<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:7857</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-20T14:07:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/16/600749 / KG ZA 25-515</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7857">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7857</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-20T14:07:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:7857 Rechtbank Midden-Nederland , 02-12-2025 / C/16/600749 / KG ZA 25-515</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7857:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geldvordering ogv niet nakomen van afbetalingsregelingen van koopovereenkomst voor overname van een rijschool. Gedaagde doet een beroep op dwaling en toerekenbare tekortkoming en die verweren hebben een reeele kans van slagen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7857:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Midden-Nederland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/16/600749 / KG ZA 25-515</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 2 december 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [plaats] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>advocaat: mr. W. van Dijk,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [plaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>advocaat: mr. T.J. Roest Crollius.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken: </para>
      <para>- de dagvaarding en 18 producties,</para>
      <para>- de 3 producties van [gedaagde] ,<?linebreak?>- de pleitnota van [eiser] ,<?linebreak?>- de pleitnota van [gedaagde] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 18 november 2025 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. De voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat uiterlijk op 2 december 2025 uitspraak wordt gedaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiser] heeft op 2 juni 2023 zijn rijschool inclusief activa en goodwill verkocht aan [gedaagde] . Daarbij is een afbetalingsregeling afgesproken voor het bedrag dat [gedaagde] moet betalen voor de goodwill. Daarnaast hebben partijen een leningovereenkomst gesloten met ook een aflossingsschema. Volgens [eiser] zijn zowel de lening als het bedrag voor de goodwill volledig opeisbaar, omdat [gedaagde] de afbetalingsregelingen niet is nagekomen. [eiser] krijgt ongelijk. Zijn vordering wordt in dit kort geding afgewezen. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">3	De beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toetsingskader kort geding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Voor een geldvordering in kort geding geldt bovendien dat rekening wordt gehouden met het risico dat eisers het geldbedrag niet terug kunnen betalen als zij in de bodemprocedure alsnog ongelijk krijgen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Spoedeisend belang </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang van [eiser] voldoende aannemelijk is gemaakt. [gedaagde] heeft een aanzienlijk deel van de overeengekomen bedragen nog niet betaald. Die betaling komt in gevaar als blijkt dat er inderdaad redenen zijn om te twijfelen aan de levensvatbaarheid van de rijschool van [gedaagde] en er een risico is dat zij failliet gaat. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Aannemelijkheid van de vordering </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [eiser] vordert in totaal een bedrag van € 106.289,89. Dat bedrag bestaat uit: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het restant van het bedrag dat partijen zijn overeengekomen voor overname van de goodwill door [gedaagde] ter hoogte van € 69.625,77 vermeerderd met wettelijke rente,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het restant van de geldlening ter hoogte van € 27.916,61, vermeerderd met boeterente van 1,5 % en overeengekomen rente,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van het conservatoir beslag.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>
        [eiser] baseert zijn vordering op niet-nakoming van de koopovereenkomst en van de overeenkomst van geldlening. In de koopovereenkomst hebben partijen afgesproken dat [gedaagde] de koopsom in maandelijkse termijnen van € 1039,19 zal betalen. In de gellening overeenkomst is afgesproken dat [gedaagde] maandelijks een bedrag van              € 416,67zal  aflossen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Vast staat dat [gedaagde] vanaf 9 mei 2025 de afbetalingsregelingen niet meer nakomt. Zij geeft daarvoor twee redenen. De eerste reden is dat de koopovereenkomst vernietigbaar is, omdat zij heeft gedwaald bij het aangaan van de koopovereenkomst. De tweede reden is dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming op grond waarvan de koopovereenkomst ontbonden kan worden. Verder stelt [gedaagde] dat zij als gevolg van de dwaling / tekortkoming vorderingen heeft op [eiser] die zij kan verrekenen. [gedaagde] heeft daarom de betalingen opgeschort. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Als de verweren van [gedaagde] een redelijke kans van slagen hebben, zijn de vorderingen van [eiser] onvoldoende aannemelijk om te kunnen worden toegewezen in kort geding. Hieronder volgt de beoordeling van de verweren. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dwaling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <parablock>
        <para>Partijen zijn overeengekomen dat de rijschool per 1 juli 2023 door [gedaagde] wordt overgenomen voor een koopsom van € 182.292. In artikel 12 van de koopovereenkomst hebben zij het volgende vastgelegd over de koopsom:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“ De prijs voor de overname per 1 juli 2023 is door partijen vastgesteld </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">als volgt; voor de activa (zie bijlage 1) is een bedrag ad € 57.785 overeengekomen, voor de Goodwill (zie bijlage 2)een bedrag ad € 89.507,00 en voor € 35.000,00 bestaande uit het saldo van de rekening courant bij het CBR en het banksaldo van de bedrijvenrekening [rekeningnummer] , waarvoor een aparte geldleningsovereenkomst tussen Verkoper en Koper zal worden gesloten. Koper betaalt aan Verkoper, zoals overeengekomen, een bedrag ad € 60.000,00 in eenmaal en welk bedrag bestaat uit € 57.785,00 voor de activa en € 2.215,00 als deel van de Goodwill. Het bedrag wordt uiterlijk op 28 juni 2023 door Koper voldaan door overschrijving op bankrekening [rekeningnummer] ten name van [eiser] , De resterende som van de Goodwill ad € 87.292,00 zal Koper in 84 gelijke maandelijkse termijnen van € 1039,19 aan Verkoper op dezelfde bankrekening voldoen, ingaande op 1 januari 2024.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Hieruit volgt dat de totale koopsom bestond uit drie onderdelen namelijk:</para>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>voor de activa € 57.785, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>voor de goodwill € 89.507 en </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>voor het saldo van de bedrijfsrekening en de rekening-courant bij het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheid) een bedrag van € 35.000. </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <parablock>
