<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:7844</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-16T12:08:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/16/563791 / HA ZA 23-637</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7844">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7844</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-16T12:08:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:7844 Rechtbank Midden-Nederland , 10-12-2025 / C/16/563791 / HA ZA 23-637</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7844:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eindvonnis na plaatsopneming. Beroep op artikel 7:756 lid 1 BW slaagt. De rechtbank ontbindt de aannemingsovereenkomst gedeeltelijk. Vordering tot schadevergoeding deels toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7844:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Midden-Nederland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/16/563791 / HA ZA 23-637</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 10 december 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [eiser sub 1] , </title>
    <parablock>
      <para>te [plaats] ,<?linebreak?>2. <emphasis role="bold">[eiseres sub 2]</emphasis>, </para>
      <para>te [plaats] ,</para>
      <para>eisers in conventie,</para>
      <para>verweerders in reconventie,</para>
      <para>advocaat: mr. S.T. van Gestel (voorheen: mr. A.C.M. van der Voet),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] B.V.</emphasis>, </para>
      <para>te [plaats] ,</para>
      <para>gedaagde in conventie,</para>
      <para>eiseres in reconventie,</para>
      <para>advocaat: mr. A.T. Slofstra.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers worden hierna gezamenlijk (in mannelijk enkelvoud) [eiser] genoemd. Gedaagde wordt hierna [gedaagde] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 19 maart 2025 en de daarin genoemde stukken;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de plaatsopneming en de mondelinge behandeling van 8 juli 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De rechtbank heeft een onafhankelijke deskundige benoemd, omdat het nog niet was vast te stellen of het tot nu toe verrichte werk van [gedaagde] ondeugdelijk is. Deze deskundige heeft in het bijzijn van partijen tijdens de plaatsopneming gerapporteerd. De rechtbank komt op basis van de bevindingen van deze deskundige tot het oordeel dat het waarschijnlijk is geworden dat [gedaagde] niet tot een deugdelijke oplevering zal komen. De rechtbank ontbindt daarom de aannemingsovereenkomst. [gedaagde] moet de schade die [eiser] daardoor lijdt, vergoeden. De vergoedbare schade bedraagt € 24.710,10, maar de rechtbank wijst een bedrag van € 15.049,98 toe. Dit komt doordat een aantal meerwerkposten van [gedaagde] worden verrekend met de schadevergoeding. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In conventie en in reconventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Terugblik op de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 2 oktober 2024 de vorderingen van [eiser] en [gedaagde] al grotendeels beoordeeld. De rechtbank heeft haar beslissing ten aanzien van de resterende vorderingen uitgesteld in afwachting van de voorlichting door de deskundige die de rechtbank heeft benoemd, de heer ing. ir. J.C.A van den Bergh. Vervolgens heeft op 8 juli 2025 de plaatsopneming met aansluitend de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De deskundige heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn bevindingen gedeeld aan de rechtbank en partijen. Er is geen schriftelijk rapport opgesteld door de deskundige, maar de griffier heeft aantekeningen gemaakt van de plaatsopneming.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">De rechtbank ontbindt de aannemingsovereenkomst gedeeltelijk op grond van artikel 7:756 lid 1 BW</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Allereerst stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. [eiser] wil dan ook dat de aannemingsovereenkomst wordt ontbonden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het is waarschijnlijk geworden dat [gedaagde] niet behoorlijk het werk zal opleveren</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Uit artikel 7:756 lid 1 BW volgt dat als al vóór de oplevering waarschijnlijk wordt dat de aannemer niet op tijd of niet behoorlijk het werk zal opleveren, de rechter op vordering van de opdrachtgever de aannemingsovereenkomst geheel of gedeeltelijk kan ontbinden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat waarschijnlijk is geworden dat [gedaagde] het werk niet behoorlijk zal opleveren. Om te beginnen heeft de deskundige tijdens de plaatsopneming geconstateerd dat vrijwel alle werkzaamheden waren afgerond. Alleen de vloerverwarming was nog niet volledig geïnstalleerd. Verder heeft de deskundige in diverse ruimtes lekkages aangetroffen, waarbij de ernstigste lekkage zich bevindt in de garage. Vervolgens heeft de deskundige de EPDM dakbedekking geïnspecteerd. Hierbij zijn ernstige gebreken geconstateerd. Zo is de EPDM dakbedekking op de bovenste verdieping niet goed ingevouwen, waardoor het water door het dak kan dringen. Volgens de deskundige zijn hoogstwaarschijnlijk de lekkages daaraan te relateren. De deskundige heeft niet de oorzaak van de lekkage in de garage kunnen achterhalen, omdat daarvoor een destructief onderzoek nodig is. Daar komt bij dat naar het oordeel van de deskundige de dakpannen van het hellend dak niet zijn gehaakt en de nokvorsten te hoog zijn aangelegd. Eén bovenste nokvorst drukt in het EPDM. Dit zal hoogstwaarschijnlijk op termijn tot aanvullende lekkage leiden. Alleen al op basis van de kwaliteit van de hiervoor genoemde werkzaamheden, komt de rechtbank tot de conclusie dat een deugdelijke oplevering niet meer te verwachten is. Het beroep op artikel 7:756 lid 1 BW slaagt. De rechtbank zal daarom overgaan tot ontbinding van de aannemingsovereenkomst. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">
            [eiser] is betaling verschuldigd van de werkzaamheden die [gedaagde] tot het moment van de ontbinding heeft verricht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Op basis van artikel 7:756 lid 3 BW mag de rechtbank de gevolgen van deze ontbinding bepalen. Zoals eerder aangekondigd in het tussenvonnis van 2 oktober 2024 zal de rechtbank hierbij aansluiten bij de regels die voor ontbinding van alle overeenkomsten gelden uit boek 6 van het BW. Omdat de werkzaamheden grotendeels zijn afgerond, zal de rechtbank de aannemingsovereenkomst gedeeltelijk ontbinden. Dat wil zeggen dat [eiser] moet betalen voor de werkzaamheden die [gedaagde] tot aan de ontbinding heeft verricht. Voor de nog uit te voeren werkzaamheden is [eiser] bevrijd van zijn betalingsverplichting. [gedaagde] hoeft deze werkzaamheden dan ook niet meer te verrichten. De rechtbank merkt ten overvloede op dat dus geen sprake is van een opzegging aan de kant van [eiser] . </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Een schadebedrag van € 22.460,10 is toewijsbaar </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>
        [gedaagde] is op grond van artikel 6:277 lid 1 BW in principe verplicht de schade die het gevolg is van het niet (verder) uitvoeren van de aannemingsovereenkomst te vergoeden. De ontbinding is namelijk gegrond op een tekortkoming van [gedaagde] .</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De herstelkosten bedragen € 21.976,10</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>
        [eiser] vordert een bedrag van € 27.819,42 aan herstelkosten. Naar het oordeel van de rechtbank komt een bedrag van € 21.976,10 voor vergoeding in aanmerking. Dit wordt hieronder per schadepost toegelicht.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kosten voor herstel van de dak van € 9.438,00 zal worden toegewezen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>
        [eiser] vordert als schadevergoeding voor het herstel van het dak een bedrag van € 9.438,00. [gedaagde] is het hier niet eens, omdat dit niet in lijn is met raming van de herstelkosten die de heer [A] van [bedrijf 2] heeft gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. De deskundige heeft tijdens de plaatsopneming vastgesteld dat het dak ernstige gebreken vertoont. Verder blijkt uit de offerte van [bedrijf 1] B.V.<footnote-ref linkend="_2b13136f-f0b8-40f3-9ea0-90397649514c" /> dat de herstelwerkzaamheden een bedrag van € 9.438,00 met zich meebrengen. Dat dit een hoger bedrag is dan de heer [A] vanuit is gegaan, maakt dit niet anders. In het deskundigenrapport ging het namelijk om een schatting. De rechtbank zal daarom het gevorderde bedrag van € 9.438,00 toewijzen.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kosten van € 3.612,37 voor het afronden van de vloerverwarming zal worden toegewezen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <para>
