aan de zitting van 2 april 2025 heeft de verdediging op 25 maart 2025 een pleitnota toegestuurd aan de officier van justitie en de kantonrechter. Ook daarin werd de onbevoegdheid van de verbalisanten betoogd. Daarbij gevoegd was een Samenwerkingsovereenkomst, Convenant “Optreden op elkaars grondgebied voor BOA’s domein II, provincie Utrecht” uit 2016. Ook is toen een “Gezamenlijke toezichtskalender 2023” overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste in de considerans van de Samenwerkingsovereenkomst genoemde overweging is dat de deelnemende partijen het ter borging van een adequate opsporing en handhaving noodzakelijk achten de buitengewoon opsporingsambtenaren, bedoeld onder punt 1.2, telkens met inachtneming van hun wettelijke bevoegdheden in te kunnen zetten op elkaars grondgebied, teneinde optimaal gebruik te maken van de in de regio aanwezige (BOA) opsporings- en handhavingscapaciteit, wanneer deze capaciteit onvoldoende is of onvoldoende dreigt te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Samenwerkingsovereenkomst is aangegaan door de vertegenwoordigers van 45 eigenaren van landgoederen en natuurterreinen, van 25 gemeenten, de provincie Utrecht, de politie, het OM functioneel parket, Omgevingsdienst regio Utrecht, RUD Utrecht, twee hoogheemraadschappen, een waterschap en Rijkswaterstaat. Van al deze vertegenwoordigers staan de handtekeningen op de aan de Samenwerkingsovereenkomst hangende lijst. Voor gezien en akkoord is getekend namens de toezichthouder, de hoofdofficier van justitie bij het functioneel parket, en door vier direct toezichthouders, de Inspecteur Generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de chef van de eenheid Midden-Nederland, de chef van de eenheid Noord-Holland en de Directeur-Generaal van Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Samenwerkingsovereenkomst omvat onder meer de volgende artikelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 2 Uitoefening opsporingsbevoegdheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De buitengewoon opsporingsambtenaar is gerechtigd zijn opsporingsactiviteiten en</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opsporingsbevoegdheden uit te oefenen in het werkgebied van alle deelnemende</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">partijen, binnen het grondgebied van de provincie Utrecht.</emphasis>
        </para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De buitengewoon opsporingsambtenaar oefent zijn opsporingsbevoegdheid in een</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ander gebied dan zijn werkgebied uit in het geval van:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>a. <emphasis role="italic">a) Het op heterdaad constateren van strafbare feiten. In het Handboek Uniform</emphasis></para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Optreden boa’s provincie Utrecht kan iedere deelnemende partij afspraken</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">vastleggen of de BOA waarschuwend of verbaliserend optreedt bij de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">constatering van strafbare feiten in een ander werkgebied dan zijn eigen;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">b) Gezamenlijke (handhavings)acties en -projecten die voortvloeien uit het door</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">partijen afgesproken handhavingsprogramma;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">c) Gezamenlijke (handhavings)acties en -projecten onder operationele aansturing</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">van de politie;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">d) Samenwerkingsverbanden waarbij BOA's gezamenlijk in elkaars werkgebied</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">controleren en handhavend optreden;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">e) Een noodsituatie in een ander werkgebied, met als voorwaarde, dat</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">voorafgaand aan het ondertekenen van dit convenant door de deelnemende</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">partijen afspraken zijn gemaakt met de politie over assistentieverlening bij</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">noodsituaties en dat de politie bij noodsituaties onverwijld op de hoogte wordt</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gesteld.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 5 Samenwerking</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De BOA is primair werkzaam binnen de geografische begrenzingen en het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">inhoudelijke werkterrein van het gebied van de werkgever, zoals die zijn aangegeven</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">op de akte van beëdiging.