<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBMNE:2025:7815</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-20T08:53:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Midden-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Midden-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11311417 \ UC EXPL  24-6329</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBMNE:2026:1561" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Einduitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2026:1561</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7815">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7815</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-20T08:49:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBMNE:2025:7815 Rechtbank Midden-Nederland , 27-08-2025 / 11311417 \ UC EXPL  24-6329</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7815:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenkomst. Vordering tot verklaring voor recht dat sprake is van een huurovereenkomst , tijdens procedure tot verdeling woning. Kantonrechter geeft de gevraagde verklaring. Gebruik van een kamer en gemeenschappelijke ruimtes voor een tegenprestatie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBMNE:2025:7815:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">MIDDEN-NEDERLAND</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 11311417 \ UC EXPL  24-6329</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 27 augustus 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [procesdeelnemer 1 (met onjuiste voornaam)] Q.Q., handelend in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van [procesdeelnemer 2]</emphasis>, </para>
      <para>wonende in [plaats 1] ,</para>
      <para>eisende partij in conventie,</para>
      <para>verwerende partij in reconventie en in de tussenkomst,</para>
      <para>hierna beiden afzonderlijk te noemen: ‘ [procesdeelnemer 1 (voornaam)] ’ respectievelijk ‘ [procesdeelnemer 2 (voornaam)] ’,</para>
      <para>en gezamenlijk te noemen: [achternaam] q.q.</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.E. Sondorp, kantoorgenoot van mr. [A]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [procesdeelnemer 3]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende in [plaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde partij in conventie,</para>
      <para>eisende partij in reconventie,</para>
      <para>verwerende partij in de tussenkomst,</para>
      <para>hierna te noemen: [procesdeelnemer 3 (voornaam)] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [procesdeelneemster 4]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende in [plaats 2] ,</para>
      <para>eisende partij in de tussenkomst,</para>
      <para>hierna te noemen: [procesdeelneemster 4 (voornaam)] ,</para>
      <para>advocaat: mr. G.P. Raats.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de vonnissen in incident van 31 juli 2024 en 11 september 2024<?linebreak?>- de conclusie van eis na tussenkomst van [procesdeelneemster 4 (voornaam)] met producties 1 tot en met 7<?linebreak?>- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie van [procesdeelnemer 3 (voornaam)]<?linebreak?>- de conclusie van antwoord na eis in tussenkomst van [achternaam] q.q.<?linebreak?>- de akte wijziging van eis met aanvullende producties 8 tot en met 10 van [procesdeelneemster 4 (voornaam)]<?linebreak?>- de e-mail van de gemachtigde van [achternaam] q.q. van 17 april 2025 met een kopie van het volledige levenstestament van [procesdeelnemer 2 (voornaam)]</para>
      <para>- de zitting van 22 april 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Uit het (volledige) levenstestament van [procesdeelnemer 2 (voornaam)] blijkt dat hij in zijn levenstestament [procesdeelnemer 1] een algemene volmacht heeft gegeven. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de aanduiding in de dagvaarding van eisende partij ‘ [procesdeelnemer 1 (met onjuiste voornaam)] q.q.’ een verschrijving bevat. De kantonrechter zal daarom de voornaam ‘ [onjuiste voornaam van procesdeelnemer 1] ’ lezen als ‘ [procesdeelnemer 1 (voornaam)] ’. