<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:7864</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-21T10:34:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/16/585653 / HL ZA 24-325</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Lelystad</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7864">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7864</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-21T10:33:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:7864 Rechtbank Midden-Nederland , 10-12-2025 / C/16/585653 / HL ZA 24-325</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7864:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vertraging in de nakoming van koopovereenkomst. Uitleg van overeenkomst: leemte invullen op grond van redelijkheid en billijkheid. Contractuele rente verschuldigd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7864:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Midden-Nederland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Lelystad</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/16/585653 / HL ZA 24-325</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 10 december 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [eiser sub 1] , </title>
    <parablock>
      <para>te [plaats] ,<?linebreak?>2. <emphasis role="bold">[eiser sub 2] B.V.</emphasis>, </para>
      <para>te [plaats] ,<?linebreak?>3. <emphasis role="bold">[eiser sub 3] B.V.</emphasis>, </para>
      <para>te [plaats] ,</para>
      <para>eisende partijen,</para>
      <para>hierna samen te noemen: [eisers c.s] ,</para>
      <para>advocaat: mr. M.J.G. Peters,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA)</emphasis>, </para>
      <para>te 's-Gravenhage,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: het COA,</para>
      <para>advocaat: mr. J.M. Huber.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding met producties 1 tot en met 26;</para>
      <para>- nadere producties van [eisers c.s] 27 tot en met 31; <?linebreak?>- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12; <?linebreak?>- de mondelinge behandeling van 10 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het COA heeft van [eisers c.s] een woonhuis (hierna: woning), een perceel cultuurgrond, en een erf met daarop aanwezige opstallen (mestkelders) en een gedeelte water gekocht. De levering van deze onroerende zaken zou aanvankelijk op 29 september 2022 plaatsvinden, maar is herhaaldelijk op verzoek van het COA, maar met instemming van [eisers c.s] uitgesteld. Partijen hebben daarbij afgesproken dat het COA [eisers c.s] zou compenseren voor de schade die [eisers c.s] door de vertraging in de levering zou lijden, bestaande uit fiscale schade / kosten en misgelopen rente-inkomsten. Uiteindelijk heeft de levering op 9 januari 2024 plaatsgevonden. [eisers c.s] vordert in deze procedure (onder meer) de betaling door het COA van deze schade/kosten en van de wettelijke (handels)rente over de koopsommen vanaf 30 december 2022. Voor wat de rente betreft doet hij dat primair op grond van verzuim van het COA en subsidiair op grond van partijafspraken. Het COA meent dat hij geen wettelijke (handels)rente en ook geen kosten verschuldigd is. [eisers c.s] krijgt grotendeels gelijk. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het COA is op grond van de wet (verzuim) geen wettelijke (handels)rente verschuldigd vanaf 30 december 2022 tot eind december 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>Primair stelt [eisers c.s] zich op het standpunt dat het COA vanaf 30 december 2022 op grond van de wet wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de koopsom van de woning verschuldigd is, en wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119b BW over de koopsommen van de overige onroerende zaken. Partijen hebben de oorspronkelijke levering van al die onroerende zaken namelijk verplaatst van 29 september 2022 naar 30 december 2022. Omdat het COA op 23 december 2022 echter liet weten dat hij ook deze datum niet zou halen, is het COA volgens [eisers c.s] op 30 december 2022 van rechtswege in verzuim komen te verkeren op grond van artikel 6:83 sub c BW: [eisers c.s] mocht namelijk uit die mededeling van 23 december 2022 afleiden dat het COA niet zou nakomen. Het maakt daarbij volgens [eisers c.s] niet uit dat hij vervolgens wel heeft ingestemd met uitstel van de leveringsdatum. </para>
