<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:7875</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-24T10:05:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 25/396</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7875">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7875</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-24T10:04:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:7875 Rechtbank Midden-Nederland , 20-11-2025 / UTR 25/396</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7875:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister drie Woo-verzoeken buiten behandeling heeft mogen stellen op grond van artikel 4.6 van de Woo vanwege misbruik van recht. De drie Woo-verzoeken van eiser zien op informatie over aanbestedingsprocedures omtrent tolkdienstverlening. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de verzoeken niet buiten behandeling heeft mogen stellen, omdat dit niet onverwijld is gedaan en dit volgens artikel 4.6 van de Woo wel moet. Het beroep is dus gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7875:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 25/396 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [plaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. T.R. Sturrus),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder </title>
    <para>(gemachtigden: mr. M.R. Vennegoor en M. Karich).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Samenvatting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister drie Woo-verzoeken buiten behandeling heeft mogen stellen op grond van artikel 4.6 van de Woo vanwege misbruik van recht. De drie Woo-verzoeken van eiser zien op informatie over aanbestedingsprocedures omtrent tolkdienstverlening. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de verzoeken niet buiten behandeling heeft mogen stellen, omdat dit niet onverwijld is gedaan en dit volgens artikel 4.6 van de Woo wel moet. Het beroep is dus gegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Eiser heeft op 16 februari (doorgestuurd aan de minister op 31 oktober), 16 oktober en 3 november 2023 Woo-verzoeken ingediend bij de minister waarin hij, kort gezegd, vraagt om openbaarmaking van informatie over een aantal aanbestedingsprocedures omtrent tolkdienstverlening. De minister heeft de drie Woo-verzoeken op 13 mei 2024 buiten behandeling gesteld vanwege misbruik van recht. Volgens de minister is hiervan sprake om drie redenen. In de eerste plaats wil eiser volgens de minister geen openbaarmaking voor een ieder, maar is zijn doel om documenten te krijgen voor het veelvuldig procederen tegen de minister. Daarnaast heeft eiser een oncoöperatieve proceshouding door bij een ander Woo-verzoek formele stappen te ondernemen (onder meer het indienen van een beroep niet tijdig), terwijl er afspraken waren gemaakt over de behandeling van het Woo-verzoek. In de derde plaats levert de behandeling van eisers Woo-verzoeken (in totaal zeven) een overmatige belasting van het ambtelijk apparaat op. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 5 december 2024 heeft de minister dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat de minister zijn Woo-verzoeken in behandeling moet nemen. In de eerste plaats wijst eiser erop dat de minister niet bevoegd is om de Woo-verzoeken op grond van artikel 4.6 van de Woo buiten behandeling te stellen, omdat dit artikel voorschrijft dat dit binnen twee weken, althans onverwijld na ontvangst van de verzoeken moet gebeuren. Dat is hier niet gedaan. </para>
    <para />
    <para>3. De minister stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onverwijld is genomen nadat is gebleken dat eiser een ander doel had dan het verkrijgen van publieke informatie. Er moest voorafgaand aan het te nemen besluit intern onderzoek worden gedaan en daarmee is de minister in december 2023 begonnen. Dit kostte echter de nodige tijd en er moest nog interne afstemming over de besluitvorming plaatsvinden. De knoop is op 9 mei 2024 doorgehakt en daarna is direct het besluit genomen. Het onderzoek was nodig om vast te stellen dat eiser de Woo-verzoeken met een ander doel had ingediend en om vast te stellen dat eiser zich bij de behandeling van een ander Woo-verzoek van 20 juni 2023 oncoöperatief had opgesteld. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank geeft eiser gelijk. Op grond van artikel 4.6 van de Woo kan een bestuursorgaan besluiten een verzoek niet te behandelen als de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of als het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft. Dit kan het bestuursorgaan volgens dit artikel besluiten binnen twee weken na ontvangst van het verzoek of onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In dit geval is er op 13 mei 2024 op de Woo-verzoeken beslist. Dit is circa 6,5/7 maanden na ontvangst van de verzoeken. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat toen (of kort daarvoor) pas is gebleken dat eiser kennelijk een ander doel zou hebben gehad voor het krijgen van de informatie. De minister wist bij de ontvangst van de Woo-verzoeken al dat eiser betrokken was bij procedures tegen het ministerie over aanbestedingen. Ook de proceshouding van eiser bij het andere Woo-verzoek was al bekend, want dit speelde in september 2023, vóór indiening van deze Woo-verzoeken. Daarbij is op de zitting bevestigd dat er na de drie Woo-verzoeken niet nog iets heeft plaatsgevonden. Er is na ontvangst van de Woo-verzoeken geen contact geweest tussen partijen, anders dan tijdens de behandeling van het beroep niet tijdig beslissen waarin de minister in een verweerschrift inhoudelijk op het beroep heeft gereageerd. De rechtbank begrijpt tot slot dat er bij het ministerie tijd overheen gaat om een situatie te onderzoeken en om te kunnen vaststellen of sprake is van misbruik van recht, maar in dit geval is 6,5/7 maanden na de Woo-verzoeken tot de buitenbehandelingstelling overgegaan en daarvoor is onvoldoende verklaring gegeven. Er is dan ook geen sprake van het onverwijld buiten behandeling stellen van de Woo-verzoeken, nadat is gebleken dat eiser kennelijk een ander doel zou hebben gehad bij het verkrijgen van de informatie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Dat betekent dat de minister niet bevoegd was om de Woo-verzoeken bij het besluit van 13 mei 2024 buiten behandeling te stellen. De inhoudelijke vraag of eiser zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan misbruik van recht, kan daarom in deze procedure onbesproken blijven. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>5. Het beroep is gegrond. De minister mocht de Woo-verzoeken niet buiten behandeling stellen, omdat dit niet onverwijld nadat is gebleken dat eiser kennelijk een ander doel bij de verzoeken voor ogen had, is gedaan. Om die reden vernietigt de rechtbank het besluit op bezwaar. Gelet op het onverwijlde karakter dat in artikel 4.6 van de Woo ligt besloten bestaat er voor de minister geen mogelijkheid om in een nieuw te nemen beslissing op bezwaar opnieuw over te gaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar. Dit brengt met zich mee dat ook het primaire besluit, strekkende tot het buiten behandeling stellen van de Woo-verzoeken van eiser, niet in stand kan blijven. De rechtbank voorziet dan ook zelf in de zaak door dit primaire besluit te herroepen en te bepalen dat de minister opnieuw op de Woo-verzoeken moet beslissen. Daarbij merkt de rechtbank ten overvloede op dat partijen op de zitting hebben bevestigd dat er in overleg zal worden gesproken over de afhandeling van de Woo-verzoeken en partijen zich bij de afhandeling coöperatief zullen opstellen. </para>
    <para />
    <para>6. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. De rechtbank stelt deze met toepassing van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op 1 punt voor het bezwaarschrift 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting bij de rechtbank, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.721,-. De minister moet ook het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit van 5 december 2024;</para>
    <para>- herroept het primaire besluit van 13 mei 2024 en bepaalt dat de minister opnieuw op de Woo-verzoeken moet beslissen;</para>
    <para>- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiser te vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.M. van de Wijdeven, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>