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>De zitting heeft op 22 april 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren [procesdeelnemer 1] en [procesdeelnemer 2] , bijgestaan door mr. [A] , de toenmalige gemachtigde. Verder waren aanwezig [procesdeelnemer 3 (voornaam)] [achternaam] , bijgestaan door mr. T.J. Roest Crollius, en [procesdeelneemster 4] , bijgestaan door mr. G.P. Raats. Tijdens de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Aan het einde van de zitting is afgesproken dat de zaak wordt aangehouden voor overleg tussen partijen over de mogelijkheid van een minnelijke regeling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Op 30 juni 2025 heeft de gemachtigde van [procesdeelnemer 3 (voornaam)] de kantonrechter bericht dat er geen minnelijke regeling is getroffen, dat vonnis wordt gevraagd over alleen de vraag of [procesdeelneemster 4 (voornaam)] huurster is en met het verzoek de beslissing over de verdeling aan te houden. De gemachtigden van [achternaam] q.q. en [procesdeelneemster 4 (voornaam)] hebben de kantonrechter laten weten dat zij daarmee instemmen. De kantonrechter heeft daarna vonnis bepaald. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        [procesdeelnemer 2 (voornaam)] en [procesdeelnemer 3 (voornaam)] zijn broers. Zij zijn sinds 1988 de gezamenlijke eigenaren van de woning aan de [adres] in [plaats 2] . Dit is een zogenoemde eenvoudige gemeenschap. Sinds 20 januari 1989 woont hun zus [procesdeelneemster 4 (voornaam)] ook in de woning. [procesdeelnemer 2 (voornaam)] heeft eind 2021 een herseninfarct gehad en woont sindsdien in een verzorgingstehuis. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De woning is een eengezinswoning met drie slaapkamers op de eerste verdieping. [procesdeelnemer 2 (voornaam)] en [procesdeelnemer 3 (voornaam)] gebruikten elk een slaapkamer. [procesdeelneemster 4 (voornaam)] maakt gebruik van de kleinste slaapkamer in de woning. [procesdeelnemer 2 (voornaam)] , [procesdeelnemer 3 (voornaam)] en [procesdeelneemster 4 (voornaam)] voerden een gezamenlijke huishouding. [procesdeelnemer 2 (voornaam)] en [procesdeelnemer 3 (voornaam)] hielden een huishoudpot bij op hun gezamenlijke bankrekening. [procesdeelneemster 4 (voornaam)] stortte eerst wekelijks en later maandelijks op deze gezamenlijke bankrekening een bijdrage met de omschrijving ‘kostgeld’. Uit de huishoudpot werden boodschappen, verzekeringen en onderhoudskosten betaald. De gezamenlijke bankrekening is vanaf het najaar van 2022 niet meer in gebruik. Sindsdien betaalt [procesdeelneemster 4 (voornaam)] haar maandelijkse bijdrage op een bankrekening van [procesdeelnemer 3 (voornaam)] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>
        [procesdeelnemer 1 (voornaam)] is een neef van [procesdeelnemer 2 (voornaam)] , [procesdeelnemer 3 (voornaam)] en [procesdeelneemster 4 (voornaam)] . Sinds 2022 helpt hij [procesdeelnemer 2 (voornaam)] met zijn administratie. Begin 2023 heeft [procesdeelnemer 2 (voornaam)] aan [procesdeelnemer 3 (voornaam)] kenbaar gemaakt dat hij zijn aandeel in de eigendom van de woning aan [procesdeelnemer 3 (voornaam)] wil overdragen en uitgekocht wil worden. [procesdeelnemer 3 (voornaam)] heeft dit geweigerd. Vervolgens is [achternaam] q.q. deze procedure gestart. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>
        [procesdeelnemer 1 (voornaam)] vordert als gevolmachtigde van [procesdeelnemer 2 (voornaam)] de verdeling van de eenvoudige gemeenschap of hem te machtigen de gemeenschappelijke woning te verkopen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>
        [procesdeelneemster 4 (voornaam)] is in deze procedure als partij tussengekomen. Zij wil een verklaring voor recht dat zij met [procesdeelnemer 3 (voornaam)] en [procesdeelnemer 2 (voornaam)] een huurovereenkomst heeft. Ook wil zij een verbod voor [procesdeelnemer 2 (voornaam)] om zijn aandeel in de woning te vervreemden voordat deze huurovereenkomst is geëindigd. [achternaam] q.q. is het niet eens met de vorderingen van [procesdeelneemster 4 (voornaam)] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>