        <para>Eerst zal de rechtbank de vorderingen van Naalden met betrekking tot de woning bespreken, en daarna de vorderingen van [eiser sub 2] B.V. en [eiser sub 3] B.V. met betrekking tot het perceel cultuurgrond en het erf met opstallen en water. De rechtbank is het met het COA eens dat er op 30 december 2022 geen sprake is van verzuim aan zijn kant. Verzuim is niet ontstaan omdat [eisers c.s] en het COA op 23 december 2022 en ook daarna steeds in overleg tot overeenstemming zijn gekomen over een latere leveringsdatum en daarmee ook (zie hierna in 3.2.) over een latere - en uiterste - betaaldatum.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Artikel 6:119 BW bepaalt dat wanneer iemand te laat is met het betalen van een geldsom, diegene wettelijke rente verschuldigd is over de periode dat hij in verzuim (te laat) is geweest met de betaling. Artikel 5 lid 2 van de koopovereenkomst verplicht het COA om het verschuldigde bedrag voor de onroerende zaken te betalen voor het ondertekenen van de akte van levering. Artikel 3 van de koopovereenkomst bepaalt dat “<emphasis role="italic">de akte van levering uiterlijk drie maanden na ondertekening van deze overeenkomst zal worden verleden (…) of zoveel eerder of later als partijen nader zullen overeenkomen.</emphasis>” De koopovereenkomst geeft partijen dus expliciet de mogelijkheid om een latere leveringsdatum - en daarmee betalingsdatum - af te spreken. Op verzoek van het COA hebben partijen afgesproken de leveringsdatum te verschuiven van 29 september 2022 naar 30 december 2022. Op 23 december 2022 heeft het COA laten weten opnieuw de leveringsdatum te willen opschuiven. [eisers c.s] is hiermee akkoord gegaan, onder de voorwaarde dat het COA zijn ‘fiscale schade’ en ‘misgelopen rente inkomsten’ zou vergoeden. Daarna is de leveringsdatum nog een aantal keren verplaatst. [eisers c.s] heeft daar telkens mee ingestemd, tot het COA aangaf ook de in juli 2023 afgesproken leveringsdatum van 29 december 2023 niet te halen. [eisers c.s] schreef op 28 december 2023: “<emphasis role="italic">de nader overeengekomen datum van 29 december 2023 is een fatale termijn.”</emphasis> Hieruit leidt de rechtbank af dat ook in de visie van [eisers c.s] partijen steeds hebben afgesproken de leveringsdatum te verplaatsen, maar dat 29 december 2023 als uiterste leveringsdatum - en dus betaaldatum - gold. Hoewel [eisers c.s] heeft aangevoerd dat hij de verschillende door het COA voorgestelde leveringsdata steeds zag als aankondigingen, heeft het COA tot 29 december 2023 naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs mogen begrijpen dat [eisers c.s] door het geven van akkoord steeds met uitstel van de levering en daarmee ook met een uitgestelde betalingsdatum heeft ingestemd. Dit betekent dat de koopprijs tussen 30 december 2022 en 29 december 2023 niet opeisbaar is geworden, het COA in die periode niet in verzuim is geraakt en hij op die grond dus tot 29 december 2023 (zie hierna) geen wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de koopsom van de woning is verschuldigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Over de koopsom voor de overige onroerende zaken is het COA vanaf 30 december 2022 (tot en met 29 december 2023) evenmin wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119b BW aan [eisers c.s] verschuldigd. Dat artikel bepaalt kort gezegd dat wanneer een overheidsinstantie (zoals het COA) te laat betaalt in het kader van een handelsovereenkomst, waarvan in de relatie tussen het COA en [eiser sub 2] B.V. respectievelijk [eiser sub 3] B.V. sprake is, de overheidsinstantie wettelijke handelsrente verschuldigd is vanaf de dag na de overeengekomen uiterste betaaldatum tot aan de dag van voldoening. Hiervoor is het dus belangrijk te weten welke uiterste betaaldatum tussen partijen overeen is gekomen. Zoals hiervoor in 3.2. is overwogen, is die datum gelijk aan de met instemming van [eisers c.s] verplaatste uiterste dag van levering: 29 december 2023. Ook [eisers c.s] zelf beschreef 29 december 2023 – en dus niet 30 december 2022 – als uiterste of fatale betaaldatum. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het COA is op grond van overeenkomst wel een redelijke rente verschuldigd vanaf 30 december 2022 tot (en met) 29 december 2023</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Subsidiair vindt [eisers c.s] dat hij vanaf 30 december 2022 recht heeft op wettelijke (handels)rente over de koopsommen omdat partijen dat zijn overeengekomen. Volgens [eisers c.s] is het evident dat hij met zijn voorwaarde voor vergoeding van ‘misgelopen rente inkomsten’ (zie 3.2.) de wettelijke rente heeft bedoeld voor wat betreft de woning, en de wettelijke handelsrente voor wat de overige onroerende zaken betreft. Hij meent dat het COA dit verschuldigd is tot in ieder geval 9 januari 2024. Het COA is het daar niet mee eens. Volgens het COA zijn partijen geen wettelijke (handels)rente overeengekomen en [eisers c.s] mocht een dergelijke rente ook redelijkerwijs niet verwachten, onder meer omdat hij ook zelf voordeel van de latere levering heeft gehad (o.a. een langer verblijf in de woning) en anders zou hij dubbel profiteren van de uitgestelde levering. Het COA meent dat zolang [eisers c.s] niet onderbouwt wat zijn ‘misgelopen rente inkomsten’ daadwerkelijk inhouden, hij hooguit recht heeft op wat [eisers c.s] in 2023 aan spaarrente zou zijn misgelopen. In elk geval zou het COA vanaf 6 juli 2023 helemaal geen rente meer verschuldigd zijn, aldus het COA. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <parablock>