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 7 Functieuitoefening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De buitengewoon opsporingsambtenaar wendt geen bevoegdheden aan die buiten</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">de aan zijn functieomschrijving gerelateerde taken vallen. Daarbij is de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">functieomschrijving van de werkgever, waaraan de buitengewoon</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opsporingsambtenaar zijn bevoegdheid ontleent (akte van opsporingsbevoegdheid),</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bepalend.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 8 Werkgever van de boa</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">ledere werkgever spreekt door ondertekening van dit convenant uit dat de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">samenwerking met andere deelnemende partijen onderdeel is van zijn taakopvatting.</emphasis>
        </para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">ledere werkgever legt werkafspraken vast in het geactualiseerde Handboek Uniform</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Optreden boa’s provincie Utrecht. In dit handboek worden operationele afspraken</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opgenomen met de andere deelnemende partijen over de feitelijke inzet van de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">betreffende BOA.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ook bijgevoegd was diverse correspondentie waaruit naar voren komt dat de beide verbalisanten zich wel degelijk opsporingsbevoegd achten, dat de Vereniging Natuurmonumenten van mening is dat haar buitengewoon opsporingsambtenaar op [landgoed] opsporingsbevoegd was, dat RUD Utrecht meent dat zijn buitengewoon opsporingsambtenaar in de hele provincie Utrecht en dus ook op [landgoed] opsporingsbevoegd was, en dat de toezichthouder, de hoofdofficier van justitie functioneel parket, en direct toezichthouders volgens een woordvoerder van mening verschillen met de provincie Utrecht (en dus ook met Vereniging Natuurmonumenten, toevoeging kantonrechter) over de bevoegdheid van de boa van Vereniging Natuurmonumenten in dit specifieke geval. Een argumentatie voor die beweerdelijk bij de toezichthouders levende mening werd daarbij niet gegeven.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 2 april 2025 heeft de officier van justitie verzocht het onderzoek ter zitting aan te houden, omdat hij zich niet inhoudelijk heeft kunnen voorbereiden door een ICT-storing. Ondanks verzet daartegen door de verdediging heeft de kantonrechter de zaak aangehouden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ter zitting van 15 september 2025 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende reden is om te twijfelen aan de bevoegdheid van de verbalisant van Vereniging Natuurmonumenten en gevorderd dat de verdachte, met vernietiging van de strafbeschikking, wordt veroordeeld tot een geldboete van € 100.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 26 september 2025 aan de officier van justitie opgedragen om ervoor zorg te dragen dat binnen acht weken aan het dossier worden toegevoegd: een notitie van of namens de toezichthouder en de aktes van aanstelling en beëdiging van de verbalisanten waaruit hun bij aanstelling gegeven bevoegdheden, geografische begrenzingen en inhoudelijk werkterrein blijken, een en ander mede gelet op artikel 5.1 en 7.1 van de Samenwerkingsovereenkomst.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het feit dat eind december nog niets aan het dossier was toegevoegd, heeft de griffier de officier van justitie op 22 december telefonisch kort gewezen op deze zaak waarvoor speciaal een zitting is aangemaakt. De kantonrechter heeft op 8 januari 2026 in een telefoongesprek met de officier van justitie erop gewezen dat deze zaak op de rol van 20 januari 2026 staat en dat in deze zaak van groot belang is dat de in het tussenvonnis genoemde stukken nog voor de zitting aan het dossier worden toegevoegd, zodat de kantonrechter en de verdediging voldoende gelegenheid hebben om de zitting voor te bereiden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 8 januari 2026 is een notitie toegevoegd gedateerd 7 januari 2026, namens de toezichthouder functioneel parket. Daarin wordt onder meer vooropgesteld dat convenanten alleen kunnen worden afgesloten door werkgevers die boa’s in dienst hebben. Partijen die geen boa’s in dienst hebben, kunnen ingevolgde de Beleidsregels niet deelnemen aan zo’n convenant, gezien het feit “dat het daardoor om een verkapte inhuurconstructie zou gaan (geen boa’s in dienst, wel gebruik willen maken van boa’s van andere partijen)”. