<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:7874</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-22T08:57:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">UTR 25/1316</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7874">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7874</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-22T08:57:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:7874 Rechtbank Midden-Nederland , 31-10-2025 / UTR 25/1316</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7874:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanvraag parkeervergunning voor tweede auto afgewezen. Eiser heeft op basis van de regelgeving geen recht op een vergunning. Het beleid van de gemeente is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel. Er is geen sprake van een bijzonder geval, zodat het college niet van de regels hoefde af te wijken. Het beroep is ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7874:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: UTR 25/1316 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [plaats] , eiser,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, </emphasis>het college, </para>
      <para>(gemachtigde: mr. C. Ligthart).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of eiser recht heeft op een parkeervergunning. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser woont aan de [adres] in [plaats] . Eiser en zijn partner hebben de beschikking over een gezamenlijke parkeervoorziening op eigen terrein.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 1 juli 2022 is betaald parkeren ingevoerd in de buurt waar eiser woont, parkeerrayon [locatie] . Daarbij is het adres waar hij woont geplaatst op een lijst waarvoor geen parkeervergunning kan worden uitgegeven (de uitsluitingslijst B1). Dit omdat voor het adres een parkeervoorziening is gerealiseerd op eigen terrein, waar op grond van de Nota Parkeernormen voldoende ruimte is voor het parkeren van eerste of volgende auto’s. In de periode van 17 mei 2022 tot 1 juli 2022 was de overgangsregeling van toepassing op grond waarvan – in afwijking van de Nadere Regel<footnote-ref linkend="_45f9b0ef-f503-47da-b517-67e1cc2f2854" /> – toch een parkeervergunning aangevraagd kon worden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiser heeft op 4 september 2024 een parkeervergunning aangevraagd bij zijn woning voor een tweede auto. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 september 2024 afgewezen, omdat eiser op zijn adres niet in aanmerking komt voor een parkeervergunning. Eiser is daartegen in bezwaar gegaan, maar het college is met het besluit van 7 januari 2025 (het bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de gronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen recht heeft op een parkeervergunning en verklaart het beroep dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft eiser op basis van de regelgeving recht op een parkeervergunning?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat hij op basis van de regelgeving wel recht heeft op een parkeervergunning. In het parkeerrayon [locatie] Zone B1 hebben de bewoners namelijk recht op twee parkeervergunningen. Dit wordt in het bestreden besluit ook door het college erkend. Ook bij de invoering van het beleid is dit door het college erkend en gaf het college parkeervergunningen uit voor een tweede plek. Dit blijkt uit het feit dat de directe buren op de [straat] wel beschikken over een parkeervergunning voor een tweede auto. Bovendien hebben de buren aan de [straat] de afwijzing van hun aanvraag succesvol aangevochten en beschikken zij inmiddels alsnog over een parkeervergunning voor een tweede auto. Het is in strijd met het gelijkheidsbeginsel om aan eiser een parkeervergunning te onthouden. Eiser vindt dat het college hem niet kan tegenwerpen dat hij in de overgangsperiode een vergunning voor een tweede parkeerplek (een eerste parkeervergunning) had moeten aanvragen. Eiser had destijds namelijk geen tweede auto en het hebben van een tweede auto is vereist om een parkeervergunning aan te kunnen vragen. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser niet slaagt. De rechtbank stelt voorop dat het college regels mag stellen voor het aanvragen en verlenen van parkeervergunningen.<footnote-ref linkend="_a1ca58b3-249f-4383-b6d5-39fef1f1e8c7" /> Het beleid van het college is vastgelegd in de Nadere Regel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen gemeente Utrecht (hierna: de Nadere Regel). Uit deze regelgeving blijkt, anders dan eiser stelt, niet dat eiser recht heeft op twee parkeerplekken. Uit artikel 9, zevende lid, van de Nadere Regel volgt slechts in zijn algemeenheid dat in de zone waar eiser woont maximaal twee parkeervergunningen per bewoner kunnen worden uitgegeven. In de Nadere Regel is nader uitgewerkt wanneer een bewoner van een bepaald adres in de zone daadwerkelijk voor een parkeervergunning in aanmerking komt. Zo staat er in de Nadere Regel dat het college adressen kan aanwijzen waar bewoners niet in aanmerking komen voor een eerste of volgende parkeervergunning. Het college plaatst die adressen op de zogeheten Adressenlijst. Dat mag het college alleen in bepaalde gevallen, zoals in het geval dat er een gezamenlijke parkeervoorziening op eigen terrein is waar voldoende ruimte is voor het parkeren van eerste en/of volgende auto’s.