        <para>Partijen zijn het erover eens dat zij op of omstreeks 23 december 2022 hebben afgesproken dat het COA aan [eisers c.s] een vergoeding voor de – in verband met de uitgestelde levering – misgelopen rente inkomsten zou betalen. Zij twisten echter over de vraag welke uitleg aan die misgelopen rente moet worden gegeven, en daarmee over de hoogte van het rentepercentage en over welke periode het COA rente verschuldigd is.</para>
        <para>Wat partijen precies hebben afgesproken is een kwestie van uitleg. Voor uitleg van (een bepaling uit) een overeenkomst is het van belang wat partijen over en weer redelijkerwijs mochten verwachten. Daarvoor zijn de letterlijke bewoordingen van de afspraak belangrijk, maar ook andere omstandigheden, zoals de communicatie na de totstandkoming van de overeenkomst, en de hoedanigheid en gedragingen van partijen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen afgesproken dát het COA een rentevergoeding zou betalen, maar hebben ze geen overeenstemming bereikt over wat ze met misgelopen rente bedoelden en hoe hoog die rente precies zou zijn. De rechtbank stelt daarom vast dat het COA een redelijke rente over de koopsommen verschuldigd is, over de periode van 30 december 2022 tot (en voor wat [eiser sub 2] vennootschappen betreft: tot en met) 29 december 2023, om de volgende redenen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Bij e-mail van 24 december 2022 heeft [eisers c.s] aan het COA duidelijk gemaakt dat hij verwachtte dat hij er in gezamenlijk overleg met het COA wel uit zou komen wat zijn ‘misgelopen rente inkomsten’ zouden inhouden. Het COA heeft daar dezelfde dag bevestigend op gereageerd. Op dat moment is door geen van partijen een rentepercentage genoemd. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat partijen toen niet hebben gesproken over de vraag om wat voor soort rente het daarbij ging en dat partijen evenmin een concreet rentepercentage in gedachten hadden. [eisers c.s] heeft aangegeven dat hij niet wist wat het juiste percentage zou zijn, en dat hij daarom later op de website van de rijksoverheid heeft gekeken. Het COA heeft uitgelegd dat hij in december 2022 ook geen rentepercentage voor ogen had. Het COA ging uit van een redelijke rentevergoeding. Ten tijde van het maken van de afspraak dat het COA de misgelopen rente zou vergoeden, hadden partijen dan ook geen beeld van – en dus geen overeenstemming over – het soort rente of rentepercentage dat het COA daarbij verschuldigd zou zijn, anders dan dat in ieder geval het COA een redelijke rentevergoeding voor ogen had. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Ook in de periode daaropvolgend zijn partijen hierover niet tot elkaar gekomen. Weliswaar heeft het COA in een op 14 juni 2023 door de notaris doorgestuurd bericht van [eisers c.s] kunnen lezen dat [eisers c.s] voor wat betreft de onroerende zaken van [eiser sub 2] B.V. en [eiser sub 3] B.V. uitging van rentebedragen gebaseerd op de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119b BW, maar uit het enkele feit dat het COA daar niet onmiddellijk afwijzend op heeft gereageerd, kan niet de conclusie worden getrokken dat het COA de toepasselijkheid van wettelijke handelsrente (stilzwijgend) heeft aanvaard of dat [eisers c.s] daarop mocht vertrouwen. Dat geldt temeer nu het COA hem kort daarna duidelijk heeft gemaakt dat bij de rentevergoeding niet uitgegaan moest worden van de rentepercentages behorend bij de wettelijke handelsrente maar van de percentages behorend bij de gewone wettelijke rente. Dat deed het COA eind juli 2023, toen partijen specifiek over de hoogte van de schade- en rentevergoeding kwamen te spreken. In de maanden hierna zijn er over en weer voorstellen door partijen gedaan over het soort of de hoogte van de door het COA verschuldigde rentevergoeding, maar dit heeft niet tot overeenstemming geleid. Dit betekent dat er sprake is van een leemte in de overeenkomst, die de rechtbank moet aanvullen aan de hand van de redelijkheid en billijkheid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Voordat de rechtbank daar verder op ingaat, overweegt zij het volgende met betrekking tot de duur van de rentevergoeding. Daarover heeft het COA aangevoerd dat het COA vanaf 6 juli 2023 geen rentevergoeding meer verschuldigd is, omdat partijen op die datum bij de notaris een nieuwe afspraak over de leveringsdatum hebben gemaakt. De rechtbank volgt het COA hierin niet. Zoals hiervoor al is overwogen, zijn partijen op of omstreeks 23 december 2022 overeengekomen dat het COA vanaf 30 december 2022 een vergoeding voor misgelopen rente zou betalen tot aan het afgesproken moment van levering. Als het COA daar op 6 juli 2023 van af had willen wijken, had het op de weg van het COA gelegen om dat toen met [eisers c.s] af te spreken. Dat is niet gebeurd: in het overleg bij de notaris is de rentevergoeding in het geheel niet aan de orde gekomen. Zonder nadere toelichting, die het COA niet heeft gegeven, valt dus niet in te zien waarom de rentevergoeding uitsluitend tot 6 juli 2023 zou gelden. Het COA is daarom de afgesproken rentevergoeding over de koopsommen verschuldigd vanaf 30 december 2022, tot in ieder geval de afgesproken uiterste betaaldatum van 29 december 2023. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Een redelijke rente is in dit geval de reguliere wettelijke rente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>De vraag is nu wat een redelijke rentevergoeding is in deze situatie. Dit is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. De rechtbank vindt een rentepercentage ter hoogte van de reguliere wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW redelijk, vanwege de volgende omstandigheden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De aard en systematiek van wettelijke handelsrente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <para>
        [eisers c.s] meent dat wettelijke handelsrente redelijk zou zijn voor wat betreft het perceel cultuurgrond en het erf met opstallen en water, maar de rechtbank volgt hem daarin niet. Het percentage van wettelijke handelsrente is relatief hoog, namelijk 10,5%. Uit de memorie van toelichting bij dit artikel blijkt dat dit hoge percentage is ingevoerd omdat van een overheidsinstantie verwacht mag worden dat zij haar betalingsverplichtingen, bijvoorbeeld na de levering van een goed, voortvarend nakomt. Naar analogie van een uitspraak van de Hoge Raad over artikel 6:119a BW (ECLI:NL:HR:2022:596) neemt de rechtbank aan dat artikel 6:119b BW alleen betrekking heeft op de geldelijke <emphasis role="italic">tegenprestatie</emphasis> voor levering. Het moet dan gaan om de situatie dat een overheidsorgaan zijn primaire betalingsverplichting uit de overeenkomst niet nakomt na levering van een goed. In deze situatie was er nog niet geleverd, en was de verplichting van het COA daartoe nu juist met instemming van [eisers c.s] opgeschoven, tot 29 december 2023. Het percentage gelijk aan de wettelijke handelsrente zou dus disproportioneel hoog zijn voor deze situatie.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beide partijen hebben op enig moment de reguliere wettelijke rente als redelijk beschouwd</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>Het COA heeft aangevoerd dat hij er in december 2022 van uitging dat [eisers c.s] met de misgelopen rente-inkomsten doelde op een redelijke rentevergoeding. Bij e-mail van 27 juli 2023 heeft het COA aan [eisers c.s] duidelijk gemaakt welk rentepercentage het COA daarbij voor ogen had: het rentepercentage horend bij de (reguliere) wettelijke rente ex artikel 6:119 BW die voor niet handelstransacties gold, ook bij de door [eiser sub 2] vennootschappen te leveren onroerende zaken. Uit een e-mail van 20 december 2023 van [eisers c.s] blijkt dat ook hij dat rentepercentage redelijk vond. Weliswaar heeft de advocaat van [eisers c.s] op de mondelinge behandeling aangegeven dat dit op een misverstand aan haar kant berustte, maar wel is toen ook gebleken dat [eisers c.s] bij het schrijven van die e-mail het rentepercentage behorend bij de reguliere wettelijke rente zelf een ‘redelijke’ rente vond. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De duur van de vertraging (en de hoogte van de rentesom als gevolg daarvan) is niet aan [eisers c.s] te wijten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>Het COA heeft in deze procedure ineens het standpunt ingenomen dat [eisers c.s] hooguit recht zou hebben op wat hij aan spaarrente zou zijn misgelopen, wat neerkomt op een rentepercentage in 2023 van minder dan één procent. Als reden daarvoor heeft het COA aangevoerd dat het percentage van de reguliere wettelijke rente er toe zal leiden dat het COA een disproportioneel hoog bedrag aan rente verschuldigd zal zijn. Daar gaat de rechtbank niet in mee. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13</nr>
      <para>Toen het COA verzocht de leveringsdatum van 30 december 2022 op te schuiven, was de verwachting dat de levering in januari 2023 zou plaatsvinden. In de week van 16 januari 2023 zou het COA contact opnemen met [eisers c.s] over een nieuwe leveringsdatum, maar dat is niet gebeurd. In de tijd die daarop volgde heeft [eisers c.s] meermaals gevraagd naar de stand van zaken en aangedrongen op levering. Het COA heeft daarop telkens een voorstel voor een leveringsdatum gedaan, maar heeft deze ook telkens, hoewel met instemming van [eisers c.s] , uitgesteld. Een in maart 2023 geplande levering werd verplaatst naar eind april 2023 en daarop weer naar 15 juni 2023, naar 22 juni 2023 en op 6 juli 2023 werd de leveringsdatum op 29 december 2023 vastgesteld, waarbij de juridische levering uiteindelijk pas plaatsvond op 9 januari 2024. Het COA heeft nog aangevoerd dat de uiterste leveringsdatum van 29 december 2023 mede niet is gehaald door de schuld van [eisers c.s] , omdat