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vervolgens wordt in de notitie met verwijzing naar artikel 2.2 van de Samenwerkingsovereenkomst gesteld dat de onder 2.2 sub a genoemde Handboek Uniform Optreden boa’s provincie Utrecht er niet was, zodat er geen opsporing kon plaats vinden onder de het bereik van artikel 2.2 sub a.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Volgens de notitie is ook de situatie van artikel 2.2 sub d niet van toepassing omdat er geen samenwerkingsverband bestaat tussen de betreffende werkgevers om in elkaars gebied te gaan controleren en handhaven, en omdat de twee verbalisanten zelfstandig hebben besloten om met elkaar een dienst te draaien. De andere drie subcategorieën zijn vanzelfsprekend niet van toepassing. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De notitie vermeldt (onder meer) nog dat de verbalisant van RUD Utrecht in de gehele provincie opsporingsbevoegd is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verbalisant van Vereniging Natuurmonumenten is volgens de notitie niet opsporingsbevoegd op [landgoed] , omdat niet aan de voorwaarden van het convenant is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 13 januari 2026 heeft de kantonrechter de officier van justitie per mail erop gewezen dat in het tussenvonnis ook om aktes was gevraagd en de hoop uitgesproken dat de officier van justitie dit niet over het hoofd heeft gezien.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De aktes zijn niet aan het dossier toegevoegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ter zitting van 20 januari 2026 heeft de kantonrechter de officier van justitie meegedeeld dat hij, de kantonrechter, het betreurt dat, ondanks de al voorafgaand aan de allereerste zitting duidelijke en gemotiveerde betwisting van de bevoegdheid van de verbalisanten en dus de evidentie dat hun aktes van aanstelling en beëdiging aan het dossier worden toegevoegd, ondanks alle gelegenheid gedurende zoveel maanden om daaraan te voldoen, ondanks drie zittingen, ondanks een tussenvonnis dat er nadrukkelijk om vraagt, en ondanks zoveel herinneringen, de aktes van aanstelling en beëdiging niet zijn toegevoegd. De verdediging heeft toen opgemerkt dat die in de maanden voorafgaand aan de laatste zitting ook meerdere keren bij het openbaar ministerie aan de bel heeft getrokken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zijn excuses aangeboden voor het niet toevoegen van de aktes ofschoon dat in een vonnis was opgedragen. Hij heeft de mail van 13 januari 2026 pas daags voor de zitting opgemerkt en van een collega begrepen dat met het opvragen van aktes wel een halve dag gemoeid kan zijn. Gelet op zijn in te nemen standpunt en andere urgente verplichtingen heeft hij daarom aan andere werkzaamheden prioriteit gegeven.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft de verdachte vervolgens gecomplimenteerd met zijn kritische houding ten aanzien van de bevoegdheid van de verbalisant, en gevorderd dat de strafbeschikking wordt vernietigd en dat de verdachte wordt vrijgesproken. Hij sluit zich ter motivering hiervan aan bij de notitie die namens de toezichthouder is opgesteld. Die laat volgens hem geen andere uitkomst toe.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging heeft, overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen, bepleit dat de officier van justitie niet ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dat de verdachte wordt vrijgesproken, meer subsidiair, voorwaardelijk, dat getuigen worden gehoord.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De kantonrechter heeft hierboven reeds de ontvankelijkheid beoordeeld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van het bewijs overweegt de kantonrechter nu dat het hem na lezing van de notitie van 7 januari 2026 onduidelijk is waarom met zoveel eigenaren van landgoederen, waarvan er ongetwijfeld meer dan alleen [landgoed] zelf geen boa’s in dienst hebben, een samenwerkingsovereenkomst wordt gesloten, en waarom de direct toezichthouders en de vier toezichthouders die voor akkoord ondertekenen, en waarom artikel 2.1 luidt zoals het luidt, als niet de uitdrukkelijke bedoeling wel degelijk is dat alle boa’s tezamen met een andere bevoegde boa op alle betrokken landgoederen kunnen controleren en handhaven. Nergens in de Samenwerkingsovereenkomst en, als de kantonrechter het goed ziet, ook nergens in de Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar blijkt dat “freeriders” worden uitgesloten van handhaving en opsporing door boa’s in dienst bij een andere terreinbeheerder. De kantonrechter wijst ten overvloede op de bijzonderheid dat artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht betrekking heeft op toegangsverboden die niet door een wetgever maar door elke willekeurige particuliere terreineigenaar kunnen worden ingesteld. Zo’n verbod vergt geen eigen handhaver of opsporingsambtenaar.