        [eiser] vordert een bedrag van € 3.612,37 voor het afmaken van de vloerverwarming. [gedaagde] is het niet eens met de hoogte van dit bedrag, omdat volgens [gedaagde] alleen een aantal onderdelen nodig zijn voor het herstel en niet een geheel nieuw vloerverwarmingssysteem. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>Tijdens de plaatsopneming is duidelijk geworden dat het aanleggen van de vloerverwarming niet afgerond was. De vloerverwarming was namelijk niet per ruimte regelbaar, terwijl dit wel was afgesproken tussen partijen. Hierdoor zal een andere partij de werkzaamheden moeten afronden. [eiser] heeft een offerte opgevraagd bij [bedrijf 3] B.V.<footnote-ref linkend="_8fdab508-ac45-4bc9-8f3d-41efee6ddd6c" /> Daaruit volgt dat het afmaken van de vloerverwarming € 3.612,37 kost. Dat volgens [gedaagde] alleen onderdelen benodigd zijn voor het herstel van de vloerverwarming - met andere woorden het regelbaar maken van de vloerverwarming per ruimte -, heeft zij onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 3.612,37 toewijzen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kosten voor het herstel van het metselwerk zal voor een bedrag van € 75,00 worden toegewezen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>
        [eiser] vordert € 723,58 voor het herstel van het metselwerk. [gedaagde] is van mening dat het hier gaat om een esthetisch gebrek en dit daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13</nr>
      <para>De rechtbank geeft [gedaagde] deels gelijk en zal daarom een bedrag van € 75,00 toewijzen. De deskundige heeft tijdens de plaatsopneming vastgesteld dat het metselwerk geen ernstige gebreken vertoont. Ook volgt uit het deskundigenrapport van [bedrijf 5] dat één steen van de rollaag afwijkt en herstel hiervan € 177,50 kost. Gelet hierop en dat het om een esthetisch gebrek gaat, komt de rechtbank tot een bedrag van € 75,00.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Herstelkosten voor de verdiepingsvloer bedragen € 6.850,73</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14</nr>
      <para>
        [eiser] rekent voor het herstel van de verdiepingsvloer € 12.045,50. Dit bedrag baseert hij op de offerte van aannemersbedrijf [bedrijf 4] B.V.<footnote-ref linkend="_be8374d8-01cc-4b03-be24-308fe86f7ddf" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15</nr>
      <para>De rechtbank zal een bedrag van € 6.850,73 toewijzen om de volgende redenen. Anders dan in de offerte van [gedaagde] , zijn ook kosten opgenomen voor het plaatsen van een HSB-wand ten aanzien van de verdiepingsvloer. Omdat deze verrichting geen onderdeel is geweest van de aannemingsovereenkomst, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Verder moet naar het oordeel van de rechtbank het feit dat de binnendeur een andere afwerking heeft dan [eiser] wenst als een esthetisch gebrek worden gezien. Herstel hiervan komt dus niet voor vergoeding in aanmerking. Daarbij heeft [eiser] ook de kosten voor het vervangen van het lood aan de voorzijde in de vordering betrokken, terwijl dit al onderdeel is van het herstel van de dak. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 6.850,73 toewijzen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kosten voor klein herstel van € 500,00 toegewezen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16</nr>
      <para>
        [eiser] vordert € 500,00 aan klein herstel. De rechtbank wijst dit bedrag toe. Uit het deskundigenrapport van [bedrijf 2] volgt dat deze kosten zijn toe te rekenen aan het herstel van het binnenwerk. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kosten voor de schilder van € 1.500,00 toegewezen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17</nr>
      <para>
        [eiser] vordert € 1.500,00 voor de kosten van de schilder. Ook dit bedrag wijst de rechtbank toe. Voor de afwerking van de werkzaamheden is nodig dat er schilderwerkzaamheden worden uitgevoerd. Niet gebleken is dat de schilderwerkzaamheden al onderdeel zijn van de hierboven genoemde herstelwerkzaamheden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18</nr>
      <para>Kortom, [eiser] maakt aanspraak op € 21.976,10 aan herstelkosten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De deskundigenkosten van € 484,00 van [bedrijf 2] moeten vergoed worden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19</nr>
      <para>Ook maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van de deskundigenkosten van € 484,00. [eiser] heeft [bedrijf 2] ingeschakeld om de kwaliteit van de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden te onderzoeken. [bedrijf 2] heeft hiervoor € 484,00 in rekening gebracht bij [eiser]<footnote-ref linkend="_e8263615-fe83-488a-9691-08669633cec5" /> Het gaat dus om kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid, zoals bedoeld in artikel 6:92 lid 2 sub b BW. Daarbij komen deze kosten de rechtbank redelijk voor.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Tussenconclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20</nr>