hij nog aanpassingen wenste in een aantal depotovereenkomsten die partijen sloten in verband met uitgestelde deelbetalingen van de koopsommen (zie hierna in 3.18.). Gesteld en niet weersproken is dat het COA op zeer korte termijn voor de levering de depotovereenkomsten aan [eisers c.s] heeft voorgelegd, zodat hij weinig tijd had om eventuele aanpassingen door te voeren. Dit valt [eisers c.s] dus niet toe te rekenen. Dat de levering zo lang op zich heeft laten wachten, is dus het gevolg van het herhaaldelijk uitstellen van de levering op verzoek van het COA zelf. Dat de uiteindelijke rentelast daardoor hoog uitvalt, komt dan ook voor rekening van het COA en vormt geen grond om het overeengekomen of toepasselijke rentepercentage vast te stellen op het lagere percentage van de spaarrente die het COA heeft voorgesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14</nr>
      <para>De rechtbank onderschrijft evenmin het standpunt van het COA dat ook [eisers c.s] verantwoordelijk is voor de vertraging van de levering, bijvoorbeeld door zijn vragen of de feitelijke levering van onder meer de woning ook later kon plaatsvinden. De feitelijke levering van de verschillende onroerende zaken zou aanvankelijk ongeveer een half jaar tot een jaar na de eerst geplande datum voor juridische levering (29 september 2022) plaatsvinden. Nu de juridische levering telkens op verzoek van het COA is opgeschoven, leidde dat bij [eisers c.s] tot onzekerheid over wanneer de feitelijke levering van onder meer de woning zou plaatsvinden. Dat [eisers c.s] daarover afspraken heeft willen maken en dat dit zou hebben bijgedragen aan de vertraging in de juridische levering is niet vast komen te staan. Dat [eisers c.s] op een andere manier de vertraging heeft veroorzaakt is, bij gebrek aan onderbouwing, ook niet gebleken. Van enig profiteren door [eisers c.s] van de vertraging in de levering, omdat hij langer in de woning kon blijven, is de rechtbank evenmin gebleken. Als gevolg van het uitstel van de juridische levering schoof de feitelijke levering automatisch op en van [eisers c.s] kon redelijkerwijs niet worden verwacht genoegen te nemen met een vertrek uit de woning onmiddellijk na de juridische levering. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15</nr>
      <para>Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het rentepercentage behorend bij de reguliere wettelijke rente een redelijk percentage is, omdat deze het meest recht doet aan alle omstandigheden van het geval. Beide partijen hebben op enig moment aangegeven dat dit percentage wat hen betreft als redelijke rentevergoeding werd gezien. De rente is bovendien niet disproportioneel, zoals de wettelijke handelsrente naar het oordeel van de rechtbank zou zijn. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het COA is wettelijke (handels)rente verschuldigd vanaf 29(30) december 2023 tot 9 januari 2024</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16</nr>
      <para>Omdat 29 december 2023 als uiterste datum geldt voor levering van alle onroerende zaken, is dit ook de uiterste datum voor betaling. Omdat die datum niet is gehaald, is het COA wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119b BW verschuldigd over de aan [eiser sub 3] B.V. en [eiser sub 2] B.V. te betalen koopsommen vanaf de dag na die uiterste datum, dus vanaf 30 december 2023, tot de datum van levering/betaling van die onroerende zaken op 9 januari 2024. Voor de woning betekent het niet halen van 29 december 2023 dat het COA met ingang van die datum in verzuim is waardoor het COA vanaf die datum de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW verschuldigd is over de koopsom voor de woning. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17</nr>
      <para>Dit betekent het volgende voor wat betreft de door het COA verschuldigde bedragen ten aanzien van de verschillende onroerende zaken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Met betrekking tot de woning</emphasis>
        </para>
        <para>Het COA heeft de woning van [eiser sub 1] gekocht voor een bedrag van € 665.000,00. Het COA is over die koopsom op grond van overeenkomst een rentepercentage gelijk aan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd vanaf 30 december 2022 tot 29 december 2023, en vanaf 29 december 2023 tot 9 januari 2024 is het COA op grond van de wet de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over die koopsom verschuldigd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Met betrekking tot het perceel cultuurgrond</emphasis>
        </para>
        <para>Het COA heeft het perceel cultuurgrond gekocht van [eiser sub 3] B.V. voor een koopsom van € 3.631.080,00. Dit is een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119b BW. Het COA is over die koopsom op grond van overeenkomst een rentepercentage gelijk aan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd vanaf 30 december 2022 tot en met 29 december 2023; vanaf 30 december 2023 tot 9 januari 2024 is het COA op grond van de wet de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119b BW over die koopsom verschuldigd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Met betrekking tot het erf met opstallen en water</emphasis>
