<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2026:143</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-06T12:41:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 25/902</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:143">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:143</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-06T12:40:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2026:143 Rechtbank Midden-Nederland , 16-01-2026 / UTR 25/902</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2026:143:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Participatiewet - buiten behandelingstelling aanvraag - niet alle documenten overgelegd - ook geen recht op bijstand i.v.m. verblijf in detentie - beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2026:143:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: UTR 25/902 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [plaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht</emphasis>, het college </para>
      <para>(gemachtigde: J. Hekelaar).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Het college heeft de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiser buiten behandeling heeft kunnen stellen<emphasis role="italic">.</emphasis> Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 5 juli 2024 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebleven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft op 25 mei 2024 telefonisch contact opgenomen met het college en aangegeven dat hij op dat moment in detentie verblijft, maar dat hij verwacht binnen een paar weken vrij te zijn en dat hij daarom een aanvraag voor een bijstandsuitkering wil indienen. Eiser heeft tijdens dit gesprek aangegeven dat hij niets bezit, behalve een betaalrekening en een identiteitsbewijs. Vervolgens heeft eiser op 19 juni 2024 een bijstandsuitkering gevraagd. </para>
    <para />
    <para>4. Bij brief van 26 juni 2024 heeft het college aan eiser gevraagd om voor 4 juli 2024 de volgende stukken aan te leveren: </para>
    <para>- een kopie bewijs van vrijlating uit de PI;</para>
    <para>- een bewijs van inschrijving in Stichtse Vecht;</para>
    <para>- een kopie huurcontract;</para>
    <para>- een kopie identiteitsbewijs; en </para>
    <para>- een kopie van bankafschriften van de afgelopen maanden. </para>
    <para />
    <para>5. Eiser heeft bij brief van 2 juli 2024 gereageerd en aangegeven dat hij wegens overmacht niet beschikt over de gevraagde stukken. Vervolgens heeft het college de aanvraag van eiser op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. </para>
    <para />
    <para>6. Eiser is hiertegen in bezwaar gegaan en geeft in zijn bezwaarschrift aan dat hij een kopie van zijn identiteitsbewijs meestuurt. Het college stelt echter geen kopie van een identiteitsbewijs te hebben ontvangen. Het college heeft het bezwaar van eiser, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften, ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>7. Eiser voert aan dat het college ten onrechte zijn aanvraag buiten behandeling heeft gesteld. Eiser heeft tijdig een kopie van zijn identiteitsbewijs overgelegd. Verder voert hij aan dat als hij dit toch te laat heeft gedaan, dit verschoonbaar is omdat eiser zich in detentie bevond. Eiser kan de overige stukken niet overleggen, omdat zijn woning is ontruimd en al zijn spullen zijn ontvreemd dan wel vernietigd. </para>
    <para />
    <para>8. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan verkrijgen.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor de beoordeling of eiser recht had op bijstand. Vast staat dat het college eiser in de gelegenheid heeft gesteld die gegevens te verstrekken en dat eiser deze niet uiterlijk op 4 juli 2024 heeft verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs niet in staat was de gevraagde gegevens binnen de gegeven hersteltermijnen te verstrekken. Zoals het college terecht heeft overwogen zou het voor eiser in ieder geval mogelijk moeten zijn geweest om een kopie van zijn identiteitsbewijs te overleggen. De rechtbank vindt de gestelde termijn niet onredelijk kort. Eiser heeft ook niet om uitstel verzocht. Het college was daarom bevoegd om de aanvraag van eiser buiten behandeling te stellen. </para>
    <para />
    <para>10. Weliswaar heeft eiser gesteld dat hij zijn identiteitsbewijs heeft overgelegd in bezwaar, maar dat is op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank heeft dat identiteitsbewijs ook niet in het dossier aangetroffen. Reeds daarom slaagt deze grond niet. Bovendien bevond eiser zich ten tijde van zijn aanvraag en ten tijde van de beslissing op bezwaar in detentie en kwam hij ook daarom niet voor bijstand in aanmerking. Dit staat in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Pw. Als het college de aanvraag van eiser niet buiten behandeling had gesteld, dan had het college de aanvraag afgewezen, omdat eiser gedetineerd was en daarom geen recht op bijstand had.  </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.L.S. Lodder, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>