        [procesdeelnemer 3 (voornaam)] is het niet eens met de vordering van [achternaam] q.q.. [procesdeelnemer 3 (voornaam)] is het wel eens met [procesdeelneemster 4 (voornaam)] dat zij een huurovereenkomst heeft. [procesdeelnemer 3 (voornaam)] heeft tegen [achternaam] q.q. tegenvorderingen ingesteld. Hij vordert primair de verdeling van de gemeenschap vast te stellen door toedeling van het aandeel van [procesdeelnemer 2 (voornaam)] in de woning aan [procesdeelnemer 3 (voornaam)] , waarbij [procesdeelnemer 3 (voornaam)] verplicht wordt om de helft van de waarde van de woning in verhuurde staat uit te keren aan [procesdeelnemer 2 (voornaam)] . Subsidiair vordert [procesdeelnemer 3 (voornaam)] de vordering tot verdeling voor drie jaar uit te sluiten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Alle drie de partijen willen eerst duidelijkheid over de vraag of [procesdeelneemster 4 (voornaam)] huurster is of niet, waarna zij de schikkingsonderhandelingen kunnen voortzetten. De kantonrechter zal daarom in dit vonnis alleen deze vraag beoordelen en de beslissing over de andere vorderingen aanhouden. Daarna moeten de partijen de kantonrechter laten weten of en zo ja, hoe zij de behandeling van de zaak willen voortzetten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de tussenkomst</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Er is sprake van een huurovereenkomst</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat tussen [procesdeelneemster 4 (voornaam)] enerzijds en [procesdeelnemer 3 (voornaam)] en [procesdeelnemer 2 (voornaam)] anderzijds sprake is van een huurovereenkomst. De door [procesdeelneemster 4 (voornaam)] gevraagde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen. Hierna zal de kantonrechter deze beslissing toelichten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        [procesdeelnemer 3 (voornaam)] erkent dat tussen hem en [procesdeelneemster 4 (voornaam)] een huurovereenkomst bestaat en hij kan zich vinden in de door [procesdeelneemster 4 (voornaam)] gevraagde verklaring voor recht, met uitzondering van de gevraagde dwangsom ten aanzien van hem. [procesdeelnemer 2 (voornaam)] bestrijdt dat tussen hem en [procesdeelneemster 4 (voornaam)] een huurovereenkomst bestaat. Het geschil of er een huurovereenkomst bestaat speelt dus alleen tussen [procesdeelnemer 2 (voornaam)] en [procesdeelneemster 4 (voornaam)] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>De essentiële kenmerken van een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:201 Burgerlijk Wetboek (BW) zijn: </para>
        <para>1) het verschaffen van het gebruik door de verhuurder</para>
        <para>2) van een zaak of een gedeelte daarvan, en </para>
        <para>3) het verrichten van een tegenprestatie door de huurder.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Het is niet van belang of partijen daadwerkelijk de bedoeling hebben gehad een huurovereenkomst te sluiten. Het gaat er om of de overeengekomen rechten en plichten vallen onder de definitie van een huurovereenkomst (zoals bedoeld in artikel 7:201 BW). De kantonrechter moet daarom eerst vaststellen welke rechten en plichten partijen zijn overeengekomen en daarna of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van een huurovereenkomst (ECLI:NL:HR:2019:2034).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>
        [procesdeelneemster 4 (voornaam)] mag van [procesdeelnemer 2 (voornaam)] (en [procesdeelnemer 3 (voornaam)] ) sinds 1989 bij hen inwonen. [procesdeelneemster 4 (voornaam)] stelt dat zij in de woning de kleinste slaapkamer en de gemeenschappelijke ruimtes (woonkamer, keuken en tuin) gebruikt. [procesdeelnemer 2 (voornaam)] heeft dit niet betwist. [procesdeelnemer 2 (voornaam)] stelt dat niet duidelijk is wat de omvang van het gehuurde is. De kantonrechter is van oordeel dat [procesdeelnemer 2 (voornaam)] deze stelling onvoldoende heeft gemotiveerd. Met de omschrijving van de kamer van [procesdeelneemster 4 (voornaam)] is voldoende duidelijk om welk gedeelte van de woning het gaat. Doordat [procesdeelneemster 4 (voornaam)] vanaf 1989 van [procesdeelnemer 2 (voornaam)] in deze kamer mocht verblijven met gebruik van de gemeenschappelijke ruimtes in de woning, staat voldoende vast dat [procesdeelnemer 2 (voornaam)] een gedeelte van de woning aan [procesdeelneemster 4 (voornaam)] in gebruik heeft gegeven, zoals [procesdeelneemster 4 (voornaam)] stelt. Aan de eerste twee vereisten voor een huurovereenkomst is dus voldaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <parablock>
        <para>Verder staat vast dat [procesdeelneemster 4 (voornaam)] vanaf het moment dat zij is gaan inwonen voor het gebruik een vergoeding betaalt aan [procesdeelnemer 2 (voornaam)] en [procesdeelnemer 3 (voornaam)] . Eerst was dit een wekelijkse vergoeding van </para>