        </para>
        <para>Het COA heeft het erf met opstallen en water gekocht van [eiser sub 2] B.V. voor een koopsom van € 3.393.920,00. Dit is ook een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119b BW. Het COA is over die koopsom op grond van overeenkomst een rentepercentage gelijk aan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd vanaf 30 december 2022 tot en met 29 december 2023; vanaf 30 december 2023 tot 9 januari 2024 is het COA op grond van de wet de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119b BW over die koopsom verschuldigd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het COA moet wettelijke rente betalen over de depotbedragen vanaf 12 september 2024 tot aan de dag dat deze zijn vrijgegeven </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18</nr>
      <para>
        [eisers c.s] vordert wettelijke rente over de depotbedragen vanaf 12 september 2024 tot aan het moment dat deze zijn vrijgegeven. Partijen hebben een paar depotovereenkomsten gesloten waarin is bepaald dat de volgende bedragen worden ingehouden op de koopsommen en in een depot worden gehouden: </para>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>€ 150.000,00 voor het leeg, ontruimd en bezemschoon opleveren van de mestkelders op het erf;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 117.000,00 voor de eventuele gevolgen van een asbest- en bodemonderzoek;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 133.000,00 voor het leeg, ontruimd en bezemschoon opleveren van de woning.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal de depotbedragen voor het leeg, ontruimd en bezemschoon opleveren van de mestkelders en de woning eerst bespreken, en daarna het depotbedrag voor de eventuele gevolgen van een asbest- en bodemonderzoek. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Depotbedragen voor opleveren mestkelders en woning.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19</nr>
      <para>In de depotovereenkomst is opgenomen dat de feitelijke levering van de mestkelders op 1 juli 2024 zou plaatsvinden, en de feitelijke levering van de woning op 1 september 2024. [eisers c.s] heeft de mestkelders en de woning op die data leeg, ontruimd en bezemschoon aangeboden, maar de feitelijke levering heeft toen niet plaatsgevonden. Omdat het COA niet reageerde op telefonisch contact van [eisers c.s] , heeft [eisers c.s] op 3 september 2024 een e-mail gestuurd waarin hij aandringt op feitelijke levering. Op 5 september 2024 heeft de advocaat van [eisers c.s] een sommatie naar het COA verstuurd om voor 12 september 2024 de feitelijke levering te laten plaatsvinden en de depotbedragen vrij te geven. Op 11 oktober 2024 zijn de onroerende zaken uiteindelijk feitelijk aan het COA geleverd, maar het COA heeft toen niet meegewerkt aan de vrijgave van de depotbedragen. Op 25 oktober 2024 heeft [eisers c.s] het COA nogmaals verzocht om aan die vrijgave medewerking te verlenen. Dit is uiteindelijk pas op 18 november 2024 gebeurd voor wat betreft de depotbedragen voor de woning en de mestkelders. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20</nr>
      <para>Het COA heeft tijdens de mondelinge behandeling niet kunnen uitleggen waarom de feitelijke levering niet op 1 juli 2024 respectievelijk 1 september 2024 maar pas op 11 oktober kon plaatsvinden. Die vertraging moet voor risico van het COA blijven. Ook heeft het COA niet onderbouwd waarom hij na de feitelijke levering heeft gewacht met het aanschrijven van de notaris om de daaraan gekoppelde depotbedragen vrij te geven. De rechtbank zal daarom oordelen dat het COA op 12 september 2024 – toen de termijn in de ingebrekestelling van 5 september 2024 afliep – in verzuim is geraakt met betrekking tot de vrijgave van deze depotbedragen. Het COA is daarom wettelijke rente verschuldigd over de depotbedragen van € 150.000,00 respectievelijk € 133.000,00 vanaf 12 september 2024 tot 18 november 2024. Het betreft hier de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW omdat bij de depotovereenkomsten geen sprake is van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119b BW.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Depotbedrag voor bodem- en asbestonderzoek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21</nr>