<footnote-ref linkend="_24c2e441-24e1-44e7-8e8d-d8bd2e193c39" /> Het college heeft de Lippizanerstraat waar eiser woont aangewezen en opgenomen op de Adressenlijst, waardoor voor dat adres geen parkeervergunning kan worden verleend. Voor het adres van eiser is het derhalve op grond van de Nadere Regel in het geheel niet mogelijk om een parkeervergunning te verkrijgen. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat ook de verwijzing van eiser naar de twee buuradressen dat niet anders maakt. Het college heeft toegelicht dat de ene parkeervergunning is verleend omdat de parkeervergunning tijdens het overgangsrecht is aangevraagd. De andere parkeervergunning is verleend, omdat de betreffende ambtenaar een verkeerde beoordeling heeft gemaakt nu het een van de eerste zaken betrof over een aanvraag na afloop van de overgangstermijn. Deze vergunning is daarom abusievelijk verleend. De rechtbank is van oordeel dat daaraan niet het recht kan worden ontleend om ook in eisers geval – in afwijking van de regels – aanspraak te maken op een vergunning. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is gezien het voorgaande geen sprake. De stelling van eiser op zitting dat er vaker op deze wijze, een vergunning na afloop van de overgangstermijn voor een adres dat is opgenomen op de uitsluitingslijst onder categorie B, is toegekend is niet nader gespecificeerd en onderbouwd. Verder is de rechtbank van oordeel dat de stelling van eiser dat hem niet mag worden tegengeworpen dat hij geen gebruik van de overgangstermijn heeft gemaakt (omdat hij toen nog geen tweede auto had) geen doel treft. Dit komt voor rekening en risico van eiser. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De gezamenlijke parkeervoorziening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Eiser voert aan dat het college de parkeervergunning ten onrechte heeft afgewezen omdat hij zou beschikken over een parkeervoorziening voor meerdere voertuigen. Eiser beschikt slechts over één parkeervoorziening. </para>
      <para />
      <para>6. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit, onderaan op pagina 2, inderdaad staat dat de afgifte van een parkeervergunning is geweigerd omdat eiser op zijn adres kan beschikken over een parkeervoorziening voor meerdere voertuigen. Alhoewel de rechtbank moet nageven dat het bovenstaande niet zorgvuldig is geformuleerd, blijkt verder uit het bestreden besluit dat de aanvraag is afgewezen op grond van artikel 6, vierde lid, onder a, van de Nadere regel. Uit dat artikel volgt dat het college adressen kan aanwijzen waar bewoners niet in aanmerking komen voor een eerste of volgende parkeervergunning als bij deze adressen een gezamenlijke parkeervoorziening is gerealiseerd op eigen terrein en waar op grond van de Nota Parkeernormen voldoende ruimte is voor het parkeren voor “<emphasis role="italic">van eerste en/of volgende auto’s</emphasis>”. Dit is voor eiser het geval. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze formulering door het college geen afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van het bestreden besluit.   </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is het beleid van het college redelijk en is er sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de regelgeving niet redelijk is en dat dit leidt tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, dan wel benadeling van mensen die geïnvesteerd hebben in een parkeervoorziening op eigen terrein. Eiser wijst op artikel 1, onder a en b, van het Aanwijzingsbesluit<footnote-ref linkend="_4dc377af-bcac-407e-a0a9-0b5620d1e7f9" />. Eiser vindt het op zich te begrijpen dat wanneer je beschikt over voldoende parkeergelegenheid voor meerdere auto’s, je geen vergunning krijgt (situatie b). Maar niet wanneer je slechts beschikt over één parkeermogelijkheid (situatie a), zoals in het geval van eiser, en je zoals eiser daardoor niet beschikt over voldoende parkeergelegenheid. Volgens eiser is het niet redelijk dat situatie a onder het beleid valt, en is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van bewoners die vallen onder situatie b. Ook vindt eiser het niet redelijk dat wanneer je voor die eigen parkeervoorziening hebt betaald (zoals eiser heeft gedaan) je door deze regeling wordt gestraft. Mensen die niet in een eigen parkeervoorziening op eigen terrein hebben geïnvesteerd, hebben namelijk wel recht op een parkeervergunning. Ook op dit punt is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.</para>
      <para>8. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1 van het Aanwijzingsbesluit luidt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De adressen zijn uitgesloten van een 1e en/of volgende parkeervergunning als:</para>