      <para>Tot nu toe is de conclusie dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 24.710,10 moet vergoeden aan [eiser] Maar in 3.5 is uitgelegd dat [eiser] ook betaling is verschuldigd van de werkzaamheden die [gedaagde] tot het moment van ontbinding heeft verricht. [eiser] heeft zich in dat kader nog beroepen op verrekening met haar schadevordering op [gedaagde] . De rechtbank zal daarom hierna ingaan op de vordering van [gedaagde] en vervolgens het beroep op verrekening bespreken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">De vordering van [gedaagde] </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21</nr>
      <para>
        [gedaagde] vordert de laatste termijn van de aanneemsom en een aantal meer-/minderwerkposten. Een groot deel van deze meer-/minderwerkposten is al behandeld in een eerder tussenvonnis. Ook vordert zij vergoeding van de deskundigenkosten. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Van de laatste termijn van de aanneemsom is een bedrag van € 8.000,00 verschuldigd</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22</nr>
      <para>
        [gedaagde] vordert betaling van een factuur, de laatste termijn van de aanneemsom. Het gaat om een bedrag van € 8.610,61. [eiser] is het niet eens met deze factuur en vindt dat hij in ieder geval de kosten van de opleveringsschoonmaak van € 114,00 niet hoeft te betalen. De rechtbank oordeelt dat een bedrag van € 8.000,00 toewijsbaar is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23</nr>
      <para>Zoals eerder in dit vonnis benoemd, brengt de gedeeltelijke ontbinding van de aannemingsovereenkomst met zich mee dat [eiser] moet betalen voor de werkzaamheden die [gedaagde] tot nu toe heeft verricht en terug moet krijgen wat eventueel onverschuldigd is betaald. De deskundige heeft vastgesteld dat [gedaagde] vrijwel alle werkzaamheden heeft verricht. Enkel het werkend maken van de vloerverwarming stond de oplevering van de opbouw in de weg. Daarbij heeft er geen opleveringsschoonmaak plaatsgevonden. Op basis hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiser] van de laatste termijn van de aanneemsom een bedrag van € 8.000,00 is verschuldigd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Een bedrag van € 522,72 aan meerwerk is toewijsbaar, maar tegelijkertijd bedraagt het minderwerk € 2.250,00</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24</nr>
      <para>Dan komt de rechtbank nu toe aan de bespreking van de nog resterende meer-/minderwerkposten, namelijk ten aanzien van de dakpannen, het stucwerk van de garderobewand en de balklaag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.25</nr>
      <parablock>
        <para>Van meerwerk is sprake, als er gewenste toevoegingen of veranderingen zijn in het</para>
        <para>overeengekomen werk. Op grond van artikel 7:755 BW kan de aannemer</para>
        <para>bij meerwerk slechts een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij de opdrachtgever</para>
        <para>tijdig heeft gewezen op de noodzaak van de daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de</para>
        <para>opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Minderwerk betreft het</para>
        <para>tegenovergestelde. Het gaat dan om mindere verrichting dan is opgenomen in het</para>
        <para>overeengekomen werk.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Er is sprake van € 1.500,00 aan minderwerk ten aanzien van de dakpannen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.26</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] stelt dat sprake is van minderwerk van € 4.800,00, omdat [gedaagde]</para>