      <para>Voor wat betreft het bodem- en asbestonderzoek geldt dat ook dit lang op zich heeft laten wachten. Op 11 maart 2024 hebben partijen overlegd over wanneer het nadere onderzoek zou plaatsvinden. Het COA heeft toen aangegeven dat hij binnen twee weken opdracht zou geven tot vervolgonderzoek. Dit is niet gebeurd. Op 8 april 2024 heeft [eisers c.s] gevraagd wanneer dit onderzoek zou plaatsvinden. Een reactie van het COA bleef uit. Op 6 mei 2024 heeft [eisers c.s] nogmaals om een reactie gevraagd, en heeft hij aangegeven dat hij ervan uitgaat dat het COA van nader onderzoek afziet als het COA niet binnen twee weken zou reageren. Hierop is geen reactie gekomen. Zoals hierboven beschreven, heeft de advocaat van [eisers c.s] het COA op 5 september 2024 in gebreke gesteld met betrekking tot de vrijgave van alle depotbedragen. Op 25 oktober 2024 is het asbest- en bodemonderzoek uiteindelijk gestart, en op 22 november 2024 heeft het COA het depotbedrag voor de uitkomst van het asbest- en bodemonderzoek vrijgegeven. Hiervan heeft het COA € 20.000,00 aan saneringskosten ingehouden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22</nr>
      <parablock>
        <para>Ook hiervoor geldt dat de vertraging in de vrijgave van het depotbedrag aan het COA is te wijten. Het COA heeft nog aangevoerd dat het asbestonderzoek niet eerder kon plaatsvinden omdat daarvoor geboord moest worden in de meststallen, en [eisers c.s] dat niet toestond. Tijdens de mondelinge behandeling is dat door [eisers c.s] voldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft uitgelegd dat hij in juni 2024, toen nog niet duidelijk was wanneer de feitelijke levering plaats zou vinden, niet wilde dat de vloer van de mestkelders kapot geboord zou worden voordat er duidelijke afspraken gemaakt zouden zijn. Als de feitelijke levering van de mestkelders zoals overeengekomen op 1 juli 2024 had plaatsgevonden, had het COA dit asbestonderzoek al voor de ingebrekestelling van 5 september hebben kunnen laten plaatsvinden. Het COA heeft verder niet onderbouwd waarom het asbest- en bodemonderzoek niet eerder afgerond kon zijn. De rechtbank wijst daarom ook de vordering tot betaling van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW over het depotbedrag voor het bodem- en asbestonderzoek toe. Omdat van dit bedrag </para>
        <para>€ 20.000,00 is ingehouden, is het COA hierover geen rente verschuldigd, en wijst de rechtbank de wettelijke rente toe over een bedrag van € 97.000,00 vanaf 12 september 2024 tot 22 november 2024. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23</nr>
      <para>Omdat de depotbedragen na het uitbrengen van de dagvaarding zijn vrijgegeven, heeft [eisers c.s] zijn in de dagvaarding opgenomen vordering tot medewerking aan vrijgave van de depotbedragen tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het COA moet fiscale schade / kosten vergoeden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24</nr>
      <para>
        [eisers c.s] vordert verder de op 23 december 2022 afgesproken vergoeding van fiscale schade of kosten vanwege de uitgestelde levering. Het COA erkent die afspraak maar vindt toch dat deze vordering afgewezen moet worden. Volgens het COA is namelijk ook afgesproken dat het COA dit alleen zouden vergoeden als [eisers c.s] een accountantsverklaring zou overleggen waarin deze schade geverifieerd wordt en dat heeft [eisers c.s] niet gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.25</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eisers c.s] heeft een financieel overzicht van deze schade verstrekt, opgesteld door een fiscaal juridisch adviesbureau. In dit overzicht is de schade over 2023 begroot op </para>
        <para>€ 31.720,00, en over 2024 op € 6.846,12. Aanvankelijk heeft het COA gevraagd om een accountantsverklaring, maar het COA heeft later de eis gesteld dat de begroting van de schade verifieerbaar is, en door een firma van onbesproken gedrag is opgesteld. Uit een </para>
        <para>e-mail van een vertegenwoordiger van het COA die tijdens de mondelinge behandeling door Naalden is voorgelezen, blijkt dat die vertegenwoordiger vond dat de begroting aan die eisen voldeed, hoewel die strikt genomen niet door een accountant is opgesteld. De (hoogte van) de schadeposten zelf (is) zijn niet door het COA betwist en het COA heeft precies die posten en de hoogte ervan ook opgenomen in een schikkingsvoorstel dat hij eind december 2023 aan [eisers c.s] deed. Ook heeft het COA niet aangegeven waarom deze begroting inhoudelijk te wensen overlaat. Het COA heeft verder aangevoerd dat [eisers c.s] ook financieel voordeel van de uitgestelde levering heeft gehad, maar dat voordeel is in die begroting al meegenomen en verder of ander voordeel is, nu enige onderbouwing daarvan door het COA ontbreekt, niet vast komen te staan. De rechtbank wijst daarom de vorderingen tot vergoeding van de fiscale schade / kosten in 2023 van € 31.720,00 en in 2024 van € 6.846,12 toe. Ook de daarover gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen met ingang van 1 juli 2023 respectievelijk 1 juli 2024 omdat het COA tegen die data geen verweer heeft gevoerd. Dat is de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW omdat het hier om een schadevordering gaat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het COA hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te voldoen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.26</nr>