        <para>fl. 150,- en vanaf 2002 bedraagt dit een maandelijkse vergoeding van € 280,00. Vanaf het najaar 2022 betaalt [procesdeelneemster 4 (voornaam)] deze vergoeding alleen aan [procesdeelnemer 3 (voornaam)] . [procesdeelneemster 4 (voornaam)] stelt dat zij met [procesdeelnemer 2 (voornaam)] en [procesdeelnemer 3 (voornaam)] ook is overeengekomen om voor hen te koken, te zorgen voor de boodschappen en het schoonmaken van de woning. [procesdeelneemster 4 (voornaam)] heeft voor haar stelling dat zij (een groot deel van) deze huishoudelijke taken deed, verwezen naar de door haar overgelegde verklaringen van familie en buren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>
        [procesdeelnemer 2 (voornaam)] voert hiertegen aan dat [procesdeelneemster 4 (voornaam)] geen of geen substantiële tegenprestatie heeft verricht. [procesdeelneemster 4 (voornaam)] heeft echter voldoende onderbouwd gesteld dat haar maandelijkse bijdrage van € 280,00 hoger is dan de wekelijkse bijdragen van € 56,72 die [procesdeelnemer 2 (voornaam)] en van [procesdeelnemer 3 (voornaam)] betaalden aan de huishoudpot. [procesdeelnemer 2 (voornaam)] heeft dit niet gemotiveerd betwist. Het staat daarom voldoende vast dat [procesdeelneemster 4 (voornaam)] aan [procesdeelnemer 2 (voornaam)] en [procesdeelnemer 3 (voornaam)] een tegenprestatie leverde door middel van een financiële bijdrage. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Verder heeft [procesdeelneemster 4 (voornaam)] gedetailleerd beschreven welke huishoudelijke taken zij voor haar broers deed. In de door haar overgelegde schriftelijke verklaringen van familie en buren en door [procesdeelnemer 3 (voornaam)] wordt de stelling van [procesdeelneemster 4 (voornaam)] dat zij (een groot deel van) het huishouden deed, bevestigd. Daarbij komt dat tijdens de zitting is gebleken dat [procesdeelnemer 2 (voornaam)] en [procesdeelnemer 3 (voornaam)] beiden fulltime werkten en dat [procesdeelneemster 4 (voornaam)] tot 2011 alleen parttime (maximaal 20 uur per week) werkte en sindsdien geen betaalde arbeid meer heeft verricht. Daardoor vindt de kantonrechter het ook aannemelijk dat [procesdeelneemster 4 (voornaam)] een groter aandeel had in het huishouden dan [procesdeelnemer 2 (voornaam)] en [procesdeelnemer 3 (voornaam)] . Dat [procesdeelneemster 4 (voornaam)] volgens [procesdeelnemer 2 (voornaam)] slecht schoonmaakte, is niet relevant. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>Alles bij elkaar opgeteld, oordeelt de kantonrechter dat [procesdeelnemer 2 (voornaam)] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat met de financiële bijdrage en het verrichten van huishoudelijke taken een substantiële tegenprestatie door [procesdeelneemster 4 (voornaam)] is geleverd. Aan het derde vereiste voor een huurovereenkomst is daarom ook voldaan. Omdat aan alle wettelijke vereisten van artikel 7:201 BW wordt voldaan, is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een huurovereenkomst tussen enerzijds [procesdeelneemster 4 (voornaam)] en anderzijds [procesdeelnemer 2 (voornaam)] en [procesdeelnemer 3 (voornaam)] .</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in conventie, in reconventie en in de tussenkomst</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <para>Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich in een akte uit te laten over de wijze waarop de behandeling van de zaak volgens hen moet worden voortgezet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>De overige beslissingen worden aangehouden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de tussenkomst</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>verklaart voor recht dat tussen [procesdeelneemster 4] enerzijds en [procesdeelnemer 3] en [procesdeelnemer 2] anderzijds sprake is van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:201 BW,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de tussenkomst, in conventie en in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van <emphasis role="bold">woensdag 24 september 2025</emphasis> voor het nemen van een akte door alle drie de partijen over wat is vermeld onder 3.10,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson en in het openbaar uitgesproken door </para>
        <para>mr. J.W. Wagenaar op 27 augustus 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>40160</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>