        <para> te veel dakpannen heeft besteld en een gedeelte is geretourneerd. Er zijn namelijk dakpannen besteld voor een dakoppervlakte van 88m2, terwijl het dak een oppervlakte heeft van 38,5 m2. [gedaagde] heeft toegelicht dat er inderdaad te veel dakpannen zijn besteld, maar dat dit geen minderwerk oplevert. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.27</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank volgt het standpunt van [gedaagde] hierin niet. Om te beginnen heeft [gedaagde] erkend dat zij een bestelfout heeft gemaakt. Er zijn 1.200 dakpannen besteld voor een dakoppervlakte van 88,25 m2. Dit komt neer op nagenoeg het dubbele aan dakpannen dan nodig was geweest. Anders dan [eiser] meent, wil dat niet zeggen dat de prijs die [gedaagde] heeft geoffreerd voor de dakbedekking gehalveerd moet worden. Deze prijs is namelijk ook gebaseerd op de te verrichten werkzaamheden en de tijd en/of arbeid die daarmee gemoeid is. Niet gebleken is dat er op dat gebied besparingen zijn, zodat de rechtbank enkel uitgaat van een besparing in het aantal dakpannen. Volgens [gedaagde] zijn er ongeveer dertien dakpannen nodig voor één vierkante meter. Hierbij is rekening gehouden met snijafval en het eventueel slijpen van paspannen. Uit de factuur is af te leiden dat de door [eiser] gekozen dakpannen ongeveer € 2,60 incl. btw per stuk kosten. <footnote-ref linkend="_91c86b5d-4b2d-438e-b253-79e10e78b65f" /> Dit betekent dat één vierkante meter een bedrag van ongeveer € 30,00 aan dakpannen met zich meebrengt. Omdat er voor ruim 50 m2 te veel is besteld, komt de rechtbank tot een minderprijs van € 1.500,00. </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het stucwerk van de extra garderobewand levert meerwerk op van € 522,72</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.28</nr>
      <para>
        [gedaagde] vordert € 522,72 aan meerwerk voor het stucwerk van de extra garderobewand. De rechtbank wijst dit bedrag toe. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.29</nr>
      <para>Niet ter discussie staat dat [eiser] een toevoeging in het overeengekomen werk wenste, het plaatsen van de extra garderobewand, en dat daarvoor meerwerk is verschuldigd. Volgens [eiser] is de garderobewand niet gestukt, zodat hij van mening is dat hij die kosten niet hoeft te betalen. Tijdens de plaatsopneming heeft de deskundige echter vastgesteld dat de extra garderobewand is afgewerkt. Dat partijen verschillen van mening wat onder stuken moet worden bestaan, neemt niet weg dat de muur is afgewerkt. De rechtbank is daarom van oordeel dat [eiser] ook voor deze werkzaamheden moet betalen, de meerprijs past ook bij de kosten voor wandafwerking.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het minderwerk ten aanzien van de draagbalken bedraagt € 750,00 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.30</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft ten aanzien van de draagbalken € 139,63 aan minderwerk berekend. [eiser] vindt juist dat een bedrag van € 2.1468,00 in mindering moet worden gebracht. Volgens hem is van de balklaag 39 meter hergebruikt en de balklaag is als één geheel verlaagd, zodat dit besparingen heeft opgeleverd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.31</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat de deskundige heeft geconstateerd dat een deel van de draagbalken is hergebruikt. In de offerte is uitgegaan van het plaatsen van een gehele nieuwe balklaag. Dat de bestaande balklaag voor een deel is hergebruikt, brengt besparingen in uren en arbeid met zich mee. Deze besparing is echter niet zodanig dat dit een bedrag van € 2.1468,00 vertegenwoordigd. Voor het deel met nieuwe balklagen geldt namelijk niet dat sprake is van een besparing in manuren en arbeid. Hier moeten ook nog kosten voor het materiaal worden betrokken. De rechtbank komt schattenderwijs daarom tot een bedrag van € 750,00 aan minderwerk. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Geen vergoeding van het deskundigenonderzoek verricht door [bedrijf 5]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.32</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft ook € 2.645,37 gevorderd aan deskundigenkosten. [gedaagde] heeft een tegenonderzoek door [bedrijf 5] laten verrichten om aan te tonen dat zij niet is tekortgeschoten. De rechtbank zal deze vordering afwijzen, omdat de partij die zich verweert tegen aansprakelijkheid en daarom kosten maakt in principe geen recht heeft op vergoeding van die kosten.<footnote-ref linkend="_5edb267b-8e04-4a20-94db-eed118b8fe97" /> Daar komt bij dat is komen vast te staan dat [gedaagde] wel tekort is geschoten, zodat voor [gedaagde] geen grondslag bestaat voor vergoeding van de deskundigenkosten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Tussenstand</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.33</nr>