      <para>
        [eisers c.s] vordert buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 6.775,00. Hoewel [eisers c.s] heeft aangetoond dat hij kosten heeft gemaakt, is onvoldoende onderbouwd dat deze kosten gemaakt zijn ter voorkoming van de procedure. Het COA heeft ook aangevoerd dat een deel van deze kosten gemaakt kan zijn in het kader van het opstellen van de leveringsakte en de depotovereenkomsten. In het kader van die betwisting is onvoldoende gebleken dat [eisers c.s] buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. De rechtbank wijst deze vordering dus af. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het COA is wettelijke rente verschuldigd over de toegewezen bedragen, vanaf 9 januari 2024</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.27</nr>
      <para>
        [eisers c.s] heeft ook wettelijke (handels)rente over de verschuldigde rentevergoedingen, als hierboven sub 3.17. genoemd, gevorderd vanaf 9 januari 2024. Op die datum was het COA volgens [eisers c.s] verplicht de rentebedragen te voldoen, waardoor hij vanaf dat moment met betrekking tot de rentevergoedingen in verzuim verkeerde. Door het COA is niet betwist dat 9 januari 2024 als de uiterste betaaldatum voor deze rentebedragen gold. Omdat de rentevergoedingen in feite een vorm van schadevergoeding zijn kan daarover geen wettelijke handelsrente zijn verschuldigd. De rechtbank zal daarom de reguliere wettelijke rente over die rentebedragen toewijzen vanaf 9 januari 2024, als vermeld in de beslissing. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het COA moet proceskosten betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.28</nr>
      <para>Het COA is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers c.s] worden begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- kosten van de dagvaarding</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>135,97</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>6.861,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>7.004,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(2 punten × € 3.502,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>14.178,97</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.29</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>veroordeelt het COA om aan [eiser sub 1] te voldoen een rentepercentage gelijk aan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 665.000,00 vanaf 30 december 2022 tot 29 december 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 665.000,00 vanaf 29 december 2023 tot 9 januari 2024, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over die beide rentebedragen vanaf 9 januari 2024 tot en met de dag van de algehele voldoening, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt het COA om aan [eiser sub 3] B.V. te voldoen een rentepercentage gelijk aan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over </para>
        <para>€ 3.631.080,00 vanaf 30 december 2022 tot en met 29 december 2023, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119b BW over € 3.631.080,00 vanaf 30 december 2023 tot 9 januari 2024 en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over die beide rentebedragen vanaf 9 januari 2024 tot en met de dag van de algehele voldoening, </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>veroordeelt het COA om aan [eiser sub 2] B.V. te voldoen een rentepercentage gelijk aan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 3.393.920,00 vanaf 30 december 2022 tot en met 29 december 2023, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119b BW over .€ 3.393.920,00 vanaf 30 december 2023 tot 9 januari 2024 en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over die beide rentebedragen vanaf 9 januari 2024 tot en met de dag van de algehele voldoening,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>veroordeelt het COA om aan [eisers c.s] te voldoen een bedrag van € 31.720,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 juli 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>veroordeelt het COA om aan [eisers c.s] te voldoen een bedrag van € 6.846,12, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 juli 2024 tot en met de dag van de algehele voldoening,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt het COA tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de volgende depotbedragen: (i) € 150.000,00 voor de mestkelders, </para>
        <para>(ii) € 97.000,00 voor het bodemonderzoek en (iii) € 133.000,00 voor de woning, een en ander vanaf 12 september 2024 tot de dag dat deze zijn vrijgegeven,</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>veroordeelt het COA in de proceskosten van € 14.178,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als het COA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>veroordeelt het COA tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>