      </parablock>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>bij een adres een gezamenlijke parkeervoorziening is gerealiseerd op eigen terrein, waar op grond van de Nota Parkeernormen voldoende ruimte is voor het parkeren van een auto of waar is afgeweken van de parkeernorm op grond van hoofdstuk 5.1 of 5.2. (situatie a)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>ij een adres een gezamenlijke parkeervoorziening is gerealiseerd op eigen terrein, waar op grond van de Nota Parkeernormen voldoende ruimte is voor het parkeren van meerdere voertuigen of waar is afgeweken van de parkeernorm op grond van hoofdstuk 5.1 of 5.2. (situatie b)</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de Nadere Regel op dit punt niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel. Op grond van de ‘Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en verlening van vergunning voor het parkeren 2014’ is het aan het college om beleid te maken over het verlenen van parkeervergunningen. Uit de Nadere Regel volgt dat het college zowel situatie a als situatie b (dus elk adres met een eigen parkeervoorziening) op grond van artikel 1 van het Aanwijzingsbesluit kan uitzonderen van het recht op een parkeervergunning. Dit kan het college doen, ongeacht de vraag of op het betreffende adres gelet op bijvoorbeeld de gezinssamenstelling afdoende parkeerplekken aanwezig zijn. Het beleid is er op gericht om parkeerproblemen in de openbare ruimte als gevolg van nieuwbouw te voorkomen en dus ten behoeve van een zo redelijk mogelijke verdeling van de schaarse openbare plekken. Dat er geen onbeperkte mogelijkheden bestaan voor parkeerplekken is inherent aan het wonen in de stad. Verder overweegt de rechtbank dat anders dan eiser stelt, ook in situatie b mogelijk niet voldoende plekken zijn voor de bewoners op dat adres, en dat ook in situatie a het mogelijk is dat er wel voldoende plekken zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beleid van het college niet onredelijk is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat het college handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat zowel situatie a als situatie b zijn uitgesloten van een eerste en of volgende parkeervergunning, volgt de rechtbank eiser daarin niet. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen die op ongelijke wijze worden behandeld. <footnote-ref linkend="_2ec7a1cf-01b9-4edd-8ef3-6fcb8af88790" /> Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van twee gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Situatie a is niet geheel gelijk aan situatie b en bovendien kunnen aanvragers zowel in situatie a als in situatie b op gelijke wijze geen parkeervergunning krijgen. Ook is er geen sprake van een ongelijke behandeling ten aanzien van de situatie van bewoners die in het geheel geen eigen parkeervoorziening hebben, maar wel recht hebben op een parkeervergunning. Ook in dat geval is geen sprake van een gelijke situatie. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Geven de omstandigheden van eiser aanleiding om een uitzondering te maken? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>9. Eiser voert aan dat het college op grond van bijzondere omstandigheden hem op grond van de hardheidsclausule een parkeervergunning had moeten verlenen. Eiser is [functie] en moet in korte tijd vanuit huis op zijn werk kunnen zijn als hij een oproep krijgt om te opereren, ook als zijn partner weg is met de auto. Om medisch verantwoorde zorg te kunnen leveren is het daarom noodzakelijk dat eiser over een tweede parkeervergunning beschikt.</para>
      <para />
      <para>10. De rechtbank is van oordeel dat een bijzonder geval zich hier niet voordoet en het college niet van de regels hoefde af te wijken. De rechtbank begrijpt op zichzelf dat het voor eiser in verband met zijn werk van belang is dat hij kan parkeren. Eiser onderscheidt zich daarmee echter onvoldoende van andere inwoners van Utrecht die voor hun werk afhankelijk zijn van de auto en niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning, en dus van andere parkeer- of reismogelijkheden gebruik moeten maken. Dat niet iedereen in de buurt van zijn woning kan parkeren, hoort nu eenmaal bij een drukke stad als Utrecht met beperkte parkeermogelijkheden. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>11.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het college de aanvraag om een parkeervergunning terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>De griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_45f9b0ef-f503-47da-b517-67e1cc2f2854" label="1">
    <para> Nadere regel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen gemeente Utrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a1ca58b3-249f-4383-b6d5-39fef1f1e8c7" label="2">
    <para> Op basis van artikel 225, eerste lid, onder a van de Gemeentewet en artikel 3, derde lid, van de Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren 2014.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_24c2e441-24e1-44e7-8e8d-d8bd2e193c39" label="3">
    <para> Zie artikel 6, vierde lid, aanhef en onder a, van de Nadere Regel.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4dc377af-bcac-407e-a0a9-0b5620d1e7f9" label="4">
    <para> Aanwijzingsbesluit adressenlijst uitsluiting parkeervergunningen Gemeente Utrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2ec7a1cf-01b9-4edd-8ef3-6fcb8af88790" label="5">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>