      <para>Samengevat komt het erop neer dat [eiser] recht heeft op € 22.460,10 aan herstelkosten. Ook moet hierbij het bedrag van € 2.250,00 aan minderwerkposten worden betrokken, zodat [eiser] recht heeft op een totaal bedrag van € 24.710,10. Over de vordering van [gedaagde] is in het tussenvonnis van 2 oktober 2024 al geoordeeld dat een bedrag van € 1.137,40 toewijsbaar is. In dit vonnis komt daar nog een bedrag van € 8.522,72 bij, namelijk een deel van de laatste factuur en het meerwerk ten aanzien van de extra garderobewand. In totaal is dus een bedrag van € 9.660,12 toewijsbaar in reconventie. [eiser] heeft echter een beroep gedaan op verrekening.   </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Verrekening kan plaatsvinden, zodat [gedaagde] € 15.049,98 moet betalen aan [eiser]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.34</nr>
      <para>Op grond van artikel 6:127 BW is de schuldenaar bevoegd tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die aan zijn schuld tegenover dezelfde wederpartij beantwoordt en de schuldenaar bevoegd is tot betaling van de schuld en tot het afdwingen van de betaling van de vordering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.35</nr>
      <para>Omdat het is komen vast te staan dat partijen over en weer een opeisbare vordering op elkaar hebben, kan [eiser] zich met succes beroepen op verrekening. [gedaagde] is door verrekening een bedrag van € 15.049,98 (24.710,10 - 9.660,12) aan [eiser] verschuldigd. De vordering van [gedaagde] op [eiser] komt daarmee te vervallen. Logischerwijs heeft [gedaagde] dan geen belang meer bij de door haar gevorderde verklaring recht, namelijk dat het [gedaagde] wordt toegestaan dat zij haar vordering mag verrekenen met die van [eiser] Dit maakt dat de vorderingen in reconventie, dat wil zeggen de vorderingen van [gedaagde] , volledig worden afgewezen. De rechtbank zal in conventie € 15.049,98 aan schadevergoeding toewijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.36</nr>
      <para>Hieronder volgt de beoordeling van de gevorderde rente en (buitengerechtelijke incasso)kosten door [eiser]</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">
            [gedaagde] moet de wettelijke rente over de schadevergoeding betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.37</nr>
      <para>
        [eiser] vordert de wettelijke rente over de schadevergoeding vanaf de datum van verzuim. Volgens [eiser] is [gedaagde] al vanaf 30 maart 2023 of anders vanaf 11 augustus 2023 in verzuim, omdat [gedaagde] niet tot herstel van de gebreken is overgegaan terwijl zij daartoe was gesommeerd. Wat daar ook van zei, in die periode was er nog geen sprake van een opeisbare verbintenis tot betaling van een geldsom. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat de schuldenaar met het betalen van een geldsom in verzuim is. Hoewel [eiser] in de brief van 1 september 2023<footnote-ref linkend="_a2f863d6-de9e-47b8-93df-fe84b133ef01" /> heeft aangekondigd haar vordering tot nakoming om te zetten in een vordering tot schadevergoeding, wordt in die brief [gedaagde] niet gesommeerd tot betaling van een schadevergoeding. In die brief wordt slechts een (laatste) schikkingsaanbod gedaan. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van de dagvaarding, namelijk 27 september 2023.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Buitengerechtelijke incassokosten afgewezen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.38</nr>
      <para>Tot slot vordert [eiser] vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.436,13. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.39</nr>
      <para>De (hoofd)vordering van [eiser] heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is.<footnote-ref linkend="_96f35ff7-c71e-4280-a16b-7d4afbd2be85" /> Dit maakt dat de (nadere) regels van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten niet van toepassing zijn, maar de (oude) regels van Voor-Werk II. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.40</nr>
      <para>Op basis van Voor-Werk II komen alleen verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier voor vergoeding in aanmerking. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] meer buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan die hiervoor zijn omschreven. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">
            [gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] in conventie en reconventie betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.41</nr>
      <para>
        [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief de nakosten) in conventie en reconventie betalen. Dat [eiser] ten aanzien van de vordering in reconventie geen kostenveroordeling heeft gevorderd, maakt dit niet anders. De rechtbank kan namelijk ambtshalve tot een kostenveroordeling overgaan.<footnote-ref linkend="_f2569164-6f38-4fd6-b3cb-2ffab31625e8" /> Onder de proceskosten vallen ook de kosten van de deskundige tijdens de plaatsopneming die [eiser] heeft voorgeschoten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.42</nr>