        <para>Voor dit laatste onderdeel is een lening afgesloten. Verder moest [gedaagde] € 60.000 direct betalen; de activa en een gedeelte van de goodwill. Het restant van het overeengekomen bedrag voor de goodwill mocht [gedaagde] in termijnen afbetalen evenals de lening van € 35.000. </para>
        <para>Bij de overdracht is het saldo van de bedrijfsrekening (ruim € 30.000) gebruikt om het bedrag van € 60.000 te betalen. Om tot het bedrag van € 60.000 te komen, heeft  [gedaagde] bij de overdracht nog € 29.720 overgeboekt op de rekening van [eiser] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>Het beroep van [gedaagde] op dwaling moet in een bodemprocedure worden beoordeeld. Daarvoor zijn de volgende redenen.</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij gelijk betalingsproblemen kreeg. De reden daarvoor was dat [eiser] al cursus- en examengeld had ontvangen waarvoor na de overdracht nog les moest worden gegeven en de examens nog moesten plaatsvinden. In de overeenkomst is daarover niets geregeld. <?linebreak?>Op zitting heeft [eiser] erkend dat er door hem inderdaad les- en examengelden waren ontvangen maar dat die bij de overdracht op de bedrijfsrekening stonden (lesgelden) of in het saldo bij het CBR zaten (examengelden). Volgens [eiser] was dat te verrekenen met kosten om de werkzaamheden uit te voeren. Het is niet helder waarom [eiser] dat dan kennelijk toch niet moest afdragen aan [gedaagde] . Voor dit moment betekent dat dat [gedaagde] recht had op die saldi en dat zij voor het overnemen van die saldi ten onrechte een lening van € 35.000 heeft afgesloten bij [eiser] .</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>In tweede instantie heeft [eiser] verklaard dat het bedrag van de lening van <?linebreak?>€ 35.000 eigenlijk goodwill was. De totale goodwill was dan € 124.507. Hij had het zo in de overeenkomst verwerkt, omdat dat fiscaal handiger was voor hem. De overeenkomst is dan dus geen juiste weergave van wat [gedaagde] moest betalen voor de onderneming. </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Verder geldt dat een goodwill van circa € 125.000 niet zonder meer past bij de resultaten van de onderneming. Het resultaat vóór belastingen was in 2019 ongeveer <?linebreak?>€ 34.000, in 2020 ruim € 57.000, in 2021 ruim € 23.000 en in 2022 minder dan <?linebreak?>€ 19.000. Nu het gaat om een eenmanszaak, lijkt er in ieder geval in 2022 geen sprake (meer) van overwinst die een goodwillvergoeding zou rechtvaardigen, laat staan een vergoeding zoals volgens [eiser] overeengekomen. Van de winst moet immers nog een redelijke ondernemersvergoeding worden betaald. </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [eiser] heeft [gedaagde] de onderneming aangeboden en ook de overeenkomst opgesteld. [gedaagde] had geen professionele hulp bij deze overeenkomst.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Toerekenbare tekortkoming </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <para>Verder heeft [gedaagde] ook het verweer gevoerd dat de activa die zij heeft overgenomen in slechte staat verkeerde. Zo kon zij de rijsimulator niet gebruiken, zonder daarvoor eerst nieuwe computers te kopen en een onderhoudscontract af te sluiten. Ook waren volgens [gedaagde] de motoren niet goed onderhouden. Daarnaast waren er problemen met onder andere het overzetten van verzekeringen en de website, terwijl [eiser] daarvoor contractueel moest zorgen. <?linebreak?>Deze tekortkomingen zijn vooralsnog voldoende onderbouwd, zodat ook tegen de overeengekomen waarde van deze onderdelen van de activa reëel verweer te voeren is. [gedaagde] heeft daarnaast mogelijk ook een tegenvordering op [eiser] in verband met door [eiser] teveel in rekening gebrachte uren voor de werkzaamheden van zijn vrouw. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>Gelet op de kans van slagen van de verweren van [gedaagde] staat de vordering van [eiser] onvoldoende vast. Daarbij komt dat [gedaagde] een groot belang heeft om het gevorderde bedrag nu niet te hoeven betalen. Zij heeft extra kosten moeten maken na de overname van de rijschool en bovendien werk verricht waarvoor zij geen inkomsten heeft ontvangen. Dat heeft zijn weerslag op de bedrijfsvoering en de levensvatbaarheid van de rijschool die, naar achteraf is gebleken, een vrij beperkt resultaat had. Betaling van het gevorderde bedrag zal haar in liquiditeitsproblemen brengen en dus mogelijk leiden tot haar faillissement. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>
        [eiser] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:</para>
      <para />
      <para>- griffierecht		          €   2.723,00  (vordering boven € 100.000)</para>
      <para>- salaris advocaat   	€   1.107,00  (tarief gemiddelde zaak)</para>
      <para>- nakosten	              <emphasis role="underline">€      178,00</emphasis>  (plus eventueel de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
      <para>Totaal                    €   4.008,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>wijst de vordering af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.008, te betalen binnen veertien dagen na betekening. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92 extra betalen, plus de kosten van betekening,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens als voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G. Delissen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>