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>En, ook overwegend naar aanleiding van de notitie: een Handboek Uniform Optreden boa’s provincie Utrecht was er wel degelijk - het is door de verdediging overgelegd, alleen droeg het in 2023 nog een andere naam. Hetzelfde document zou volgens de overgelegde stukken naar aanleiding van deze zaak in 2024 wel de juiste naam krijgen. En de in de notitie gegeven redenering waarom niet onder 2.2 sub d opsporingsbevoegd kon worden opgetreden door verbalisanten die “zelfstandig besluiten samen een dienst te draaien”, kan de kantonrechter ook niet onmiddellijk volgen. Een boa is toch in beginsel 24/7 bevoegd op te sporen, mits binnen hun eigen bevoegdheid en binnen de kaders van de Samenwerkingsovereenkomst?</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Echter, wat wellicht naast nadere overweging van alle uitgewisselde argumenten en de toepasselijkheid van de Samenwerkingsovereenkomst noodzakelijk blijft voor de beoordeling van de opsporingsbevoegdheid van de beide verbalisanten, nu deze gemotiveerd betwist is, en omdat artikel 5.1 en 7.1 van de Samenwerkingsovereenkomst ernaar verwijzen, is dat de kantonrechter kan beschikken over de nodige aktes van de verbalisanten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu die er niet zijn, is de opsporingsbevoegdheid van de verbalisant van Vereniging Natuurmonumenten en daarmee zijn bevoegdheid om op [landgoed] het aanbieden van een identiteitsbewijs te vorderen, niet gebleken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De kantonrechter heeft overwogen om de zaak andermaal aan te houden om alsnog het overleggen van de aktes te bewerkstelligen. Daarmee zou wellicht het belang gediend kunnen zijn van 79 natuurterreinen beherende partijen en de vijf toezichthouders om na een vierde zitting (althans in eerste aanleg) een rechterlijk oordeel te krijgen over de reikwijdte van de Samenwerkingsovereenkomst in de gehele provincie Utrecht, nu daarover kennelijk verdeeldheid bestaat. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De kantonrechter is echter tot de vaststelling gekomen dat het openbaar ministerie een meer dan faire kans heeft gekregen om, gelet op de evident verder strekkende belangen dan alleen die van de verdachte in deze zaak, een inhoudelijk rechterlijk oordeel te krijgen. Aan de kant van de verdediging is er bovendien alles aan gedaan om tijdig en duidelijk alle feiten en omstandigheden boven tafel te krijgen ter onderbouwing van de gestelde onbevoegdheid. De verdachte en zijn opeenvolgende raadslieden hebben respectievelijk kosten noch moeite gespaard. Een en ander leidt er daarom toe dat de kantonrechter van oordeel is dat geen verdere gelegenheid moet worden gegeven aan de officier van justitie voor het overleggen van de nodige aktes, eens te meer nu de officier van justitie daar zelf niet om heeft gevraagd en juist zelf vrijspraak heeft gevorderd (zij het op basis van zijn inhoudelijk oordeel over de reikwijdte van de Samenwerkingsovereenkomst – waaraan de kantonrechter dus niet toekomt). Aan de belangen van de verdachte moet nu het meeste gewicht worden toegekend.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu niet buiten gerede twijfel is gebleken dat de verbalisant van de Vereniging Natuurmonumenten bevoegd was om het identiteitsbewijs te vorderen, moet er in het voordeel van de verdachte vanuit worden gegaan dat dat niet zo was. Dat heeft tot gevolg dat er geen rechtmatig gedane vordering is geweest om het identiteitsbewijs aan te bieden, en dat voor de verdachte daarom geen verplichting bestond om aan de vorderende verbalisant zijn identiteitsbewijs aan te bieden, en dat dus niet bewezen kan worden wat aan de verdachte ten laste is gelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing:</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter vernietigt daarom de opgelegde strafbeschikking en spreekt de verdachte vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, kantonrechter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,</para>
      <para>en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>