      <para>De proceskosten in conventie van [eiser] worden begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- kosten van de dagvaarding</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>132,42</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>1.301,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- kosten deskundige</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>3.700,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.249,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(3,5 punten<footnote-ref linkend="_0f03c706-56ec-4818-b95e-c5da1f23f105" /> × € 1.214,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>9.382,42</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.43</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.44</nr>
      <para>De proceskosten in reconventie van [eiser] worden begroot op € 307,00 (1 punt × 0,5 x € 614,00). De proceskosten in reconventie bestaan enkel uit salaris advocaat voor het indienen van een conclusie van antwoord in reconventie. De rechtbank ziet geen aanleiding om punten toe te kennen voor de overige proceshandelingen, omdat die al zijn betrokken in de proceskostenveroordeling van de conventie. Daar komt bij dat de tegenvordering voortvloeit uit het verweer van [gedaagde] , zodat de proceskosten worden gehalveerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.45</nr>
      <para>De nakosten in conventie en reconventie worden begroot op € 278,00.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Uitvoerbaarheid bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.46</nr>
      <para>Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals [eiser] heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In conventie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>ontbindt gedeeltelijk de aannemingsovereenkomst van 25 april 2022, in die zin dat dat partijen per heden zijn bevrijd van hun verplichtingen die nog uit deze overeenkomst voortvloeien,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 15.049,98 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 september 2023, tot de dag van volledige betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 9.382,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>wijst de vorderingen af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 307,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In conventie en in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de nakosten van € 278,00, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>verklaart dit vonnis met uitzondering van 4.1, 4.5 en 4.6 uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.</para>
        <para>5315</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_2b13136f-f0b8-40f3-9ea0-90397649514c" label="1">
    <para> Productie 27 van [eiser]</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8fdab508-ac45-4bc9-8f3d-41efee6ddd6c" label="2">
    <para> Productie 28 van [eiser]</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be8374d8-01cc-4b03-be24-308fe86f7ddf" label="3">
    <para> Productie 29 van [eiser]</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e8263615-fe83-488a-9691-08669633cec5" label="4">
    <para> Productie 30 van [eiser]</para>
  </footnote>
  <footnote id="_91c86b5d-4b2d-438e-b253-79e10e78b65f" label="5">
    <para> Productie 11 van [gedaagde] /</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5edb267b-8e04-4a20-94db-eed118b8fe97" label="6">
    <para> Zie HR 8 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV3384 en Hof Arnhem-Leeuwarden 3 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9176.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a2f863d6-de9e-47b8-93df-fe84b133ef01" label="7">
    <para> Productie van 26 van [eiser]</para>
  </footnote>
  <footnote id="_96f35ff7-c71e-4280-a16b-7d4afbd2be85" label="8">
    <para> Artikel 1 van het Besluit.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f2569164-6f38-4fd6-b3cb-2ffab31625e8" label="9">
    <para> HR 28 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9604.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0f03c706-56ec-4818-b95e-c5da1f23f105" label="10">
    <para> De rechtbank wijst 1 punt voor de dagvaarding, 1 punt voor de mondelinge behandeling, 0,5 punt voor de akte met bijzondere inhoud en 1 punt voor de plaatsopneming toe. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>